ECLI:NL:RBDHA:2026:4855
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling proceskostenvergoeding bij telefonische hoorzitting in WOZ-bezwaarprocedure
Eiser betwistte de toekenning van 0,5 punt proceskostenvergoeding voor een telefonische hoorzitting in de bezwaarfase van een WOZ-zaak. Verweerder had deze vergoeding toegekend met verwijzing naar bijzondere omstandigheden, maar gaf geen nadere motivering.
De rechtbank stelde vast dat de telefonische hoorzitting op 27 mei 2025 had plaatsgevonden en dat alle 18 bezwaren van dezelfde gemachtigde gegrond waren verklaard. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) wordt in beginsel 1 punt toegekend voor het verschijnen bij een hoorzitting, met een mogelijkheid tot matiging bij bijzondere omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de bewijslast draagt voor afwijking van de forfaitaire regeling en dat het enkel verwijzen naar jurisprudentie onvoldoende is. Hierdoor is sprake van een motiveringsgebrek en is de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover het de proceskostenvergoeding betreft.
De rechtbank bepaalde de vergoeding voor de hoorzitting op 1 punt, wat neerkomt op € 80,88. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht. Voor de beroepsfase werd een lagere vergoeding vastgesteld vanwege samenhangende zaken en de toepasselijke wettelijke factoren.
De uitspraak benadrukt het belang van een duidelijke motivering bij afwijking van de forfaitaire regeling in proceskostenvergoedingen binnen bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden deel van de uitspraak op bezwaar en stelt de proceskostenvergoeding voor de hoorzitting vast op 1 punt, met vergoeding van griffierecht.