ECLI:NL:RBDHA:2026:4861
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling proceskostenvergoeding bij telefonische hoorzitting in WOZ-bezwaarprocedure
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase van een WOZ-zaak centraal. Eiser betwist dat verweerder terecht 0,5 punt heeft toegekend voor een telefonische hoorzitting, omdat verweerder niet heeft gemotiveerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden zoals vereist in artikel 2 lid 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Verweerder had het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de WOZ-waarde verlaagd, waarna een proceskostenvergoeding werd toegekend. De rechtbank stelt vast dat de telefonische hoorzitting heeft plaatsgevonden en dat verweerder de forfaitaire regeling heeft toegepast zonder nadere motivering. Verweerder verwees slechts summier naar jurisprudentie, wat onvoldoende is.
De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van een duidelijke motivering een schending van het motiveringsbeginsel inhoudt en vernietigt het bestreden deel van de uitspraak op bezwaar. De vergoeding voor de hoorzitting wordt vastgesteld op 1 punt conform de forfaitaire regeling. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter B. Sahebali op 27 januari 2026.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de proceskostenvergoeding voor de telefonische hoorzitting wordt vastgesteld op 1 punt conform de forfaitaire regeling.