ECLI:NL:RBDHA:2026:4871
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen toekenning proceskostenvergoeding voor telefonische hoorzitting in bezwaarfase WOZ-zaak
In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of verweerder terecht 0,5 punt heeft toegekend voor de telefonische hoorzitting in de bezwaarfase van een WOZ-waarde bezwaarprocedure. Eiser betoogt dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom van de forfaitaire regeling wordt afgeweken en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een matiging rechtvaardigen.
Verweerder baseert zijn standpunt op jurisprudentie en stelt dat er bijzondere omstandigheden zijn, waaronder de minimale inzet van de gemachtigde en de duur van de hoorzitting. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de uitspraak op bezwaar geen nadere motivering heeft gegeven en dat enkel verwijzen naar jurisprudentie onvoldoende is, wat een motiveringsgebrek oplevert.
De rechtbank oordeelt dat eiser recht heeft op een vergoeding van 1 punt voor de hoorzitting, conform de forfaitaire regeling, en vernietigt het besluit voor zover het de proceskostenvergoeding betreft. Tevens wordt rekening gehouden met samenhangende zaken en de toepasselijke wettelijke vermenigvuldigingsfactoren voor de beroepsfase.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser en tot terugbetaling van het griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter B. Sahebali en griffier A.M.M. Schillings op 27 januari 2026. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de proceskostenvergoeding voor de telefonische hoorzitting in de bezwaarfase wordt verhoogd naar 1 punt met vergoeding van proceskosten en griffierecht.