In deze zaak vordert Dexia Nederland B.V. de tussenpersoon in vrijwaring op te roepen. Dit omdat in de hoofdzaak door [partij A] wordt gesteld dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld bij het sluiten van een effectenleaseovereenkomst, waarbij de tussenpersoon zonder vergunning vergunningsplichtig advies zou hebben gegeven. Dexia stelt daardoor schade te lijden en wenst deze schade op de tussenpersoon te verhalen.
[partij A] voert verweer en betwist dat Dexia een rechtsverhouding met de tussenpersoon heeft die tot vrijwaring kan leiden, en stelt dat de vordering vooral dient om de procedure te vertragen. De kantonrechter oordeelt dat Dexia voldoende heeft gesteld dat er een rechtsverhouding bestaat die een vrijwaringsplicht kan inhouden, en dat het verschil in rechtsverhouding tussen partijen niet relevant is voor de toewijzing.
De kantonrechter verwerpt het verweer dat de oproeping tot onredelijke vertraging leidt, mede omdat de hoofdzaak betrekking heeft op overeenkomsten uit 2000-2006 en Dexia de oproeping tijdig heeft ingesteld. De vordering wordt toegewezen en [partij A] wordt veroordeeld in de proceskosten. De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor verdere proceshandeling.