ECLI:NL:RBDHA:2026:4901

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
09/235438-24 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 10 OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde vastgesteld op €70.573,77

De rechtbank Den Haag behandelde een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die op 6 mei 2025 was veroordeeld voor misdrijven gerelateerd aan de Opiumwet. Het openbaar ministerie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op €70.573,77, gebaseerd op een uitgebreide kasopstelling over de periode 1 januari 2023 tot en met 8 augustus 2024.

De verdediging betwistte de grondslag en de hoogte van het bedrag, stellende dat de onderzoeksperiode onjuist was en dat legale inkomsten onvoldoende waren meegenomen. De rechtbank verwierp deze bezwaren en oordeelde dat de kasopstelling een toelaatbare methode is om het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten, waarbij het negatieve verschil tussen uitgaven en legale inkomsten als zodanig wordt aangemerkt.

De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €70.573,77, maar hield rekening met reeds verbeurdverklaarde bedragen van €2.231,50, waardoor de betalingsverplichting werd vastgesteld op €68.342,27. Tevens werd de maximale duur van gijzeling bepaald op 683 dagen. Het vonnis werd uitgesproken op 10 maart 2026 door een meervoudige kamer.

Uitkomst: De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €70.573,77 en legt een betalingsverplichting van €68.342,27 op aan de veroordeelde.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/235438-24 (ontneming)
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 22 april 2025 (regie) en 26 februari 2026 (inhoudelijk).
Er heeft een schriftelijke ronde plaatsgevonden met een conclusiewisseling tussen de officier van justitie en de raadsman van de veroordeelde. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud daarvan.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. R.P. Tuinenburg op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de raadsman mr. D.W. Roos op de terechtzitting naar voren is gebracht.

2.De inhoud van de vordering

De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 70.573,77 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.

3.De grondslag voor ontneming

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ligt in het derde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag niet kan liggen in het eerste, tweede of derde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De veroordeelde is op 6 mei 2025 door deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld wegens de volgende strafbare feiten:
- om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden
of te bevorderen, voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet
of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
- deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid en 10a, eerste lid van de Opiumwet.
Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat de veroordeling misdrijven betreft waarvoor, zonder daarbij strafverhogende omstandigheden in aanmerking te nemen, een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.
Aannemelijk is dat de veroordeelde op de een of andere manier wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit die misdrijven of uit andere strafbare feiten. Welke andere strafbare feiten dat zijn en door wie deze zijn gepleegd kan niet worden geconcretiseerd. De rechtbank laat in het midden of de pleger daarvan mogelijk iemand anders is geweest dan de veroordeelde. Welk voordeel de veroordeelde uit deze strafbare feiten heeft verkregen komt hierna bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de orde.
De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom een veroordeling wegens een misdrijf als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

4.De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij de vordering gepersisteerd.
Hij heeft zich bij de berekening gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt op 22 maart 2025. De conclusie van dit rapport is dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel € 70.573,77 bedraagt.
De officier van justitie heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel daarom moet worden geschat op een bedrag van € 70.573,77.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de veroordeelde heeft zich op de terechtzitting van 24 februari 2026 primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen omdat het Openbaar Ministerie onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het berekende kasverschil, dan wel een groot deel daarvan, wederrechtelijk verkregen voordeel is.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag moet worden geschat, omdat de uitgangspunten voor de berekening niet juist zijn. Ten eerste is uitgegaan van een onjuiste onderzoeksperiode. Ten tweede had bij de berekening uitgegaan moeten worden van een hoger bedrag aan legale inkomsten.
4.3.
Bewijsmiddelen
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen.
1. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel dat op 22 maart 2025 is opgemaakt.
De bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte [veroordeelde] [geboortedatum] 1993 gaven aanleiding om door middel van een uitgebreide kasopstelling methode en inzicht te verschaffen in de (minimale) omvang van de onverklaarbare uitgaven. Door middel van deze methode van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt nagegaan of, en zo ja, in hoeverre betrokkene meer uitgaven heeft gedaan dan via legale bron kunnen worden verantwoord.
Dit proces-verbaal betreft een kasopstelling, opgemaakt aan de hand van de al dan niet middels bevel/vordering verkregen (bank)bescheiden, onderzoeksbevindingen en afgelegde verklaring(en)
Voor deze kasopstelling werd een onderzoeksperiode van 1 januari 2023 tot en met 8 augustus 2024 aangehouden. Deze onderzoeksperiode is gelijk aan de periode dat de historische transactiegegevens van de bankrekening(en) van de verdachte [veroordeelde] werden verkregen tot de datum van aanhouding van de verdachte [veroordeelde] .
Zie proces-verbaal uitgebreide kasopstelling DH11024003-106
Voor de uitgebreide kasopstelling wordt gebruikt gemaakt van de volgende opstelling:
(a) Beginsaldo contant en giraal geld
plus (b) Legale ontvangsten.
minus (c) Eindsaldo contanten en giraal geld
(d) Beschikbaar voor het doen van uitgaven.
minus (e) Feitelijke uitgaven (zowel contant als per bank).
----------------------------------------------------------------------------
(f ) Verschil (onverklaarbaar vermogen).
Beqinsaldo contant en giraal geld (a):
Gezien ieder huishouden mogelijk beschikt over een bepaald bedrag in contanten wordt, in het voordeel van de verdachte, in deze berekening uitgegaan van een beginsaldo van € 500 aan contanten. Het beginsaldo van de bankrekeningen betrof € 141,18 op 1 januari 2023.
Het totale beginsaldo (contant +banksaldo) betrof € 500 + € 141,18 = €641,18
Bron: Proces-verbaal van bevindingen DH11024003-56 en Proces-verbaal van aanhouding [veroordeelde] .
Totaalbedrag legale ontvangsten (b):
De analyse van de bankgegevens wees uit dat [veroordeelde] in totaal € 98 215,03 aan inkomsten ontving. Van dit totaalbedrag werd een bedrag van € 61.445 als niet legaal inkomen aangemerkt. Voor de uitgebreide onderbouwing van het aanmerken als niet-legaal inkomen wordt verwezen naar het proces-verbaal van de uitgebreide kasopstelling DH11024003-106 onder Legale Ontvangsten (b). Dit leidt tot de volgende berekening:
€ 98.215,03 (totale inkomsten) - € 61.445 (niet-legaal inkomen) = € 36.770,03 legale ontvangsten (b).
Eindsaldo contact en giraal geld (c):
Het eindsaldo contant geld is het bedrag aan contanten dat de verdachte [veroordeelde] tot zijn beschikking had aan het einde van de onderzoeksperiode. In dit geval is het bedrag aan contanten dat werd aangetroffen bij de aanhouding en insluitingsfouillering van [veroordeelde] € 431,50. Tijdens de doorzoeking van de woning werd een totaalbedrag van €1.800 aangetroffen. Het eindsaldo giraal geld bedroeg op 8 augustus 2024 € 492,63 (privérekening) + € 113,71 (zakelijke rekening) = € 606,34.
In totaal bedroeg het eindsaldo aan contant en giraal geld € 431,50 + €1.800 + € 606,34 = € 2.837,84.
Beschikbaar voor het doen van uitgaven (d):
Voor het doen van uitgaven was in de periode van 1 januari 2023 tot en met 8 augustus 2024 beschikbaar:
Beginsaldo contant en giraal geld € 641,18 (a) + Legale ontvangsten € 36.770,03 (b) - Eindsaldo contant en giraal geld € 2.837,84 (c) = € 34.573,37
Feitelijke uitgaven (e):Girale uitgaven:
De analyse van de bankgegevens van [veroordeelde] over de onderzoeksperiode van 1 januari 2023 tot en met 8 augustus 2024 wees uit dat er meerdere girale uitgaven werden gedaan met een totaalbedrag van € 85.630,36. Vanaf de privébankrekening van [veroordeelde] werd voor een bedrag van in totaal € 85.630,36 aan uitgaven gedaan die werden meegenomen in de kasopstelling. Via de zakelijke bankrekening van [veroordeelde] werden voornamelijk transacties gedaan met de privérekening van [veroordeelde] met een totaal bedrag van € 3.300. Deze overboekingen tussen gelieerde bankrekeningen werden niet meegenomen in de kasopstelling. De overige transacties op de zakelijke bankrekening betroffen uitgaven voor een schadeverzekering, bankkosten en een overboeking naar derden, in totaal € 1.798,28. Deze uitgaven van € 1.798,28 werden meegenomen als girale uitgaven in de kasopstelling.
Totale girale uitgaven van bovengenoemde bankrekeningen gedurende de
onderzoeksperiode: € 85.630,36 + € 1.798,28 = € 87.428,64
Contante uitgaven:
Over de periode 1 januari 2024 tot en met 8 augustus 2024 werden van de privérekening van [veroordeelde] meerdere contante opnames gedaan met een totaalbedrag van € 19.950. Bij de aanhouding en fouillering van [veroordeelde] werd een totaalbedrag van € 431,50 cash geld aangetroffen. Tijdens de doorzoeking van de woning werd een totaal bedrag van €1.800 cash geld aangetroffen. [veroordeelde] heeft tijdens het verhoor niets verklaard omtrent zijn inkomsten en uitgaven. Het is derhalve aannemelijk dat het totale bedrag aan cash van € 19.950 - € 431,50 - € 1.800 = € 17.718,50 werd uitgegeven in contanten.
Het totale bedrag van € 17.718,50 werd in de kasopstelling meegenomen als contante uitgaven.
Overzicht feitelijke uitgaven:
In het volgende overzicht worden de totale feitelijke contante en girale uitgaven weergegeven welke hebben plaatsgevonden in de onderzoeksperiode van 1 januari 2023 t/m 8 augustus 2024.
Girale betalingen: € 87.428,64
Contante uitgaven: € 17.718,50
----------------------------------------------
Totale uitgaven:
€ 105.147,14
Verschil / onverklaarbaar vermogen (f):
Op basis van bovenstaande kan de volgende opstelling worden vervaardigd
(a) Beginsaldo contant en giraal geld € 641,18
+ (b) Legale ontvangsten € 36.770,03
- ( c) Eindsaldo contant en giraal geld € 2.837,84
= (d) Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 34.573,37
- ( e) Feitelijke uitgaven (contant en giraal) € 105.147,14
-----------------------------------------------------------------------------------
= (f) Verschil (onverklaarbaar vermogen) -€ 70.573,77
Resume:
Uit de uitgebreide kasopstelling blijkt dat de verdachte [veroordeelde] gedurende de periode 1 januari 2023 t/m 8 augustus 2024 in totaal (minimaal) € 70.573,77 meer heeft uitgegeven dan hij uit enige legale bron(nen) van inkomsten kon verantwoorden. Aangezien de totale uitgaven groter zijn dan het beschikbare legale geld (m.a.w. het uiteindelijke verschil is negatief) is er dus sprake van onbekende contante ontvangsten. Een negatief verschil is immers niet mogelijk men kan niet meer uitgeven dan men aan inkomsten beschikbaar heeft, tenzij er sprake is van een andere, onbekende contante inkomstenbron.
Bron: Proces-verbaal van uitgebreide kasopstelling DH11024003-106.
4.4.
Oordeel van de rechtbank
Op 22 maart 2025 is met betrekking tot de veroordeelde een uitgebreide kasopstelling opgemaakt. Daarin is bij de berekening van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van een ruimere periode dan de in de strafzaak bewezenverklaarde periode, namelijk van 1 januari 2023 tot en met 8 augustus 2024 (hierna: de onderzoeksperiode).
De rechtbank overweegt dat wanneer het in een ontnemingsprocedure op grond van artikel 36e, derde lid aannemelijk is dat de veroordeelde op de een of andere manier wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de bewezenverklaarde misdrijven of uit andere strafbare feiten, ook kan worden vermoed dat de uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaar voorafgaand aan het plegen van het misdrijf waarvoor hij is veroordeeld, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten. De stelling van de verdediging dat de inkomsten uit de onderzoeksperiode onvoldoende verband houden met de bewezenverklaarde periode om mee te nemen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, vindt daarmee geen steun in het recht. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal de rechtbank zodoende uitgaan van de gehele onderzoeksperiode.
Een kasopstelling is een toelaatbare grondslag voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel (HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414). Bij een dergelijke opstelling worden de beschikbare legale contante gelden vergeleken met de totale contante uitgaven. Omdat niet meer kan worden uitgegeven dan (legaal) aan inkomsten is binnengekomen, wordt – indien er geen aannemelijke verklaring volgt voor het verschil – het negatieve verschil tussen de inkomsten en uitgaven aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.
De verdediging heeft zich ook op het standpunt gesteld dat de girale overboekingen, de Tikkie-overboekingen, de TOTO-uitbetalingen en de contante stortingen als legaal inkomen moeten worden gezien. Deze geldstromen moeten in de visie van de verdediging in mindering worden gebracht op de hoogte van de vermeende niet-legale inkomsten van de kasberekening. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdediging onvoldoende concreet en gemotiveerd onderbouwd waarom deze geldstromen tot het legale inkomen zouden behoren. De onderbouwing die is gegeven, komt de rechtbank onaannemelijk voor. De verdediging heeft haar standpunt ten aanzien van deze geldstromen niet nader onderbouwd met aanvullende stukken. Het enkele betwisten van de in het rapport gedane aannames of berekeningen ten aanzien van die geldstromen, is voorts onvoldoende om aannemelijk te maken dat dit legale bronnen van inkomsten betreffen. Het verweer wordt verworpen.
De rechtbank gaat voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de berekening zoals die is weergegeven in de kasopstelling.
( a) Beginsaldo contant en giraal geld € 641,18
(b) Legale ontvangsten € 36.770, 03 +
(c) Eindsaldo contant en giraal geld € 2.837, 84 -
__________________________________________________
=
( d) Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 34.573, 37
(e) Feitelijke uitgaven (contant en giraal) € 105.147,14 -
__________________________________________________
=
( f) Verschil (onverklaarbaar vermogen) - € 70.573,77
De bij deze berekening gebruikte aantallen en bedragen ontleent de rechtbank aan de inhoud van de genoemde wettige bewijsmiddelen. Redengevend voor deze schatting zijn de daar vermelde feiten, omstandigheden en gevolgtrekkingen.
4.5.
Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 70.573,77.

5.De vaststelling van de betalingsverplichting

5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een lager bedrag dan het door de officier van justitie geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, namelijk € € 68.342,27, omdat rekening moet worden gehouden met de waarde van onherroepelijk verbeurdverklaarde voorwerpen.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op nihil.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal bij het bepalen van de betalingsverplichting rekening gehouden met de verbeurdverklaarde geldbedragen van € 1.800,00 en € 431,50 in de strafzaak en de betalingsverplichting verminderen met dit bedrag.
5.4.
Conclusie vaststelling betalingsverplichting
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 68.342,27.

6.Het toepasselijke wetsartikel

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7.De beslissing

De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 70.573,77;
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van
68.342,27 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 683 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L.K. van Zaltbommel, voorzitter,
mr. M.C. Ritsema van Eck - van Drempt, rechter,
mr. H.G. Egter van Wissekerke, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 maart 2026.