ECLI:NL:RBDHA:2026:4903

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
NL25.55120
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 lid 6 sub c Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid homoseksuele gerichtheid en voldoende rekening referentiekader

Eiser, afkomstig uit Ivoorkust, vroeg asiel aan in Nederland op grond van zijn homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende bedreigingen en mishandelingen in zijn thuisland. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende samenhangend en aannemelijk had verklaard over zijn seksuele geaardheid, terwijl het eerste asielmotief (identiteit en herkomst) wel geloofwaardig werd geacht.

De rechtbank beoordeelde of de minister voldoende rekening had gehouden met het referentiekader van eiser, waaronder zijn beperkte opleiding, leeftijd, cultuur en taalbeheersing. De rechtbank oordeelde dat de minister dit adequaat had gedaan, mede gelet op het medisch advies en het gebruik van een Franse tolk, die eiser zelf had geprefereerd en waarmee hij zich goed kon uitdrukken.

De rechtbank ging vervolgens in op de geloofwaardigheid van de homoseksuele gerichtheid. De verklaringen van eiser werden als oppervlakkig en inconsistent beoordeeld, onder meer over zijn gevoelens, contacten met LHBTI-organisaties en het incident in een café. Ook werd gewezen op tegenstrijdigheden in zijn verklaringen over de LHBTI-gemeenschap in Ivoorkust. De rechtbank vond dat de minister terecht tot het oordeel was gekomen dat de homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig was.

De rechtbank concludeerde dat de afwijzing van de asielaanvraag terecht was en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter W. Loof op 10 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank handhaaft de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de homoseksuele gerichtheid en voldoende rekening met het referentiekader.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55120

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M. Weerman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft namelijk voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser en het medisch advies. Ook is eiser terecht gehoord met behulp van een tolk in de Franse taal. Verder heeft de minister niet ten onrechte de homoseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig geacht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 28 oktober 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 november 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is homoseksueel en ondervindt daardoor problemen in Ivoorkust. Eiser is vanwege zijn homoseksualiteit eerder mishandeld door een aantal jongeren. Bij terugkeer vreest eiser dat hij opnieuw mishandeld zal worden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. homoseksuele gerichtheid.
De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig, maar acht de homoseksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig. Eiser voldoet namelijk niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw, 2000 omdat eiser niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard. Verder heeft de minister geconcludeerd dat eiser op basis van het eerste asielmotief niet kan worden aangemerkt als vluchteling of als iemand die een risico loopt op ernstige schade.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?
5. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. De minister had namelijk rekening moeten houden met de beperkte opleiding van eiser, zijn leeftijd ten tijde van de gebeurtenissen waarover is verklaard en zijn cultuur, waarin hij niet gewend is om over zijn geaardheid te verklaren. Daarbij heeft de vorige gemachtigde van eiser gewezen op een mogelijke licht verstandelijke beperking. Ook heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met de constatering van Medi-First dat eenvoudige vragen gesteld dienen te worden, met verduidelijking en herhaling.
Verder wijst eiser erop dat hij gehoord is met behulp van een tolk in de Franse taal terwijl zijn moedertaal Malinke is. Eiser is beperkt in zijn Franse woordenschat en had met behulp van een tolk Malinke gehoord moeten worden. Hierdoor het voor hem moeilijker om de vragen goed te begrijpen en zijn verhaal en gevoelens onder woorden te brengen. Eiser heeft tijdens het gehoor ook aangegeven: “misschien ligt het aan mijn Frans.”, [1] waarop de hoormedewerker niet heeft doorgevraagd.
Referentiekader
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser. De rechtbank wijst allereerst op het referentiekader zoals dat door de minister is opgenomen in het voornemen, waarbij de minister erop heeft gewezen dat eiser 23 jaar oud is en zes jaar basisonderwijs heeft gehad. Verder wijst de minister er terecht op dat ook van iemand met een beperkter vermogen om te verklaren mag worden verwacht dat hij in enige mate kan verklaren over acties en daden. Eiser heeft niet onderbouwd waarom de minister dit niet van hem zou mogen verwachten. Verder heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende rekening gehouden met het medisch advies. Daarin staat namelijk het advies om aan eiser eenvoudige vragen te stellen en de vragen eventueel te herhalen, te verduidelijken of op een andere manier te stellen. Hiermee is voldoende rekening gehouden in het gehoor. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op pagina 12 van het nader gehoor, waarbij de hoormedewerker, nadat eiser aangeeft niet goed te weten hoe hij iets moet vertellen en het niet begrijpt, eenvoudige vragen stelt. Eiser heeft verder niet nader onderbouwd op welke specifieke momenten in het gehoor of specifieke punten in het besluit onvoldoende rekening is gehouden met het referentiekader en het medisch advies.
Franse taal
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eiser terecht gehoord met behulp van een tolk in de Franse taal. Eiser heeft namelijk zelf in het gehoor met de vreemdelingenpolitie op 25 november 2023 verklaard dat een tolk in de Franse taal zijn voorkeur heeft en dat hij zich in het Frans goed kan uitdrukken. In het aanmeldgehoor van 7 december 2023 heeft eiser aangegeven de tolk in de Franse taal goed te kunnen verstaan. Ook in het nader gehoor van 28 november 2025 heeft eiser aangegeven dat hij Frans spreekt en dat Malinke zijn tweede taal na Frans is. In de correcties en aanvullingen en de zienswijze heeft eiser ook niet naar voren gebracht dat hij de tolk niet goed kon verstaan of dat hij zich onvoldoende verstaanbaar kan maken in de Franse taal. De enkele opmerking van eiser in het nader gehoor dat het ‘misschien aan zijn Frans ligt’ heeft de minister dan ook geen aanleiding hoeven geven om ervan uit te gaan dat eiser de Franse taal onvoldoende machtig was. De rechtbank wil tot slot ook niet onvermeld laten dat eiser naar de zitting bij de rechtbank een tolk in de Franse taal heeft meegebracht.
Mocht de minister de homoseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig vinden?
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte zijn homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig heeft geacht. Daarbij wijst eiser op een aantal punten. De rechtbank zal deze hieronder per punt bespreken.
Verklaringen homoseksuele gerichtheid
6.1.
Eiser betoogt dat hij, gelet op zijn referentiekader en zijn beperkte Franse woordenschat, voldoende verklaart over hoe hij achter zijn homoseksuele gerichtheid is gekomen. Ook heeft eiser voldoende verklaard over de vraag wat het met hem deed dat zijn ouders de homoseksuele gerichtheid zouden afkeuren als zij daarvan zouden weten.
6.2.
De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over alle aspecten van zijn homoseksuele gerichtheid. Met betrekking tot het referentiekader en de Franse taal wijst de rechtbank op dat wat zij heeft overwogen onder 5.1 en 5.2. Verder heeft de minister er terecht gewezen dat in het nader gehoor op meerdere en verschillende manieren is geprobeerd om de authentieke gedachten en gevoelens van eiser naar voren te krijgen, maar de verklaringen zijn onvoldoende gebleven. [2] Eiser heeft verder niet nader onderbouwd op welke punten hij niet oppervlakkig is geweest.
Verklaringen over versieren tijdens relatie
6.3.
Met betrekking tot het versieren van een andere jongen heeft de minister, volgens eiser, ten onrechte gesteld dat niet inzichtelijk zou zijn waarom hij een ander wil versieren terwijl eiser een relatie had. Ook in een relatie kun je je namelijk aangetrokken voelen tot anderen. Verder heeft eiser voldoende inzicht gegeven in de gevoelens die hij voor de andere jongen had.
6.4.
De rechtbank stelt voorop dat de minister niet zozeer heeft tegengeworpen dat eiser zich in een relatie niet aangetrokken zou kunnen of mogen voelen tot anderen, maar dat van eiser meer verklaringen mochten worden verwachten over waarom eiser zich dan aangetrokken voelde tot die andere jongen en hem heeft willen versieren ondanks dat eiser een relatie had. De minister stelt zich met betrekking tot dit punt niet ten onrechte op het standpunt dat eiser hierover oppervlakkig en niet inzichtelijk heeft verklaard. [3] De minister mocht op dit punt meer van eiser verwachten.
Verklaringen over LHBTI-gemeenschap in Ivoorkust
6.5.
Ook heeft de minister ten onrechte gesteld dat de verklaringen van eiser over de LHBTI-gemeenschap in Ivoorkust niet consistent zijn, aldus eiser. Eiser heeft namelijk verklaard dat organisaties verboden zijn, in die zin dat ze niet geaccepteerd worden door de gemeenschap. Dat eiser geen bewijs daarvoor heeft geleverd, doet daar niet aan af. Dit blijkt namelijk uit de ingebrachte landeninformatie, welke ook ambtshalve bij de minister bekend dient te zijn. Dat eiser verklaard zou hebben over kleine organisaties is ook onjuist. In dat kader is sprake van een onjuiste vertaling. Eiser heeft verklaard over individuele personen. Van een tegenstrijdigheid is dan ook geen sprake.
6.6.
De minister stelt terecht dat de verklaringen van eiser over de LHBTI-gemeenschap in Ivoorkust ongerijmd zijn. Hoewel de minister van eiser niet verwacht dat hij diepgaande kennis heeft over LHBTI-organisaties, mag van hem wel verwacht worden dat hij consistent verklaart. Dat is niet het geval. Eiser heeft namelijk enerzijds verklaard geen organisaties te kennen, omdat deze er niet zijn, terwijl hij vervolgens verklaart dat er wel drie kleine organisaties zijn. De minister heeft terecht gesteld dat deze verklaringen geen samenhangend geheel vormen. Dat sprake zou zijn van een vertaalfout, en dat eiser niet heeft verklaard over kleine organisaties, maar over individuele personen, volgt de rechtbank niet. Uit niets in het gehoor blijkt dat sprake is geweest van een vertaalfout, gelet op de context waarin de vragen zijn gesteld. Eiser heeft ook niet nader onderbouwd dat sprake is geweest van een vertaalfout of in de correcties en aanvullingen naar voren gebracht dat de verklaringen onjuist zijn weergegeven in het verslag van het nader gehoor.
Verklaringen over contact met en situatie van LHBTI’ers in Nederland
6.7.
Eiser voert verder aan dat uit de screenshots wel degelijk blijkt dat eiser pogingen heeft gedaan om contact te krijgen met LHBTI-organisaties in Nederland. Inmiddels is eiser lid van een Whatsapp groep en zal hij deelnemen aan een Cocktail bijeenkomst van het COC. In beroep heeft eiser daartoe een verklaring van het COC en een aantal foto’s overlegd, waaruit blijkt dat hij deelneemt aan bijeenkomsten. Daarnaast verwacht de minister ten onrechte dat eiser iets over de situatie van LHBTI’ers in Nederland kan vertellen omdat hij hier asiel heeft aangevraagd. Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom dat zou moeten, ook omdat het algemeen bekend is dat in West-Europa bescherming wordt geboden aan hen die dat nodig hebben.
6.8.
De minister stelt niet ten onrechte dat de verklaringen van eiser over de situatie van LHBTI’ers in Nederland bevreemdend zijn. Eiser is namelijk twee jaar geleden naar Nederland gevlucht voor problemen rondom zijn seksuele geaardheid. Dat eiser vervolgens niet weet hoe de situatie in Nederland is, terwijl eiser specifiek naar Nederland is gekomen voor een asielaanvraag in dit kader, acht de minister niet ten onrechte bevreemdend. De minister mocht van eiser verwachten dat hij zich verdiept in de situatie voor LHBTI’ers in Nederland. De overgelegde screenshots maken dit niet anders. Het lid zijn van de WhatsApp groep verduidelijkt namelijk niet wat de kennis van eiser is over de situatie in Nederland of het belang daarvan voor hemzelf. De overgelegde verklaring van het COC en de foto’s doen aan voorgaande niet af, het gaat immers om de verklaringen en de kennis van eiser zelf.
Incident in café in Ivoorkust
6.9.
Met betrekking tot het incident in het café merkt eiser allereerst op dat het is gegaan om het omgooien van tafels en niet om het slopen van het café. Verder heeft eiser bedoeld te verklaren dat hij gewond is geraakt tijdens het vluchten en niet omdat hij zelf geslagen is. Ook kan van eiser niet worden verwacht dat hij meer kan verklaren over hoe de jongens wisten van de komst van eiser in het café omdat hij dat zelf niet weet.
6.10.
De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van eiser over het incident in het café in Tengréla vaag zijn. De minister volgt eiser in zijn betoog dat sprake was van een chaotische situatie, maar ook daarmee blijven de verklaringen van eiser vaag. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij niet weet hoe de jongens wisten dat eiser en zijn vrienden daar waren. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat de verklaring van eiser dat hij denkt dat de eigenaar van het café hen heeft verraden, enkel gebaseerd is op vermoedens, terwijl die verklaring ook niet strookt met de verklaring van eiser dat de jongens in het café in ieder geval vernielingen hebben aangericht. Eiser heeft bovendien verklaard dat de jongens hem hebben laten ontsnappen en niet achter hem aan zijn gegaan. De minister heeft gelet op het voorgaande niet ten onrechte gesteld dat het nog steeds vaag is of de jongens uit waren op geweld tegen eiser, zijn groepje of het café. Daarnaast verklaart eiser enerzijds dat hij is mishandeld en vervolgens dat hij slechts is gevallen en gewond geraakt.
Poro-gemeenschap
6.11.
Ten aanzien van de verklaringen over de Poro voert eiser aan dat het bij de bevolkingsgroep de Sinofo verplicht is om lid te worden van de Poro en binnen die traditie bestaat geen enkele ruimte voor LHBTI-ers. Over de Poro-gemeenschap is niet doorgevraagd in het gehoor.
6.12.
Voor zover eiser met deze beroepsgrond wilt betogen dat de minister meer vragen had moeten stellen over de Poro-gemeenschap, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank hiertoe geen aanleiding hoeven zien. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister er terecht op gewezen dat eiser in het nader gehoor slechts eenmaal de Poro-gemeenschap heeft benoemd. Dat was in het kader van de ouders van zijn vriend. [4] Daarna gaat eiser hier niet verder op door. De minister heeft daarom terecht gesteld dat geen aanleiding was om door te vragen over de Poro-gemeenschap.
Dragen van vrouwenkleding
6.13.
Eiser heeft verder over het dragen van vrouwenkleding opgemerkt dat zijn verklaringen daarover bezien moeten worden in seksuele zin en hij hiermee niet heeft bedoeld dat hij genderfluïde is. De verklaringen van eiser staan daarom dus niet haaks op dat wat door de vorige gemachtigde is aangevoerd in de correcties en aanvullingen, namelijk dat sprake zou zijn van genderfluïditeit.
6.14.
Voor zover eiser met zijn opmerking wil betogen dat hiermee zijn geaardheid wel geloofwaardig geacht dient te worden en in die zin iets tegen het besluit in wil brengen, overweegt de rechtbank het volgende. De minister heeft de gestelde tegenstrijdigheden niet tegengeworpen in het kader van de geloofwaardigheid, maar enkel gesteld dat die verklaringen onvoldoende zijn om anders te concluderen over de geloofwaardigheid. De conclusie van de minister dat eisers geaardheid ongeloofwaardig is, heeft dus niet afgehangen van zijn verklaringen over het dragen van vrouwenkleding en of deze al dan niet tegenstrijdig zijn geweest. Het betoog doet daarom niet af aan het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid van de geaardheid.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Pagina 22, verslag nader gehoor van 28 oktober 2025 (NG).
2.Zie bijvoorbeeld pagina 12, 13, 14, 18 en 19 NG.
3.Zie pagina 20 en 21, NG.
4.Pagina 13, NG.