ECLI:NL:RBDHA:2026:4938
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsrecht op grond van Richtlijn Tijdelijke Bescherming voor Oekraïense eiser
Eiser, een Oekraïense nationaliteit, verzocht om tijdelijke bescherming in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Verweerder wees dit verzoek af omdat eiser Oekraïne vóór de peildatum van 27 november 2021 had verlaten en toen niet in Nederland verbleef, maar in Tsjechië. Verweerder stelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij bij terugkeer naar Oekraïne de intentie had zich daar duurzaam te vestigen, noch dat hij ten tijde van het uitbreken van het conflict een duurzame relatie had met zijn gestelde partner.
Eiser voerde aan dat hij bij terugkeer wel de intentie had zich duurzaam te vestigen en dat de Richtlijn niet te strikt toegepast mocht worden, mede omdat hij een duurzame relatie had met een persoon die wel onder de Richtlijn viel. De rechtbank oordeelde dat de toepasselijke wettelijke regeling (artikel 3.9a VV) ziet op personen die tussen 27 november 2021 en 24 februari 2022 Oekraïne verlieten en dat eiser buiten deze termijn viel.
De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd voor zijn intentie tot duurzaam verblijf in Oekraïne na terugkeer en voor een duurzame relatie met zijn partner. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het verblijfsrecht had geweigerd en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard. Eiser kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.