AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit geen rechtmatig verblijf wegens schending tolkvoorschriften
Eiseres, een Tsjechische staatsburger die sinds 2018 in Nederland verblijft, werd door de minister van Asiel en Migratie het rechtmatig verblijf ontzegd op grond van het Unierecht. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar. Eiseres voerde aan dat bij de uitreiking van de vordering om gehoord te worden geen beëdigde tolk was ingezet, wat in strijd is met de Wet beëdigd tolken en vertalers (Wbtv).
De rechtbank stelde vast dat de gebruikte tolk niet in het register van beëdigde tolken voorkomt en dat verweerder niet schriftelijk en gemotiveerd had vastgelegd waarom een niet-beëdigde tolk werd ingezet. Verweerder was niet verschenen om dit toe te lichten. Hierdoor is het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd, wat leidt tot schending van artikel 28 WbtvPro.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en gaf verweerder acht weken om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens schending van artikel 28 Wbtv en verweerder moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.26398 (beroep) en NL25.26399 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen verweerders vaststelling dat zij geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van het Unierecht en beoordeelt de voorzieningenrechter haar verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Verweerder heeft met het primaire besluit van 11 november 2024 vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland op grond van het Unierecht. Met het bestreden besluit van 23 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1967 en heeft de Tsjechische nationaliteit. Eiseres is per 18 juli 2018 in Nederland geregistreerd als niet-ingezetene. Eiseres leidt een zwervend bestaan en is meerdere keren in aanraking gekomen met de politie. De politie is eraan gaan twijfelen of eiseres voldoende middelen heeft om van te leven en heeft onderzocht of zij aan de voorwaarden voldoet voor rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht. Op grond van de resultaten uit het onderzoek van de politie heeft verweerder vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft. Eiseres verblijft langer dan drie maanden in Nederland, is werkloos, niet werkzoekend, studeert niet en niet is gebleken dat zij voldoende middelen van bestaan heeft. Verweerder heeft daarom aan eiseres een verwijderingsmaatregel opgelegd. Verweerder heeft het belang van eiseres om in Nederland te mogen verblijven afgewogen tegen het belang van de Staat, en heeft die belangenafweging in het nadeel van eiseres laten uitvallen.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor de volgende argumenten. Allereerst heeft verweerder volgens eiseres bij de uitreiking van de uitnodiging om in persoon gehoord te worden geen gebruik gemaakt van een beëdigde tolk, wat in strijd is met artikel 28 vanPro de Wet beëdigd tolken en vertalers (Wbtv). Eiseres had gehoord moeten worden en verweerder had daarna een nieuw besluit moeten nemen. Dat verweerder dit niet heeft gedaan maakt het bestreden besluit onrechtmatig. Ook stelt eiseres dat de verwijderingsmaatregel in strijd is met het lex certa-beginsel. Om een nieuw verblijfsrecht te krijgen moet eiseres haar verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief beëindigen, maar zij weet niet – als dak- en thuisloze – op welke manier zij dit moet doen. Daarmee heeft verweerder ook een onzorgvuldige belangenafweging gemaakt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden heeft mogen vaststellen dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland en haar daarom een verwijderingsmaatregel mocht opleggen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank geeft eiseres gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
5. Op grond van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wbtv maakt verweerder uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertaler. Dat geldt ook voor de politie. [1] Op grond van het derde lid van dit artikel kan in afwijking van het eerste lid gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat. Als van het gebruik van een beëdigde tolk wordt afgezien, dan moet dit op grond van het vierde lid met redenen omkleed schriftelijk worden vastgesteld.
5.1.
Allereerst overweegt de rechtbank dat, zoals volgt uit het voorgaande, bij de uitreiking van de vordering om gehoord te worden over het voorstel om het verblijfsrecht te beëindigen in beginsel gebruik moet worden gemaakt van een beëdigd tolk of vertaler. Op het uitreikingsblad van 28 juni 2020 dat zich in het dossier bevindt is, anders dan verweerder stelt, wel expliciet opgenomen dat tolk 302 is aangewend bij de uitreiking van de vordering. Eiseres heeft een schermafdruk van het Register beëdigde tolken en vertalers (Rbtv) aangeleverd en daarop is te zien dat een tolk met dit nummer niet in dit register voorkomt. De rechtbank heeft dit zelf ook vastgesteld bij raadpleging van het Rbtv. Daarmee is onduidelijk of bij uitreiking van de vordering om gehoord te worden over het voorstel om het EU-verblijfsrecht te beëindigen gebruik is gemaakt van een beëdigd tolk. Gelet hierop en nu verweerder niet ter zitting is verschenen om uitleg te geven en ook geen verweerschrift heeft ingediend, zal de rechtbank ervan uitgaan dat geen gebruik is gemaakt van een beëdigd tolk of vertaler. Verweerder kan gebruik maken van een niet-beëdigde tolk of vertaler, maar moet dit uiterlijk in het besluit schriftelijk vastleggen omkleed met een reden genoemd in het derde lid van artikel 28 vanPro de Wbtv. [2] Dit is zowel in het primaire besluit als in het bestreden besluit niet gebeurd. Ook heeft verweerder dit niet gemotiveerd in het voorstel intrekking van 12 juli 2020, waarin enkel staat dat eiseres op donderdag 2 juli 2020 is gevorderd te verschijnen en dat zij niet is verschenen op de vordering. Gelet daarop heeft verweerder in strijd gehandeld met artikel 28 vanPro de Wbtv. Dat levert een zorgvuldigheids- en een motiveringsgebrek op. De beroepsgrond van eiseres slaagt.
6. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. Aan de rest van de beroepsgronden komt de rechtbank niet toe. Verweerder moet namelijk eerst eiseres op zorgvuldige wijze in staat stellen haar zienswijze te geven over zijn voorstel vaststelling geen rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder moet een nieuw besluit op het bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken.
8. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit. [3]
9. Verweerder moet de proceskosten van eiseres vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op een bedrag van € 2.802,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, beiden met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.802,-.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep
of verzet open.
Voetnoten
1.Artikel 28, eerste lid, aanhef en onder e, Wbtv.
2.Zie ook onder meer uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1395.
3.Op grond van artikel 8:81 enPro 8:83, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).