ECLI:NL:RBDHA:2026:4942

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
NL26.13100
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen overdracht op grond van Dublinverordening

Verzoeker, een Syrische nationaliteit houdende persoon, heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Bulgarije verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Na een eerdere uitspraak waarin het beroep van verzoeker ongegrond werd verklaard, heeft verzoeker verzet aangetekend en een voorlopige voorziening gevraagd om zijn overdracht aan Bulgarije te voorkomen.

De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de overdracht op dat moment vrijwillig wordt gefaciliteerd en dat verzoeker zelf kan bepalen of hij meewerkt. Hierdoor is er geen sprake van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Tevens is het verzet inhoudelijk beoordeeld als kansloos omdat er geen nieuwe gronden zijn aangevoerd.

Op grond van deze overwegingen is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening om overdracht aan Bulgarije te voorkomen wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13100

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. A. van Midden).

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Bij uitspraak van 24 februari 2026 heeft de rechtbank het beroep van verzoeker hiertegen met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb [1] ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft bij bericht van 9 maart 2026 tegen deze uitspraak verzet gedaan. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij de behandeling van het verzet in Nederland mag afwachten.
Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. Ook tijdens een verzetsprocedure als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Awb kan een voorlopige voorziening worden verzocht. [2]
2. Verzoeker is geboren op [geboortedag] 1980 en heeft de Syrische nationaliteit. Op 12 maart 2026 om 10:20 uur wordt verzoeker door verweerder gefaciliteerd in een overdracht aan de Bulgaarse autoriteiten in het kader van de Dublinverordening. [3] Verzoeker heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen om zijn overdracht te voorkomen, omdat hij aanwezig wil zijn bij de behandeling van zijn verzetschrift ter zitting. Verder meent verzoeker dat bij overdracht zijn belangen worden geschaad, omdat Bulgarije zich niet houdt aan zijn internationale verplichtingen.
3. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat verzoeker niet gedwongen wordt overgedragen. Subsidiair stelt verweerder dat het verzet geen redelijke kans van slagen heeft. In het verzetschrift zijn geen stellingen naar voren gebracht die niet reeds in beroep zijn ingebracht of hadden kunnen worden ingebracht en die niet tot de conclusie hadden hoeven leiden dat er geen sprake was van een kennelijk ongegrond beroep.
4. De voorzieningenrechter stelt op basis van het verweerschrift vast dat verweerder op dit moment niet voornemens is om verzoeker gedwongen over te dragen. De aangekondigde vluchtgegevens zien uitsluitend op het faciliteren van een vrijwillig vertrek naar Bulgarije. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat verzoeker de zelfstandige keuze heeft of hij zijn medewerking zal verlenen aan die overdracht. Om die reden is de voorzieningenrechter van oordeel dat op dit moment dan ook geen sprake is van een spoedeisend belang, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 10 maart 2026 door mr. K.M. de Jager, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 december 2004,
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.