De minister van Asiel en Migratie legde op 18 februari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiseres op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet. Eiseres stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de bewaring op op 3 maart 2026 vanwege overdracht aan Zweden, maar eiseres handhaafde het beroep. De rechtbank behandelde het beroep op 6 maart 2026.
De minister baseerde de bewaring op zware gronden zoals het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen, het onttrekken aan toezicht, het verstrekken van onjuiste gegevens en het niet meewerken aan overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat. Daarnaast werden lichte gronden genoemd zoals het niet naleven van verplichtingen, het ontbreken van een vaste woonplaats en onvoldoende middelen van bestaan. Eiseres betwistte deze gronden niet.
De rechtbank oordeelde dat eiseres onder de categorie vreemdelingen valt waarvoor bewaring is toegestaan en dat er een concreet aanknopingspunt is voor overdracht aan Zweden. Hoewel eiseres stelde dat bijzondere omstandigheden en haar zwangerschap een lichter middel rechtvaardigden, vond de rechtbank dat de minister terecht geen lichter middel toepaste gezien het risico op onttrekking en het eerdere frustreren van vrijwillige overdracht.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was, dat de minister voortvarend handelde en dat er voldoende zicht was op overdracht. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.