ECLI:NL:RBDHA:2026:4957

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
NL25.56641
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep tegen vrijheidsbeperkende maatregel

Verzoeker had beroep ingesteld tegen een vrijheidsbeperkende maatregel van de minister van Asiel en Migratie van 21 oktober 2025. Dit beroep werd ingetrokken nadat de minister op 11 februari 2026 het besluit met terugwerkende kracht introk, omdat de maatregel niet was geëffectueerd.

De rechtbank heeft de minister op 13 februari 2026 in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling. Verzoeker en zijn gemachtigde waren niet aanwezig bij de zitting. De rechtbank sloot daarop het onderzoek.

De minister erkende dat de maatregel waarschijnlijk niet was opgeheven zonder het beroep van verzoeker, wat inhoudt dat de minister aan het beroep is tegemoetgekomen. Op grond hiervan wijst de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding toe en legt de minister op de vergoeding van € 934,- aan de gemachtigde van verzoeker te betalen, aangezien er geen andere kosten zijn gemaakt.

Verzoeker was op 2 januari 2026 met onbekende bestemming vertrokken, maar bleef wel contact houden met zijn gemachtigde. De uitspraak is gedaan door rechter H. Hanssen - Telman en griffier M.A. Postma en is openbaar gemaakt op 11 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding toe en veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan de gemachtigde van verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56641

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel van de minister van
21 oktober 2025. Hij heeft het beroep ingetrokken, omdat de minister op 11 februari 2026 dit besluit met terugwerkende kracht heeft ingetrokken.
1.1.
De rechtbank heeft de minister op 13 februari 2026 op de zitting in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
1.2.
Eiser is op 2 januari 2026 met onbekende bestemming vertrokken. Op 11 februari 2026 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser gevraagd of er nog contact is met eiser. Uit de reactie van de gemachtigde van 11 februari 2026 blijkt dat er nog contact is tussen eiser en zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [1]
Is de minister aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 19 november 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de vrijheidsbeperkende maatregel. De minister heeft pas op 11 februari 2026 de vrijheidsbeperkende maatregel opgeheven met terugwerkende kracht, omdat de maatregel niet is geëffectueerd. De minister heeft op de zitting erkent dat de maatregel naar alle waarschijnlijkheid niet zou zijn opgeheven als er door eiser geen beroep was ingediend. Hiermee heeft de minister erkent dat is tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker. Er bestaat daarmee aanleiding om het verzoek toe te wijzen.

Conclusie en gevolgen

5. De rechtbank wijst het verzoek toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoeker een beroepschrift heeft ingediend. [2] Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet de minister deze vergoeding betalen aan de gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
2.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.