ECLI:NL:RBDHA:2026:4961

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
C/09/688845 / HA ZA 25-645
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:10 BWArt. 3 lid 1 SamenlevingsovereenkomstArt. 3 lid 2 SamenlevingsovereenkomstArt. 10 Samenlevingsovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling woning en eigendom sieraden na beëindiging samenlevingsovereenkomst

De man en vrouw, ex-partners met een samenlevingsovereenkomst, zijn gezamenlijk eigenaar van een woning en hebben pandbeleningen met sieraden als onderpand. Na beëindiging van hun relatie vordert de man onder meer toedeling van de woning, eigendom van sieraden en vergoeding van hypotheeklasten. De vrouw vordert exclusief woonrecht voor minimaal een jaar.

De rechtbank oordeelt dat de man onvoldoende bewijs levert dat de sieraden bij het Pandhuis enkel van hem zijn, en wijst de verklaring voor recht af. De vrouw moet wel binnen twee weken sieraden afgeven die zij erkent van de man te zijn. De woning wordt niet aan de man toegewezen maar verkocht aan een derde, waarbij de vrouw tot levering mag blijven wonen.

De rechtbank bepaalt dat de vrouw de helft van de door de man betaalde hypotheek- en pandbeleningslasten moet vergoeden vanaf de beëindiging van de samenlevingsovereenkomst. Proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij de eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De woning wordt verkocht aan een derde met verdeling van de overwaarde, de vrouw mag tot levering in de woning blijven wonen en moet bepaalde sieraden afgeven; de vrouw moet de helft van de hypotheek- en pandbeleningslasten vergoeden vanaf beëindiging samenlevingsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaaknummer: C/09/688845 / HA ZA 25-645
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
[de man]te [woonplaats],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A. Ramsaroep,
tegen
[de vrouw]te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R.N. Baldew.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 juni 2025;
- de akte overlegging producties van de man, met producties 1 tot en met 9;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 5;
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte eiswijziging en eisvermeerdering, met producties 10 tot en met 17;
- de akte eisvermeerdering van de man, met producties 18 tot en met 28;
- de productie 29 van de man, met toelichting;
- de akte uitlating eisvermeerdering van de vrouw, met een productie.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 25 november 2025 heeft de rechtbank beslist de mondelinge behandeling aan te houden, omdat zij er niet van overtuigd was dat partijen met de aanwezige tolk voldoende begrepen wat er werd gezegd en welke vragen aan hen werden gesteld. De rechtbank heeft ter plaatse met partijen een nieuwe zitting ingepland om de mondelinge behandeling voort te zetten, zodat partijen (opnieuw) een (eigen) tolk konden inschakelen. Tijdens deze voortgezette mondelinge behandeling van 16 december 2025 heeft de vrouw een tolk meegenomen, die zowel voor de man als de vrouw de vertaling heeft verzorgd. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. Van zowel de mondelinge behandeling van 25 november als 17 december 2025 heeft de griffier zittingsaantekeningen gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad en zijn de ouders van twee kinderen van (ten tijde van het dagvaarden) 13 en 11 jaar oud. Zij zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] (hierna: de woning). Op de woning rust ter zake de hypothecaire lening een recht van hypotheek.
2.2.
Op 24 maart 2017 hebben de man en de vrouw een samenlevingsovereenkomst gesloten (hierna: de samenlevingsovereenkomst). Daarin is ten aanzien van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding het volgende opgenomen, voor zover relevant:
Artikel 3
De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden door partijen gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen. Zijn de inkomens onvoldoende, dan worden de kosten gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.
Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de premies en kosten van verzekeringen die betrekking hebben op aan partijen tezamen toebehorende goederen, de kosten van gezamenlijke vakanties, de huurprijs van de gemeenschappelijk bewoonde woning, de rente en kosten van geldleningen die zijn aangegaan in verband met de aanschaf of het onderhoud van de gemeenschappelijk bewoonde woning en van de gezamenlijke goederen, alsmede de kosten van dagelijks onderhoud van de hiervoor bedoelde woning en goederen.
(…)”
En ten aanzien van de lasten verbonden aan de financiering van de woning:
Artikel 10
1.
Indien de woning aan partijen gezamenlijk toebehoort, dragen partijen de lasten verbonden aan de financiering van de woning, met uitzondering van de in artikel 3 lid 2 bedoelde Pro renten en kosten, naar verhouding van ieders aandeel in de woning. (…)”
2.3.
In de samenlevingsovereenkomst is verder bepaald dat ingeval de overeenkomst eindigt door opzegging of onderling overleg, ieder van partijen de voorzieningenrechter kan verzoeken om te bepalen dat hij — met uitsluiting van de andere partij — nog zes maanden mag blijven wonen in de laatstelijk door beide partijen bewoonde woning. Verder is vermeld dat de partij die in de woning blijft wonen aan de ander een redelijke vergoeding is verschuldigd. Voorafgaand aan het ondertekenen van de samenlevingsovereenkomst is de inhoud van de bepalingen van de overeenkomst met behulp van een tolk aan partijen toegelicht.
2.4.
De man en de vrouw hebben verschillende zogenoemde pandbeleningen afgesloten bij het Pandhuis van de Gemeentelijke Kredietbank in Den Haag (hierna: de Pandhuis). Als onderpand hebben zij verschillende sieraden bij het Pandhuis achtergelaten. Verder bewaarden zij sieraden in een op naam van de vrouw gehuurde kluis.
2.5.
Op enig moment heeft de vrouw beslist de relatie met de man te beëindigen. Bij dagvaarding van 25 april 2025 is zij een kort geding gestart, waarin zij heeft gevorderd (kort gezegd) de man te veroordelen om de woning te verlaten en hem te verbieden de woning te betreden zonder haar toestemming. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft deze vordering bij mondeling vonnis van 29 juli 2025 toegewezen. In lijn met dit vonnis heeft de man de woning vervolgens verlaten. Sindsdien slaapt hij (onder meer) in hotelkamers.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De man vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
I. vaststelling van de verdeling van de woning, waarbij:
a.
primair: de woning wordt toegedeeld aan de man onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de daarop rustende hypothecaire schuld en betaling van de helft van de overwaarde aan de vrouw, met verrekening van de helft van de door de man betaalde hypotheeklasten (rente en aflossing) en alle andere eigenaarslasten,
b.
subsidiair, namelijk indien de man de financiering van de woning niet rond kan krijgen of hiervan wenst af te zien: de woning wordt verkocht aan een derde met verdeling van de overwaarde bij helfte, waarbij tegelijkertijd de vrouw aan de man dient te betalen de helft van de door de man betaalde hypotheeklasten (rente en aflossing) en alle andere eigenaarslasten;
II. veroordeling van de vrouw de sieraden zoals afgebeeld op de foto’s die door de man als productie 15 zijn overgelegd, af te geven aan de man binnen zeven dagen na dit vonnis en als zij dit niet of niet volledig doet, veroordeling van de vrouw tot betaling van € 200.000;
III. te bepalen dat de vrouw aan de man dient te betalen de kosten van de dagvaarding en beslaglegging van € 939,93;
IV. de verklaring voor recht dat de sieraden van de als productie 5 bij de dagvaarding overgelegde pandbeleningen eigendom zijn van de man;
V. te bepalen dat de man en de vrouw elk voor de helft draagplichtig zijn voor de rente en de aflossing van de als productie 5 overgelegde pandbeleningen, waarbij bij verkoop van de woning deze leningen uit de netto opbrengst dienen te worden afgelost en de vrouw verplicht is tot medewerking aan de afgifte van deze sieraden aan de man;
VI. veroordeling van de vrouw tot betaling van € 19.050,88 aan de man inzake de pandbeleningen en € 5.844 aan hypotheekaflossingen;
VII. veroordeling van de vrouw in de proceskosten, waaronder de nakosten.
3.2.
Wat betreft de vordering genoemd onder VI merkt de rechtbank op dat in de akte eisvermeerdering tot besluit een bedrag wordt genoemd van € 11.687 in plaats van
€ 19.050,88. Gelet op de onderbouwing van de hoogte van de door de man betaalde bedragen aan aflossing en rente, en het gegeven dat dit eerste bedrag overeenkomst met het totaal aan afgeloste bedragen op de hypotheekschuld, begrijpt de rechtbank dat het hier gaat om een kennelijke fout en de man een bedrag vordert van € 19.050,88.
3.3.
De man legt aan de vorderingen ten grondslag dat hij de woning toegedeeld wenst te krijgen, dat hij rechthebbende is van bedoelde sieraden en dat hij met betrekking tot de pandbeleningen en hypotheeklasten alle betalingen (rente + aflossing) heeft gedaan, terwijl de vrouw de helft hiervan moet betalen.
3.4.
De vrouw voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van de man..
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.6.
De vrouw vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank bepaalt dat de vrouw gerechtigd is de woning exclusief te bewonen voor de duur van ten minste één jaar na dit vonnis, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen langere termijn
3.7.
De vrouw legt aan de vordering ten grondslag dat zij deze tijd nodig heeft om voor haarzelf en de kinderen passende huisvestiging te vinden.
3.8.
De man voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van de man, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
3.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Inleidende opmerkingen
4.1.
De vorderingen in conventie en in reconventie zien op hetzelfde feitencomplex en zullen daarom gezamenlijk worden behandeld.
4.2.
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw de samenlevingsovereenkomst heeft beëindigd per 25 april 2025, namelijk op het moment dat de vrouw de man heeft gedagvaard in kort geding.
De sieraden
4.3.
De rechtbank zal allereerst ingaan op de sieraden die door de man en/of de vrouw als onderpand zijn achtergelaten bij het Pandhuis. De man vordert een verklaring voor recht dat deze sieraden zijn eigendom zijn. Hij geeft aan als oudedagvoorziening al jaren op veilingen sieraden aan te kopen, naar de rechtbank begrijpt ook bij het Pandhuis. Hij heeft in dit kader verwezen naar een overzicht van alle betalingen aan het Pandhuis en bankafschriften vanaf 2024 waarop afschrijvingen aan het Pandhuis te zien zijn. Een deel van deze sieraden stelt hij te hebben gebruikt als onderpand voor de pandbeleningen, terwijl hij de overige sieraden in de kluis zou hebben bewaard. Uit de stellingen van de vrouw en haar verklaringen ter zitting begrijpt de rechtbank dat de sieraden die bij het Pandhuis liggen, net als de sieraden uit de kluis, volgens haar eigendom zijn van beiden, van haar, van de kinderen en (voor een kleiner deel) van de man. Zo zouden zijzelf en de kinderen sieraden hebben gekregen van familie.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende heeft gesteld dat de sieraden die bij het Pandhuis liggen (enkel) van hem zijn. Vast staat dat de sieraden zijn gebruikt voor pandleningen die zijn aangegaan op naam van zowel de man als de vrouw en waarvan partijen beiden uitgaan dat het gezamenlijke leningen betreffen. De rechtbank kan nergens uit afleiden dat de sieraden desondanks (enkel) eigendom zijn van de man. De man heeft weliswaar bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat hij betalingen heeft verricht aan het Pandhuis, maar nergens blijkt uit dat dit naast betaling van rente en aflossing, ook de aankoop van sieraden betreft, in het bijzonder de sieraden die als onderpand bij het Pandhuis liggen. Ook overigens heeft de man geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de sieraden die bij het Pandhuis liggen door hem zijn aangekocht. Voor zover de man niet in het bezit is van dergelijke stukken, heeft hij bovendien op geen enkele wijze toegelicht welke sieraden, zoals beschreven op de documentatie afkomstig van het Pandhuis, hij waar en wanneer zou hebben aangekocht. Gelet op dit alles ontbreekt een voldoende onderbouwing en zal de rechtbank het bewijsaanbod passeren zoals door de man ter zitting gedaan. Dit betekent dat de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht dat de sieraden die bij het Pandhuis liggen van de man zijn, zal afwijzen. Uit de verklaringen van de vrouw ter zitting begrijpt rechtbank dat een (enkel) sieraad dat bij het Pandhuis ligt (mogelijk) wel eigendom van (enkel) de man is. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de summiere beschrijving van de sieraden door de man, van de vrouw niet een nader onderbouwde betwisting kan worden verlangd. Nu niet duidelijk is welke specifieke sieraden van de man zijn, kan de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht ook niet voor een deel toewijzen.
4.5.
Daarnaast vordert de man afgifte door de vrouw van de sieraden (waaronder diamanten) zoals weergegeven op de foto’s die hij heeft overgelegd als productie 15, namelijk sieraden die volgens hem in de kluis zouden hebben gelegen en door de vrouw zouden zijn meegenomen toen zij op 19 februari 2022 de kluis bezocht. De vrouw heeft ter zitting erkend op die dag sieraden uit de kluis te hebben meegenomen, maar stelt voorop dat deze sieraden voor slechts een klein deel eigendom zijn van (enkel) de man. Uit de door de vrouw overgelegde foto’s van de sieraden die ze nu onder zich heeft, leidt de rechtbank bovendien af dat de vrouw meent dat op 19 februari 2022 niet alle sieraden en diamanten in de kluis lagen zoals te zien op de door de man overgelegde foto’s. Wat hier ook van zij, ook voor deze vordering geldt dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat de sieraden door hem zijn aangekocht. Gelet daarop zal de rechtbank de vordering tot afgifte van sieraden door de vrouw enkel toewijzen, voor zover de vrouw ter zitting zelf heeft verklaard dat zij de sieraden onder zich heeft en deze van de man zijn, te weten de sieraden zichtbaar op foto 3 behorende bij haar akte uitlating eisvermeerdering. Anders dan gevorderd door de man, zal de rechtbank om praktische redenen een termijn van twee weken hanteren. Ter zitting heeft de vrouw zich al bereid verklaard deze sieraden aan de man af te geven. Veroordeling van de vrouw tot betaling van een bedrag gelijk aan de waarde van deze sieraden, voor zover hier al een grondslag voor bestaat, acht de rechtbank daarom niet nodig.
4.6.
De man heeft tevens de kosten gevorderd voor de beslaglegging op de kluis. Nu de vordering van de man met betrekking tot de sieraden die (oorspronkelijk) in deze kluis lagen niet kan slagen, en de sieraden waarvan de vrouw tot afgifte wordt veroordeeld de kosten van het beslag niet kunnen rechtvaardigen, zal de rechtbank ook deze vordering afwijzen.
Verdeling van de woning door verkoop aan een derde
4.7.
Verder vordert de man vaststelling van de verdeling van de woning, primair door toedeling aan hem en subsidiair door verkoop aan een derde. De vrouw erkent de noodzaak tot verdeling en wenst de woning te verkopen aan een derde. De man heeft vooropgesteld dat hij de woning enkel kan overnemen indien hij beschikking krijgt over de sieraden. Nu de vorderingen van de man met betrekking tot de sieraden grotendeels zullen worden afgewezen, zal de rechtbank een verdeling vaststellen van de woning waarbij de woning wordt verkocht aan een derde. De vrouw heeft ter zitting nog aangegeven de verkoop van de woning via de bank te willen laten plaatsvinden. De rechtbank begrijpt dat de bank contact met haar heeft opgenomen, nadat de man en de vrouw een aantal maanden de hypothecaire lasten niet hebben voldaan. Zij geeft aan verkoop door de bank te prefereren, omdat zij de man niet vertrouwt. De rechtbank gaat hier niet in mee. Het is algemeen bekend dat een executoriale verkoop via de bank in de regel tot een lagere verkoopopbrengst leidt, terwijl partijen juist belang hebben bij een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst. De rechtbank zal bovendien bepalen dat de verkoop moet worden begeleid door een makelaar als neutrale derde, waarbij de vrouw een van de drie makelaars kiest zoals aangedragen door de man. Het door de vrouw gestelde gebrek aan vertrouwen is dus onvoldoende reden om de woning via de bank executoriaal te laten verkopen.
4.8.
De rechtbank zal verder bepalen dat de vrouw, die tot op heden met de kinderen in de woning verblijft, in de woning kan blijven wonen tot het moment van overdracht van de woning aan een derde. In reconventie heeft de vrouw gevorderd dat de rechtbank bepaalt dat zij gerechtigd is de woning exclusief te bewonen voor de duur van ten minste één jaar na dit vonnis, dan wel een door de rechtbank te bepalen langere termijn. Naar het oordeel van de rechtbank is daar echter geen grondslag voor. Conform het samenlevingscontract heeft de voorzieningenrechter immers al op 29 juli 2025 bepaald dat de vrouw met uitsluiting van de man zes maanden in de woning mocht verblijven. Deze periode is inmiddels bijna verstreken en het samenlevingscontract biedt verder geen grondslag voor het toewijzen van nog een aanvullende termijn. De vrouw heeft zich nog beroepen op de redelijkheid en billijkheid. Zoals de man terecht heeft aangevoerd, weet de vrouw echter al langere tijd dat ze de woning op enig moment zal moeten verlaten. Ter zitting heeft de vrouw bovendien verklaard hulp te krijgen van maatschappelijk werk bij het verkrijgen van een nieuwe woning voor haar en haar kinderen door middel van een urgentieverklaring. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de vrouw in staat moet zijn voor haar en haar kinderen een nieuwe woning te vinden. Onder deze omstandigheden kan een beroep op de (aanvullende werking van de) redelijkheid en billijkheid dan ook niet slagen.
De rente en aflossing met betrekking tot de hypothecaire schuld
4.9.
In het kader van de verdeling van de woning vordert de man dat de vrouw, op het moment dat de overwaarde bij helfte wordt verdeeld, de vrouw aan de man dient te betalen de helft van de door de man betaalde hypotheeklasten (rente en aflossing) en alle andere eigenaarslasten. Los daarvan vordert de man een bedrag van € 5.844 aan hypotheekaflossingen.
4.10.
De man heeft onweersproken gesteld dat hij op twee annuïteitenhypotheken in totaal een bedrag van € 11.687 heeft afgelost. De vrouw dient de helft van deze aflossingen te betalen. Dit volgt ten eerste uit de samenlevingsovereenkomst (artikel 10 lid Pro 2). Buiten de periode dat de samenlevingsovereenkomst gold, volgt bovendien uit artikel 6:10 BW Pro dat partijen tot aan de datum van verkoop en levering van de woning in beginsel naar evenredigheid van hun aandeel, in dit geval ieder voor de helft, gehouden zijn om de aflossingen te voldoen. Voor zover de man bedragen heeft afgelost op de hypothecaire schuld en nog zal aflossen tot het moment dat de woning is geleverd en de hypothecaire schuld (mits sprake is van een overwaarde) volledig is voldaan, moet de vrouw de helft daarvan dus aan de man terugbetalen. De rechtbank zal conform de vordering van de man daarom bepalen dat zij na verkoop en levering van de woning, de helft van de op dat moment door de man betaalde bedragen aan aflossing, aan hem moet betalen.
4.11.
Gelet op het voorgaande is separate toewijzing van de vordering van de man tot betaling van het gevorderde bedrag van € 5.844 niet meer nodig. De rechtbank leidt uit de vordering van de man tot verdeling van de woning af dat hij pas aanspraak wenst te maken op de helft van de door hem afgeloste bedragen op het moment dat de woning is geleverd en dat acht de rechtbank ook redelijk, tevens gelet op de financiële positie van de vrouw voor zover de rechtbank bekend.
4.12.
Voor de rente geldt het volgende. In de samenlevingsovereenkomst is bepaald dat dat de kosten van de gemeenschappelijke huishouding door partijen worden gedragen naar evenredigheid van het inkomen van de man en de vrouw (artikel 3 lid Pro 1). Hieronder vallen ook de “de rente en kosten van geldleningen die zijn aangegaan in verband met de aanschaf of het onderhoud van de gemeenschappelijk bewoonde woning” (artikel 3 lid Pro 2). Niet in geschil is dat op basis van deze regeling uit de samenlevingsovereenkomst de vrouw moet bijdragen aan de rentebetalingen naar evenredigheid van haar inkomen en het inkomen van de man. De man heeft echter op geen enkele wijze, al dan niet door middel van stukken, toegelicht dat de draagkracht van de vrouw op basis van haar inkomen ertoe leidt dat zij een deel van deze kosten moest betalen. Dit betekent dat de man enkel recht heeft op vergoeding van de vrouw van de helft van de door hem betaalde rente vanaf het moment van beëindiging van de samenlevingsovereenkomst. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw, gelijk aan het moment dat zij de helft van de afgeloste bedragen aan de man moet betalen, aan de man de helft van de door hem betaalde rente moet betalen per 25 april 2025.
4.13.
De rechtbank merkt nog op dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat uit de belastingaangifte over 2024 blijkt dat de WOZ-waarde van de woning
€ 370.000 bedraagt en de hypothecaire schuld beperkt is tot een bedrag van € 230.725, zodat de aan de vrouw toekomende overwaarde ruimschoots voldoende zal zijn om haar deel van bedoelde bedragen aan aflossingen en rente mee te betalen. Hetzelfde geldt voor de hierna te bespreken bedragen die zij aan aflossingen en rente verschuldigd is aan de man inzake de pandbeleningen.
Overige eigenaarslasten
4.14.
In zijn vordering tot verdeling van de woning heeft de man nog opgenomen dat de vrouw aan hem ten tijde van de verdeling van de overwaarde van de woning, de helft van alle “andere eigenaarslasten” moet betalen. Bij gebreke van enige toelichting op dit punt, is dit onderdeel van het gevorderde niet toewijsbaar.
De rente en aflossing met betrekking tot de pandbeleningen
4.15.
Verder vordert de man dat de rechtbank bepaalt dat zowel de man als de vrouw voor de helft draagplichtig zijn voor de rente en de aflossing van de als productie 5 overlegde pandbeleningen, waarbij bij verkoop van de woning deze leningen dienen te worden afgelost. Met betrekking tot deze beleningen vordert hij daarnaast veroordeling van de vrouw tot betaling van de helft van de al door hem betaalde bedragen.
4.16.
De man heeft onweersproken gesteld dat hij in de jaren 2018 tot en met 2025 de volgende betalingen heeft verricht, waarvan de vrouw volgens de man de helft aan hem moet vergoeden:
I. 29 augustus 2025: € 2.436,33 aan rente
II. overig 2025: € 943,65 aan rente en € 6.746 aan aflossing
III. 2024: € 799,06 aan rente
IV. 2023: € 938,21 aan rente
V. 2022: € 36,48 aan rente
VI. 2021: € 1.375,54 aan rente en € 9.478 aan aflossingen
VII. 2020: € 1.294,30 aan rente en € 403 aan aflossingen
VIII. 2019: € 1.467,70 aan rente en € 9.367 aan aflossingen
IX. 2018: € 1.432,86 aan rente en € 1.384 aan aflossingen
4.17.
De rechtbank stelt voorop dat partijen er beiden vanuit gaan dat het gemeenschappelijke schulden betreft. Verder heeft de rechtbank begrepen dat deze leningen in eerste instantie zijn aangegaan ten behoeve van de aankoop van de (eerdere) gezamenlijke woning.
4.18.
Ten eerste geldt dat de vrouw, nadat de samenlevingsovereenkomst per 25 april 2025 is beëindigd, bij gebreke van een andersluidende afspraak tussen partijen de helft van zowel de aflossingen als de rente moet betalen. Het betrof immers gezamenlijke schulden.
4.19.
Voor wat betreft de door de man gedane aflossingen gedurende de periode dat de samenlevingsovereenkomst van toepassing was, geldt het volgende. Op basis van de samenlevingsovereenkomst dragen partijen de lasten verbonden aan de financiering van de woning “
naar verhouding van ieders aandeel in de woning”, aldus ieder de helft (artikel 10 lid Pro 2). De rechtbank begrijpt dat daarnaast ook geld is geleend bij het Pandhuis op momenten dat partijen de dagelijkse kosten niet konden betalen. Wat betreft de kosten van de gemeenschappelijke huishouding bepaalt de samenlevingsovereenkomst dat, voor zover de inkomens van partijen onvoldoende zijn, de kosten worden gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen. Uitgaande van het vermogen van partijen bestaande uit een aandeel van vijftig procent in de woning, betekent dit dat de vrouw ook wat betreft de pandbeleningen die met dit doel zijn aangegaan, de helft van de aflossingen moet betalen. Ook over de periode dat de samenlevingsovereenkomst van toepassing was, moet de vrouw dus de helft van de van de door de man afgeloste bedragen te betalen.
4.20.
De vrouw heeft nog aangevoerd dat de aflossingen die door de man zijn gedaan gemeenschappelijke aflossingen betroffen. Zij heeft echter op geen enkele manier inzichtelijk gemaakt dat en in welke mate zij heeft bijgedragen aan deze aflossingen. Weliswaar heeft zij laten zien dat zij periodiek bedragen overmaakte, maar naar eigen zeggen deed zij dat om in zijn algemeenheid bij te dragen in de kosten, omdat de man alle gemeenschappelijke kosten voor zijn rekening nam. Bovendien is onduidelijk wiens inkomen dit betrof, nu de rechtbank ter zitting heeft begrepen dat dit (deels) de inkomsten betroffen van de krantenwijk die de man liep maar waarvan het salaris op een rekening van de vrouw werd gestort. De vrouw heeft ter zitting verder nog betoogd dat de samenlevingsovereenkomst op het punt van de aflossingen niet aansloot bij de culturele financiële verhoudingen tussen partijen. Dat dit ertoe moet leiden dat de hiervoor bedoelde bepalingen buiten toepassing moeten blijven, heeft zij echter onvoldoende onderbouwd. Zij heeft dit verweer immers niet nader toegelicht, terwijl zij tijdens de zitting wel heeft bevestigd dat zij begreep wat er in de samenlevingsovereenkomst stond toen zij die tekende. Ook aan dit betoog gaat de rechtbank daarom voorbij.
4.21.
Gelijk aan de hypotheekrente, geldt tot slot dat de door de man betaalde rente uit hoofde de pandbeleningen op grond van de samenlevingsovereenkomst “
kosten van de gemeenschappelijke huishouding” betreffen waaraan de vrouw moet bijdragen naar evenredigheid van haar inkomen en het inkomen van de man (artikel 3 lid 1 en Pro 2). Ook voor deze rente geldt dat de man op geen enkele wijze, al dan niet door middel van stukken, heeft toegelicht dat de draagkracht van de vrouw op basis van haar inkomen ertoe leidt dat zij een deel van deze kosten moest betalen. Deze bedragen zijn dus niet toewijsbaar.
4.22.
Het voorgaande brengt mee dat de man recht heeft op betaling door de vrouw van de helft van alle afgeloste bedragen en de rente per 25 april 2025. Voor zover de rechtbank bekend gaat het tot op heden in totaal om € 13.689 aan aflossingen, te weten de helft van het totaal door de man betaalde bedrag aan aflossingen van € 27.378, en de helft van het bedrag van € 2.436,33 dat de man op 29 augustus 2025 aan rente heeft betaald, te weten € 1.218,17. Net als de door de man betaalde hypotheeklasten, zal de rechtbank bepalen dat de vrouw de helft van de door de man betaalde bedragen aan aflossingen en rente betaalt na levering van de woning met haar deel van de overwaarde. Beiden geven immers aan dat dit in eerste instantie leningen waren afgesloten in het kader van de aanschaf van de gemeenschappelijke woning. In lijn hiermee vordert de man ook dat deze leningen worden afgelost op het moment dat de woning wordt geleverd. De vrouw heeft tegen dit gedeelte van de vordering van de man geen zelfstandig verweer gevoerd. Mede gelet op de financiële situatie van de vrouw, voor zover de rechtbank bekend, acht de rechtbank dit dus redelijk. Het toewijzen van een separaat bedrag dat door de vrouw moet worden betaald aan de man is daarom niet meer nodig. De rechtbank zal ter voorkoming van problemen met de uitvoering van dit vonnis tot slot niet enkel verwijzen naar productie 5, maar tevens naar de producties 18 tot en met 27 zoals overgelegd bij zijn akte eisvermeerdering.
Proceskosten
4.23.
In het feit dat partijen ex-partners zijn en er belang bij hebben dat de woning wordt verdeeld, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten in conventie en in reconventie tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
stelt de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de woning van partijen als volgt vast:
5.2.
de woning zal worden verkocht en geleverd aan een derde. De man stuurt binnen twee weken na datum van dit vonnis een bericht aan de vrouw, waarin hij drie verschillende makelaars voorstelt die de woning kunnen taxeren en verkopen. Uit deze drie makelaars kiest de vrouw er één. Zij bericht de man binnen een week na het voorstel van de man over haar keuze. Als één van de partijen niet tijdig een voorstel of een keuze doet, heeft de andere partij het recht om de makelaar eenzijdig aan te wijzen. Partijen zullen vervolgens gezamenlijk een verkoopopdracht verstrekken aan de gekozen of aangewezen makelaar. Deze opdracht zal inhouden dat de makelaar, tegen het in de branche gebruikelijke tarief, de vraag- en laatprijs van de woning bindend zal vaststellen en alle overige werkzaamheden in het kader van de verkoop van de woning zal verrichten;
5.3.
partijen moeten de makelaar alle medewerking verlenen die nodig is voor de verkoop van de woning, waaronder (maar niet beperkt tot) het opruimen van de woning voor het maken van foto’s en het laten bezichtigen van de woning door potentiële kopers. Partijen stemmen zo snel als mogelijk in met een op de woning uitgebracht bod als dit gelijk aan of hoger is dan de door de makelaar bindend vastgestelde laatprijs. Zij ondertekenen binnen vijf dagen na het verzoek hiertoe van de makelaar de koopovereenkomst waarin dit wordt vastgelegd. En zij tekenen op de in de koopovereenkomst vastgestelde leveringsdatum bij de notaris de leveringsakte of al eerder een volmacht voor de levering. De levering zal zo snel als mogelijk, maar niet eerder dan twee maanden na het ondertekenen van de koopovereenkomst plaatsvinden, tenzij partijen anders overeenkomen;
5.4.
partijen betalen ieder de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten voor de verkoop en levering van de woning;
5.5.
partijen zullen de hypothecaire geldleningen en de geldleningen, door de man overgelegd als productie 5 en 18 tot en met 27, aflossen uit de verkoopopbrengst van de woning op het moment dat de woning aan een derde wordt geleverd. De man en vrouw hebben ieder recht op de helft van de resterende verkoopopbrengst (de overwaarde). Uit het aandeel van de vrouw dient aan de man te worden betaald i) de helft van alle bedragen die de man op de hypothecaire geldleningen heeft afgelost; ii) de helft van alle bedragen die de man heeft afgelost op de geldleningen die door hem zijn overgelegd als productie 5 en 18 tot en met 27; en iii) de helft van de rente die de man over de hiervoor onder i en ii genoemde leningen heeft betaald sinds 25 april 2025;
5.6.
bepaalt dat de vrouw tot aan de levering van de woning aan een derde met uitsluiting van de man in de woning mag verblijven;
5.7.
veroordeelt de vrouw tot afgifte aan de man van de sieraden van de man zoals afgebeeld op foto 3 gevoegd als productie bij haar akte uitlating eisvermeerdering, binnen twee weken na datum van dit vonnis;
5.8.
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij in conventie en in reconventie de eigen proceskosten draagt;
5.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.10.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
2984