ECLI:NL:RBDHA:2026:500

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
09/263922-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wederrechtelijke vrijheidsberoving onder bedreiging met een mes tijdens autorit

Op 13 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 6 oktober 2025 in 's-Gravenhage een wederrechtelijke vrijheidsberoving heeft gepleegd. De verdachte stapte plotseling in de auto van het slachtoffer en bedreigde hem met een mes, waarbij hij eiste dat het slachtoffer zou gaan rijden. Toen het slachtoffer probeerde uit de auto te ontsnappen, belemmerde de verdachte dit. De rechtbank heeft op basis van de tenlastelegging en het onderzoek ter terechtzitting geoordeeld dat de verdachte opzettelijk het slachtoffer van zijn vrijheid heeft beroofd. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van voorarrest, en heeft een gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij uitgesproken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte de lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van het slachtoffer heeft aangetast, wat heeft geleid tot psychische gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en het gebrek aan diagnostiek met betrekking tot mogelijke psychiatrische problematiek.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/263922-25
Datum uitspraak: 13 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats], locatie [locatie].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 30 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. L.G. de Graaf en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.M. Gerritsen naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 6 oktober 2025 te 's-Gravenhage
opzettelijk
[aangever]
wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,
door
- plotseling in de auto van die [aangever] plaats te nemen,
- die [aangever] een mes te tonen en/of daarbij te zeggen 'Drive, drive,
drive!' en/of
- die [aangever] in de auto proberen te houden terwijl die [aangever] uit de auto
vluchtte door hem proberen te grijpen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 oktober 2025 te 's-Gravenhage
[aangever] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door
- plotseling in de auto van die [aangever] plaats te nemen,
- die [aangever] een mes te tonen en/of daarbij te zeggen 'Drive, drive, drive!' en/of
- die [aangever] in de auto probren te houden terwijl die [aangever] uit de auto vluchtte;

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, als de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, de duur van de vrijheidsberoving zo bijzonder kort is geweest, dat dit niet kan leiden tot een veroordeling voor de primair tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsbeneming.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025339300, van de politie eenheid Den Haag, district Centrum, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 48) en van het aanvullend proces-verbaal (genummerd pagina 1 t/m 7).
1. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever], opgemaakt op 6 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 8):
Op 6 oktober 2025 bevond ik mij in Den Haag in de auto. Ik zag dat ineens een onbekende man de bijrijdersportier opende. Ik zag dat deze man op de bijrijdersstoel ging zitten. Ik zag dat de man in zijn rechterhand een aardappelschilmesje beet had. Ik hoorde de man zeggen "Drive! Drive! Drive!". Ik ging rijden omdat ik bang was dat de man anders het mesje tegen mij zou gebruiken. Ik vroeg aan de man waar ik heen moest gaan. Ik hoorde de man zeggen "Polen". Ik zag dat de man, na enkele meters rijden, schuin op de bijrijdersstoel ging zitten. Ik zag dat hij met zijn lichaam naar mij toe draaide. Ik zag dat de man nog het mesje beethield en een houding aannam alsof hij elk moment mij kon gaan steken.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 13 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 4 aanvullend proces-verbaal):
Op 13 oktober 2025 nam ik telefonisch een aanvullende verklaring op van aangever [aangever]. Tijdens deze verklaring is de vraag-antwoord methode gebruikt.
V: Wat deed hij precies met het mes?
A: De hele autorit heeft hij het mes in de richting van mijn borst / keel gehouden.
Hierdoor was ik echt bang voor mijn leven.
V: Wat gebeurde er bij het politiebureau?
A: Ik stopte de auto voor het bureau. De man was het hier kennelijk niet mee
eens en probeerde het stuur van mij over te pakken. Hierin ontstond een soort
worsteling.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 21 - 22):
Ik heb de camerabeelden uitgekeken. 11314 zijgevel 01 beeld 1:
12.59: Ik zie een zilvergrijze personenauto de Naaldwijkstraat in rijd. Ik zie dat
de personenauto abrupt remt en tot stilstand komt.
13.02: Ik zie dat portier van de bestuurder openzwaait, ik vermoed dat dit met kracht gebeurt. Ik zie het slachtoffer uitstappen, dit ziet er haastig uit. Ik zie dat de verdachte het slachtoffer nog probeert beet te pakken als hij uit het voertuig wil
stappen. Ik zie dat de verdachte nog op de bijrijdersstoel zit. Ik zie het slachtoffer snel weglopen in versnelde pas, richting het politiebureau.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 29):
Ik zag op de beelden dat de tweede man die uit de auto stapte, welke later verdachte [verdachte] bleek te zijn, een tas in zijn linkerhand vasthield en een onbekend voorwerp in zijn rechterhand. Ik zag dat hij deze voorwerpen op de grond neerlegde.
Omdat sprake zou zijn van een mes heb ik samen met collega [naam] een
veiligheidsfouillering uitgevoerd. Ik hoorde collega [naam] voorafgaand aan de
fouillering aan [verdachte] vragen of hij scherpe voorwerpen bij zich had. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij een mes in zijn broekzak zou hebben zitten. Ik trof hier het
mes niet aan. Ik zag vervolgens dat naast de tas welke ik [verdachte] op de beelden op
straat neer zag zetten een mes lag. Ik zag dat hiernaast ook een blikje
alcoholhoudende drank lag. Vermoedelijk heeft de verdachte dus samen met zijn tas en het blikje alcoholhoudende drank het mes op straat neergelegd. Ik zag dat dit mes ongeveer een meter van [verdachte] af lag. Ik zag dat dit een aardappelschilmesje betrof.
5. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting, voor zover inhoudende:
Op 6 oktober 2025 ben ik in Den Haag de auto van een voor mij vreemde man binnengedrongen. Ik zei dat hij moest gaan rijden en sprak de woorden uit: “go, go”. Toen ging hij rijden. Hij vroeg waar ik naartoe wilde. Ik zei: “naar Polen”. Ik had een mesje bij me. Toen de man uitstapte vroeg ik hem dat niet te doen; ik wilde graag verder rijden. Om te voorkomen dat hij uit zou stappen heb ik denk ik mijn been op de veiligheidsgordel gelegd.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Tonen mes?
De verdediging heeft gesteld dat onvoldoende kan blijken dat de verdachte een mes heeft getoond, zoals aangever heeft verklaard. De getuige [getuige] heeft niet verklaard over een mes en ook op de beelden is geen mes te zien.
De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen reden om niet de aangever te volgen in zijn verklaring. Aangever heeft in zijn twee verklaringen bij de politie consistent en duidelijk verklaard dat de verdachte een aardappelschilmesje in zijn hand had. De rechtbank acht deze verklaringen betrouwbaar, te meer nu kort na het incident ter plekke een aardappelschilmesje is aangetroffen en de wijze waarop de aangever de auto abrupt stopt bij het politiebureau en gehaast uit de auto vlucht.
Wederrechtelijke vrijheidsberoving?
De rechtbank moet beoordelen of de gedragingen van de verdachte wederrechtelijke vrijheidsberoving opleveren. Van een wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht is sprake indien de dader iemand op een plaats doet verblijven, waarvan of waaruit deze persoon zich niet op ieder gewenst ogenblik kan verwijderen. Niet vereist is de absolute onmogelijkheid voor de persoon om zich fysiek te verplaatsen. Ook als de verdachte een zodanige situatie heeft gecreëerd dat ten aanzien van het slachtoffer de dwang is ontstaan om te blijven, is sprake van een wederrechtelijke vrijheidsberoving. Ook bij een duur van enkele minuten kan al sprake zijn van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Daarnaast moet de verdachte opzet hebben gehad op die wederrechtelijke vrijheidsberoving.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte ineens het bijrijdersportier van de auto van aangever opende, dat hij op de bijrijdersstoel ging zitten, een aardappelschilmesje in zijn hand had en zei dat aangever moest gaan rijden. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat toen aangever de auto uit wilde gaan, de verdachte dat trachtte te beletten.
De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte een situatie heeft gecreëerd waardoor dwang voor het slachtoffer is ontstaan om in de auto te blijven, terwijl voor de verdachte duidelijk was dat aangever de auto uit wilde. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake geweest van opzet en is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 6 oktober 2025 te ’s-Gravenhage opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door
- plotseling in de auto van die [aangever] plaats te nemen,
- die [aangever] een mes te tonen en daarbij te zeggen 'Drive, drive, drive!' en
- die
[aangever]in de auto proberen te houden terwijl die [aangever] uit de auto vluchtte door hem proberen te grijpen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De rechtbank heeft zich gelet op de inhoud van het over de verdachte opgemaakte reclasseringsadvies afgevraagd of zij voldoende inzicht heeft in de strafbaarheid van de verdachte.
De rechtbank ziet in het verloop van de zitting en hetgeen de officier van justitie en de raadsman daaromtrent naar voren hebben gebracht, onvoldoende aanleiding om daarover nader te laten rapporteren.
Nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten, wordt de verdachte strafbaar geacht.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht bij een bewezenverklaring een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. Hij is in de auto van het slachtoffer gestapt en heeft hem onder bedreiging met een mes gedwongen te gaan rijden. Toen het slachtoffer de auto uit wilde, heeft de verdachte getracht dit te beletten. Met dit handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Uit de toelichting bij zijn vordering benadeelde partij blijkt dat het slachtoffer nog steeds de psychische gevolgen van het incident ervaart. Hij voelt zich angstig, heeft nachtmerries en zijn gevoel van veiligheid in de maatschappij is hem ontnomen. De rechtbank rekent de verdachte dit aan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 1 december 2025, waaruit blijkt dat hij in Nederland niet eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van
22 december 2025. De reclassering constateert dat het ontbreekt aan gedegen diagnostiek. Indien sprake is van onderliggende psychiatrische problematiek, vindt de reclassering dat zorgelijk, omdat de verdachte daardoor mogelijk onberekenbaar is. De reclassering kan zonder diagnostiek echter geen plan van aanpak opstellen. Daarnaast heeft de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en is niet duidelijk of hij zich duurzaam in Nederland wil vestigen. Hierdoor is het de vraag of een plan van aanpak uitvoerbaar is. Ondanks een mogelijk eerder arbeidsverleden in Nederland heeft de verdachte nooit ingeschreven gestaan in Nederland, waardoor hij mogelijk geen rechten heeft op sociale voorzieningen, hetgeen eventueel benodigde behandeling en begeleiding bemoeilijkt.
De reclassering kan het recidiverisico niet goed inschatten en met de beschikbare informatie niet adviseren of interventies en toezicht nodig zijn.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding om een deel van die straf voorwaardelijk op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 6.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Meer subsidiair heeft de raadsman verwezen naar een vergelijkbare zaak waarin de rechtbank Rotterdam een bedrag van € 750,-- heeft toegewezen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het primair bewezenverklaarde feit. De grondslag hiervoor is artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek; de benadeelde partij is op andere wijze in de persoon aangetast.
Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.000,--. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag aansluiting gezocht bij de ‘Rotterdamse schaal’, een ordening van smartengeldbedragen. Naar het oordeel van de rechtbank past het feit in de categorie ‘ernstig’ van die schaal (19.2 met verwijzing naar 19.1).
Anders dan namens de benadeelde partij is aangevoerd, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om aansluiting te zoeken bij de categorie in de Rotterdamse schaal die betrekking heeft op (geobjectiveerd) geestelijk letsel; daarvoor is onvoldoende onderbouwing gegeven. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het meerdere van € 2.000,-- niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 2.000,--, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 6 oktober 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het primair bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van
[aangever].

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 36f en 282 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
8(
ACHT)
MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 oktober 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever];
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 2.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 oktober 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever];
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen, waarbij het toepassen van gijzeling de verdachte niet ontslaat van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. drs. H.M. Braam, voorzitter,
mr. S. Pereth, rechter,
mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. H.A.F. Tromp, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 januari 2026.