Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5004

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
C/09/682071 / FA RK 25-2037
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling kinderalimentatie voor minderjarige na beëindiging relatie ouders

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie voor hun minderjarige kind, geboren in 2024. De ouders oefenden gezamenlijk gezag uit, waarbij het kind bij de vrouw verbleef en de man zorgverlof had volgens een vastgesteld rooster.

De rechtbank stelde de ingangsdatum van de alimentatie vast op 20 maart 2025, de datum van het verzoekschrift, omdat de man vanaf dat moment rekening kon houden met een bijdrage. De behoefte van het kind werd berekend aan de hand van het gemiddelde van de netto besteedbare inkomens van beide ouders, inclusief het fictief toe te rekenen kindgebonden budget.

De draagkracht van de vrouw werd vastgesteld op €25 per maand, terwijl de draagkracht van de man in 2025 op €25 en in 2026 op €403 per maand werd berekend. Na toepassing van een zorgkorting van 15% vanwege de zorg die de man gemiddeld een dag per week verleende, werd de bijdrage van de man vanaf 1 januari 2026 vastgesteld op €177 per maand.

De rechtbank wees het meer of anders verzochte af en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De alimentatie dient telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te worden voldaan.

Uitkomst: De man moet vanaf 20 maart 2025 €25 per maand en vanaf 1 januari 2026 €177 per maand kinderalimentatie betalen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2037
Zaaknummer: C/09/682071
Datum beschikking: 9 februari 2026

Alimentatie

Beschikking op het op 20 maart 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.F.D.P. de Milliano te Katwijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.L.P. Vulto te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift;
  • het bericht van 6 januari 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
  • het bericht van 9 januari 2026, met bijlage, van de zijde van de vrouw;
  • het bericht van 12 januari 2026, met bijlagen, van de zijde van de man.
Op 12 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat.
Na de zitting heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
  • het bericht van 16 januari 2026, met bijlagen, van de zijde van de man;
  • het bericht van 21 januari 2026 van de zijde van de vrouw.

Feiten

  • De man en de vrouw hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] ( [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] .
  • De man heeft [minderjarige] erkend.
  • De man en de vrouw oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
  • [minderjarige] verblijft bij de vrouw.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 24 april 2025 is bepaald dat [minderjarige]
voorlopigbij de man zal zijn:
  • vanaf 25 april 2025 en mei en juni: iedere vrijdag van 7.30 uur tot 16.30 uur en gedurende 2 uur op zaterdag of zondag, in onderling overleg tussen de ouders te bepalen;
  • vanaf de maand juli: iedere vrijdag van 7.30 uur tot zaterdag 12.00 uur;
en is iedere verdere beslissing over de definitieve verdeling van zorg- en opvoedingstaken aangehouden tot 1 februari 2026 pro forma.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw luidt met ingang van 16 januari 2025 de kinderalimentatie op € 183,- per maand te bepalen, te voldoen voor het eerste van de volgende maand, althans op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en verzoekt de rechtbank primair de verzoeken van de vrouw af te wijzen en – naar de rechtbank begrijpt – subsidiair te bepalen dat de man een in goede justitie te bepalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding dient te voldoen met ingang van de datum waarop de rechter beslist.

Beoordeling

Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW Pro een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
Partijen verschillen van mening over de ingangsdatum. De vrouw wenst 16 januari 2025 als ingangsdatum te hanteren, omdat de raadsman van de vrouw de man in een brief van die datum te kennen heeft gegeven dat hij de vrouw een bijdrage verschuldigd is waarvan de hoogte berekend moet worden. De man heeft zich op de zitting – anders dan in het verweerschrift – verweerd tegen die verzochte datum en wenst de datum van de te wijzen beschikking als ingangsdatum te hanteren, omdat de man zowel voor als na de datum van de indiening van het verzoekschrift ook kosten zou hebben gemaakt voor [minderjarige] .
De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van het verzoekschrift (20 maart 2025), omdat de man vanaf die datum in alle redelijkheid rekening kon houden met een te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige] . Het feit dat de man voor en na deze datum kosten heeft gemaakt ten behoeve van [minderjarige] maakt dit oordeel niet anders.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige] is tussen de ouders in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Omdat partijen nooit in gezinsverband hebben samengewoond, moet de behoefte van [minderjarige] worden bepaald aan de hand van het gemiddelde van de behoefte bij iedere ouder. Dit wordt dus berekend door de behoefte op basis van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de ene ouder (inclusief het door haar ontvangen kindgebonden budget) vast te stellen en de behoefte berekend op basis van het inkomen van de andere ouder (inclusief het fictief te ontvangen kindgebonden budget) vast te stellen. Het gemiddelde hiervan is uiteindelijk de behoefte.
Voor het bepalen van de behoefte van [minderjarige] bij de vrouw moet allereerst haar NBI worden bepaald.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vrouw, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van het geregistreerde inkomen (uitkering Participatiewet) van € 3.337,- per jaar, zoals volgt uit het door de vrouw overgelegde overzicht van ‘MijnOverheid’.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskorting, berekent de rechtbank haar NBI op € 278,- per maand.
Bij dit NBI had de vrouw fictief recht op een kindgebonden budget van € 493,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 150,- per maand voor [minderjarige] .
De rechtbank gaat voor de berekening van het NBI van de man uit van een inkomen van € 19.558,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de overgelegde jaaropgaaf 2024.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI op € 1.630,- per maand.
Bij dit NBI had de man fictief recht op een kindgebonden budget van € 493,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 250,- per maand voor [minderjarige] .
De gemiddelde behoefte van [minderjarige] bedraagt in 2024 € 200,- per maand ((€ 150,- (
behoefte bij ouder 1)+ € 250,- (
behoefte bij ouder 2)):2). Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van [minderjarige] € 213,- per maand en geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte
€ 223,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen de ouders moet worden verdeeld.
Draagkracht
Draagkracht vrouw
Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht van de vrouw € 25,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank dat zal volgen.
Draagkracht man 2025
Voor de bepaling van de draagkracht van de man in 2025 gaat de rechtbank uit van een cumulatief inkomen bij Ahold Delhaize van € 15.418,- bruto per jaar, inclusief vakantiegeld. Verder gaat de rechtbank uit van het inkomen van de man uit zijn huidige functie bij Grip op Finance van € 2.400,- bruto per maand. Over 2025 is dat 1,5 maand x € 2.400,- =
€ 3.600,-. Te vermeerderen met 8 % vakantiegeld komt dat neer op € 3.888,- bruto per jaar. In totaal had de man in 2025 een inkomen van € 15.418,- + € 3.888,- = € 19.306,- bruto per jaar.
De rechtbank ziet in redelijkheid geen aanleiding om ook rekening te houden met de stagevergoeding die de man heeft ontvangen.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 1.549,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Bij een NBI tot € 1.875,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel (2025) een minimale draagkracht van € 25,- per maand voor één kind. De rechtbank zal daarom deze draagkracht voor de man in aanmerking nemen voor 2025.
Draagkracht man 2026
Voor de bepaling van de draagkracht van de man in 2026 gaat de rechtbank uit van zijn inkomen uit zijn huidige functie van € 2.400,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Verder gaat de rechtbank uit van een inkomen bij Ahold Delhaize van € 8.131,- bruto per jaar, inclusief vakantiegeld (gebaseerd op 47 zondagen van 8 uur met een uurloon van
€ 21,60). In totaal heeft de man in 2026 een inkomen van € 31.104,- + € 8.131,- = € 39.235,- bruto per jaar.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 2.773,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI in 2026 van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [2.773,- – (832 + 1.365)] = € 403,- per maand.
Draagkrachtvergelijking 2026
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 428,- per maand (€ 25,- + € 403,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 403 / 428 x 223 = € 210,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 25 / 428 x 223 =
€ 13,-
samen € 223,-
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 210,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 13,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
Woonbudget en extra last
De rechtbank ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding om conform het verzoek van de vrouw af te wijken van het woonbudget bij de berekening van de draagkracht van de man in 2025 en in 2026, omdat de man en de vrouw allebei nog bij hun ouders thuis wonen, nu er geen sprake is van een draagkrachttekort en de man in de situatie waarin het woonbudget wordt gehanteerd al bijna volledig voorziet in de behoefte van [minderjarige] .
Ook volgt de rechtbank de man niet in zijn stelling dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de bijdrage van € 100,- die de man maandelijks bij wijze van financiële ondersteuning aan zijn moeder betaalt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd dat dit een niet vermijdbare en niet verwijtbare last betreft. Daarom houdt de rechtbank hiermee geen rekening bij de berekening van de draagkracht van de man.
Zorgkorting
Omdat de man gemiddeld een dag per week de zorg heeft voor [minderjarige] , geldt een zorgkortingspercentage van 15 %. De zorgkorting bedraagt dan € 33,- per maand (15% van € 223,-). Dit bedrag strekt in mindering op de door de man te betalen bijdrage, zodat de bijdrage € 177,- (€ 210,- -/- € 33,-) bedraagt.
Conclusie
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank zal bepalen dat de man voor de periode vanaf 20 maart 2025 tot en met 31 december 2025 een kinderalimentatie voor [minderjarige] van € 25,- per maand aan de vrouw moet voldoen en vanaf 1 januari 2026 een bedrag van € 177,- per maand.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 20 maart 2025, een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] , zal betalen als volgt:
  • voor de periode van 20 maart 2025 tot en met 31 december 2025: € 25,- per maand;
  • vanaf 1 januari 2026: € 177,- per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, bijgestaan door
mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 februari 2026.