Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5007

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
C/09/679220 / FA RK 25-571
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling kinderalimentatie en draagkrachtberekening voor minderjarige

Partijen zijn ouders van een minderjarige geboren in 2022 en hebben geen gezinsverband gehad. De rechtbank heeft de behoefte van het kind vastgesteld op basis van het gemiddelde van de behoeften berekend op het inkomen van beide ouders, rekening houdend met een aanzienlijke inkomensstijging van de man.

De man heeft een netto besteedbaar inkomen van €7.380 per maand, de vrouw €2.643 per maand. De draagkracht van de man is berekend op €2.699 en die van de vrouw op €378 per maand. De gezamenlijke draagkracht van €3.077 is voldoende om in de behoefte van het kind van €644 te voorzien.

De behoefte wordt naar rato van draagkracht verdeeld, waarbij de man een aandeel van €565 en de vrouw €79 draagt. Met een zorgkorting van 35% (€225) wordt de kinderalimentatie vastgesteld op €340 per maand vanaf 24 januari 2025, geïndexeerd naar €356 per maand vanaf 1 januari 2026.

De rechtbank wijst het meer of anders verzochte af en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Iedere partij draagt de eigen proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank stelt de kinderalimentatie vast op €340 per maand vanaf 24 januari 2025, verhoogd naar €356 per maand vanaf 1 januari 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-571
Zaaknummer: C/09/679220
Datum beschikking: 9 februari 2026

Kinderalimentatie

Beschikking op het op 24 januari 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B.S. van Haeften te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Tromp te Hoorn.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 19 februari 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
  • het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van 7 april 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 19 december 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 5 januari 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 6 januari 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 8 januari 2026 van de zijde van de man, met bijlagen.
Op 12 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat.

Feiten

- Partijen hebben een affectie relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats].
- Bij beschikking van 16 oktober 2024 van deze rechtbank is de man gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige]. Daarnaast is een zorgregeling bepaald, waarbij [minderjarige] iedere donderdag 08:00 uur tot zaterdag 17:00 uur bij de man is.
- [minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de vrouw.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt – na wijziging –:
- te bepalen dat de man met datum indiening van dit verzoekschrift een bedrag van
€ 442,- per maand aan de vrouw dient te voldoen, dan wel een zodanig bedrag met een zodanige ingangsdatum zoals de rechtbank in goede justitie vermeend te behoren;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de man zelfstandig verzocht:
- te bepalen dat de man over de periode datum indiening verzoekschrift tot 1 maart 2025 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding betaalt van € 143,- per maand en vanaf 1 maart 2025 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding betaalt van € 98,- per maand, dan wel een bijdrage die de rechtbank in goede justitie juist acht.

Beoordeling

Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen 2025 (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum van de kinderalimentatie vaststellen. De ouders zijn het erover eens dat de ingangsdatum 24 januari 2025 betreft, te weten de datum waarop de vrouw het verzoek tot kinderalimentatie heeft ingediend. De rechtbank zal deze datum als ingangsdatum bepalen.
Behoefte van [minderjarige]
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Partijen zijn het erover eens dat zij nooit in gezinsverband hebben samengeleefd. Volgens de richtlijnen van het rapport moet de behoefte van [minderjarige] worden bepaald door het gemiddelde te nemen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene partij en de behoefte berekend op basis van het inkomen van de andere partij.
De vrouw stelt – zo begrijpt de rechtbank – dat de behoefte van [minderjarige] moet worden berekend op basis van de huidige inkomensgegevens van partijen, omdat het inkomen van de man aanzienlijk is gestegen. De man heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank overweegt dat onder 3.2.9. van het rapport de volgende aanbeveling staat opgenomen:
Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd
Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindgebonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget. Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders. Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.
Uit de (meest recente) alimentatieberekening die de man heeft overgelegd volgt dat zijn netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) is gestegen van € 3.331,- in 2023 naar € 6.847,- in 2025. Tussen partijen staat vast dat laatstgenoemd inkomen hoger is dan het feitelijk netto besteedbaar inkomen van partijen samen in 2023. Daarom dient de behoefte van [minderjarige] volgens de richtlijnen van het rapport vastgesteld te worden op basis van de actuele inkomens van partijen.
Gelet op de ingangsdatum zal de rechtbank rekenen met de tarieven van 2025-I. Daarbij merkt de rechtbank op dat de man ten aanzien van zijn onderneming geen financiële stukken van 2025 heeft overgelegd. De rechtbank gaat daarom uit van zijn IB-aangifte 2024. Daarnaast hebben zowel de man als de vrouw geen salarisstroken van begin 2025 overgelegd, zodat zij uitgaat van de salarisstroken van eind 2025.
Behoefte van [minderjarige] op basis van het inkomen van de man
De man heef zowel inkomsten uit een eigen onderneming als uit loondienst bij [bedrijfsnaam]. De rechtbank gaat voor de berekening van het huidige NBI van de man uit van:
  • een winst uit onderneming van € 58.678 bruto per jaar;
  • een inkomen uit loondienst van € 6.667,- per maand, exclusief vakantietoeslag.
De rechtbank baseert zich daarbij op de door de man overgelegde IB-aangifte 2024 en salarisstroken van 2025.
De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 174,- per maand en de premie WIA van € 19,- per maand.
Verder houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
  • de inkomensafhankelijke combinatiekorting;
  • de zelfstandigenaftrek;
  • de MKB-winstvrijstelling.
Hierbij merkt de rechtbank op dat zij geen rekening houdt met de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, omdat deze bijdrage al maximaal is ingehouden op zijn salaris door zijn werkgever ([bedrijfsnaam]).
Op basis van deze gegevens berekent de rechtbank het huidige NBI van de man op € 7.380,- per maand. Aan de hand van de ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen’ stelt de rechtbank de behoefte van [minderjarige] op basis van het inkomen van de man en uitgaande van één kind op € 976,- per maand.
Behoefte van [minderjarige] op basis van het inkomen van de vrouw
De rechtbank gaat voor de berekening van het huidige NBI van de vrouw uit van een inkomen van € 1.987,- per maand, exclusief vakantietoeslag en een 13de maand. De rechtbank baseert zich daarbij op de (meest recente) alimentatieberekening van de vrouw, waaraan de man zich op de zitting heeft gerefereerd.
De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 143,- per maand en de premie WIA van € 10,- per maand.
Verder houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
  • de inkomensafhankelijke combinatiekorting;
  • het kindgebonden budget;
  • de alleenstaande ouderkop.
Op basis van deze gegevens berekent de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op
€ 2.643,- per maand. Aan de hand van de ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen’ stelt de rechtbank de behoefte van [minderjarige] op basis van het inkomen van de vrouw en uitgaande van één kind op € 311,- per maand.
(tussen)Conclusie
Dit leidt tot een gemiddelde behoefte van [minderjarige] van ([976 + 311] / 2) = € 644,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van [minderjarige] tussen de ouders moet worden verdeeld. Daarvoor is het van belang de draagkracht van de ouders te berekenen.
Draagkracht van de man
De draagkracht van de man is tussen partijen in geschil.
De man stelt dat hij zijn werkzaamheden bij [bedrijfsnaam] zal beëindigen, waardoor zijn inkomen uit loondienst zal wegvallen. Volgens de man was hij deze baan vooral aangegaan om zijn curriculum vitae te versterken en heeft hij steeds de intentie gehad om na een half jaar met deze baan te stoppen. Daarom is de man van mening dat voor de bepaling van zijn draagkracht vanaf maart 2026 rekening moet worden gehouden met het wegvallen van zijn inkomen bij [bedrijfsnaam].
De vrouw acht de stelling van de man ongeloofwaardig. De man heeft geen stukken overgelegd, waaruit blijkt dat hij zijn werkzaamheden bij [bedrijfsnaam] zal beëindigen. De vrouw is dan ook van mening dat voor de bepaling van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met zijn inkomen bij [bedrijfsnaam], ook na maart 2026.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft voor het eerst op de zitting naar voren gebracht dat hij zijn werkzaamheden bij [bedrijfsnaam] zal beëindigen. Hij heeft geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt, zodat de rechtbank niet kan vaststellen dat zijn inkomen bij [bedrijfsnaam] daadwerkelijk zal wegvallen. Daarom zal de rechtbank aan het standpunt van de man voorbijgaan.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank voor de bepaling van de draagkracht van de man uit van dezelfde inkomensgegevens als bij de behoefte. Daarbij gaat de rechtbank ook uit van dezelfde fiscale heffingskortingen.
Op basis van deze gegevens berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 7.380,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-) gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [7.380 – ( 2.214 + 1.310)] = € 2.699,- per maand.
Draagkracht vrouw
De rechtbank gaat voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw uit van dezelfde inkomensgegevens als bij de behoefte. Daarbij gaat de rechtbank ook uit van dezelfde fiscale heffingskortingen.
Op basis van deze gegevens berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2025 op
€ 2.643,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-) gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [2.643 – ( 793 + 1.310)] = € 378,- per maand.
Gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 3.077,- per maand (€ 2.699,- + € 378,-).
Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 2.699 / 3.077 x 644 = € 565,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 378 / 3.077 x 644 =
€ 79,-
samen € 644,-
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 565,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 79,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
De vrouw gaat in haar berekening uit van een zorgkortingspercentage van 25 %. De man stelt dat rekening dient te worden gehouden met een zorgkortingspercentage van 35 %.
De rechtbank is gebleken dat de kinderen iedere donderdag om 08:00 uur tot zaterdag om 17:00 uur bij de man zijn en dat deze regeling tijdens de vakanties doorloopt. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om in haar berekening uit te gaan van een zorgkortingspercentage van 35 %. De zorgkorting bedraagt dan € 225,- per maand (35 % van € 644,-).
Conclusie
Uitgaande van het bovenstaande zal de rechtbank de door de man met ingang van 24 januari 2025 aan de vrouw ten behoeve van [minderjarige] te bepalen kinderalimentatie bepalen op € 340,- per maand. Dit is geïndexeerd naar 2026 € 356,- per maand.
Het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie zal de rechtbank afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, over de periode 24 januari 2025 tot en met 31 december 2025 een kinderalimentatie van € 340,- per maand moet betalen, en met ingang van
1 januari 2026 € 356,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2026.