ECLI:NL:RBDHA:2026:5062
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na uitspraak op beroep
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de minister van Asiel en Migratie het asielverzoek van de verzoeker op 1 april 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter heeft op 10 maart 2026 buiten zitting uitspraak gedaan. Omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL25.16290), is de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk. Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De uitspraak is definitief en er staat geen hoger beroep of verzet open. De zaak betreft een bestuursrechtelijke procedure binnen het vreemdelingenrecht, waarbij de rechter de afwijzing van een asielaanvraag als kennelijk ongegrond heeft bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.