ECLI:NL:RBDHA:2026:5092

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
C/09/689763
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:38 BWArt. 6:39 BWArt. 706 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsverplichting uit driepartijenovereenkomst en opeisbaarheid van termijnen

In deze zaak vordert eiser betaling van 8 miljoen Filipijnse peso's (PHP) van gedaagde op grond van een driepartijenovereenkomst waarbij eiser kosten en diensten voor gedaagde heeft verricht. Gedaagde betwist een directe betalingsverplichting en beroept zich op verrekening en termijnbetaling.

De rechtbank stelt vast dat uit de overeenkomst volgt dat gedaagde verplicht is het bedrag van 8 miljoen PHP aan eiser te betalen, waarbij de derde partij is aangewezen als betaler namens gedaagde. Het beroep op verrekening faalt omdat de overeenkomst verrekening expliciet uitsluit.

Verder oordeelt de rechtbank dat de betaling in 24 maandelijkse termijnen moet plaatsvinden, waardoor slechts de tot de datum van het vonnis vervallen termijnen opeisbaar zijn. Dit betreft negen termijnen van elk PHP 333.333,33, totaal PHP 3 miljoen. De vordering tot het volledige bedrag wordt afgewezen.

De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van PHP 3 miljoen, de beslagkosten en proceskosten, en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde is veroordeeld tot betaling van 3 miljoen PHP met beslag- en proceskosten, terwijl het resterende bedrag nog niet opeisbaar is.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaak- / rolnummer: C/09/689763 / HA ZA 25-692
Vonnis van 11 maart 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats 1] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. E.T. van Dalen,
tegen
[gedaagde]te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M. van den Broek.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- het vonnis in incident van 3 december 2025 met de daarin genoemde stukken; en
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] van 14 januari 2026 met producties 1 tot en met 14.
1.2.
Op 27 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.

2.De feiten

2.1.
In 2018 is [eiser] door [gedaagde] gevolmachtigd om namens hem zijn (zakelijke) belangen te behartigen in de Filipijnen. [eiser] heeft in het kader van de uitvoering van de volmacht voor [gedaagde] kosten gemaakt en werkzaamheden verricht. Deze werkzaamheden en kosten zijn eveneens geleverd althans gemaakt door de onderneming [bedrijfsnaam 1] B.V., tevens handelend onder de naam [handelsnaam] (hierna: [handelsnaam] ). [handelsnaam] is per 8 februari 2022 opgeheven. [eiser] was gedurende lange periode enig bestuurder en aandeelhouder van [handelsnaam] .
2.2.
Op 24 februari 2023 hebben [eiser] , [gedaagde] en een derde partij, te weten mevrouw [naam] (hierna: [naam] ) een driepartijenovereenkomst gesloten (hierna: de driepartijenovereenkomst). In de driepartijenovereenkomst is [gedaagde] aangeduid als de eerste partij, [eiser] als de tweede partij en [naam] als de derde partij. De onbestreden Nederlandse vertaling van de driepartijenovereenkomst bepaalt, voor zover relevant, als volgt:

OVERWEGENDE DATde partijen betrokken zijn bij een verkoopovereenkomst, gedateerd op 24 februari 2023, waarbij de eerste partij de verkoper daarvan is, de tweede partij diens agent, en de derde partij de koper daarvan.
OVERWEGENDE DATde tweede partij samen met [bedrijfsnaam 2] , voor en namens de eerste partij kosten en uitgaven heeft gemaakt.
OVERWEGENDE DATde eerste partij, die de tweede partij wenst te belonen en schadeloos te stellen voor de door de laatstgenoemde en/of door [bedrijfsnaam 2] gemaakte kosten en uitgaven, verklaart zich hierbij bereid de van de derde partij ontvangen gelden aan te wenden ter delging van de genoemde, door de tweede partij gemaakte kosten.
1. VERGOEDINGEN.De eerste partij erkent, onderkent en is zich volledig ervan bewust dat
de tweede partij en/of [bedrijfsnaam 2] voor, namens en ten gunste van hem kosten en uitgaven heeft gemaakt en voorschotten en diensten heeft verleend. Op grond en in het licht van deze voorschotten en verleende diensten is de eerste partij ermee akkoord dat de tweede partij een vergoeding ontvangt ten bedrage van, in de
Filipijnse valuta: ACHT MILJOEN PESOS (PHP 8.000.000,00), aan deze te betalen door de derde partij, die tevens de koper is in de voornoemde verkoopovereenkomst.

2.BETALING VAN VERGOEDINGEN.De vergoeding als bedoeld in de vorenstaande

bepaling zal door de
derde partijvoldaan worden aan de
tweede partij [eiser]in vierentwintig (24) gelijke maandelijkse termijnen, elk ten bedrage van, in de Filipijnse valuta: DRIEHONDERDEN DRIEËNDERTIGDUIZEND, DRIEHONDERD EN DRIEËNDERTIG PESOS.ENDRIEËNDERTIG CENTAVOS (PHP 333.333,33), te beginnen op de tiende juli 2025 en tot de tiende juni 2027. Er kan geen rekening worden gehouden met enige verrekening onder welke noemer dan ook.’
2.3.
Op 24 februari 2023 is ook een tweede overeenkomst gesloten, waarin wordt verwezen naar de driepartijenovereenkomst die ook als bijlage is aangehecht. De tweede overeenkomst betreft een koopovereenkomst op grond waarvan [gedaagde] meerdere percelen grond met gebouwen in de Filipijnen (hierna: de percelen) verkoopt aan [naam] (hierna: de koopovereenkomst). De koopovereenkomst bepaalt samengevat als volgt:
  • In artikel 1 is Pro bepaald dat de koopsom voor de percelen 10 miljoen Filipijnse peso’s (hierna: PHP) bedraagt;
  • In artikel 2.1 is afgesproken dat een eerste deel van de koopsom van PHP 2 miljoen aan [eiser] moet worden betaald ter vergoeding van de kosten die hij en/of [handelsnaam] heeft gemaakt;
  • in artikel 2.2 is bepaald dat het resterende bedrag van PHP 8 miljoen aan [gedaagde] moet worden betaald, in 24 maandelijkse termijnen van PHP 333.333,33, te beginnen op 10 juli 2023 en tot 10 juni 2025; en
  • in artikel 2.3 is bepaald dat de bedragen bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de koopovereenkomst afzonderlijk en gescheiden zijn van het bedrag van
2.4.
[naam] heeft het bedrag van PHP 2 miljoen als bedoeld in artikel 2.1 van de koopovereenkomst aan [eiser] betaald. [naam] heeft ook zeven termijnen van
PHP 333.333,33, en dus in totaal PHP 2.333.333,31, betaald als bedoeld in artikel 2.2 van de koopovereenkomst, echter niet aan [gedaagde] maar aan [eiser] . [eiser] heeft een deel van dit bedrag aan [gedaagde] betaald.
2.5.
In februari 2024 heeft [gedaagde] de koopovereenkomst met [naam] ontbonden. Daarbij is afgesproken dat [gedaagde] één van de percelen aan [naam] overdraagt.
2.6.
Op 17 april 2024 heeft [eiser] (na daartoe verkregen verlof) conservatoir beslag gelegd op het aandeel van [gedaagde] in zijn woning.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] te veroordelen tot betaling van PHP 8 miljoen, althans het equivalent daarvan in euro’s, met veroordeling in de kosten van het geding.
3.2.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.3.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
Het betreft een geschil met een internationaal karakter. In het vonnis in incident van 3 december 2025 heeft de rechtbank zich bevoegd geacht om van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen. Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat Nederlands recht van toepassing is op de driepartijenovereenkomst. Dit betekent dat de daarop gebaseerde vorderingen van [eiser] worden beheerst door Nederlands recht.
Uit de driepartijenovereenkomst volgt een betalingsverplichting voor [gedaagde]
4.2.
[eiser] beroept zich op artikel 1 van Pro de driepartijenovereenkomst. Volgens hem hebben partijen in dit artikel afgesproken dat [gedaagde] aan [eiser] een bedrag betaald van PHP 8 miljoen. Dit bedrag is een vergoeding voor door [eiser] voor [gedaagde] betaalde voorschotten en door hem aan [gedaagde] verleende diensten. [naam] is in de driepartijenovereenkomst slechts aangewezen als de partij die dit bedrag voor [gedaagde] aan [eiser] moet betalen. [eiser] vordert nakoming van deze afspraak.
4.3.
[gedaagde] betwist dat uit artikel 1 van Pro de driepartijenovereenkomst een verplichting voor hem voortvloeit om een bedrag van PHP 8 miljoen aan [eiser] te betalen. Volgens [gedaagde] volgt uit deze bepaling slechts een verplichting voor [naam] om dit bedrag aan [eiser] te voldoen. [gedaagde] is alleen maar akkoord gegaan met deze afspraak. De achtergrond bij deze afspraak is dat [eiser] aanspraak wilde maken op 50% van de opbrengst van de verkoop van de percelen en dit bedrag om fiscale redenen uit de koopovereenkomst is gelaten, aldus steeds [gedaagde] .
4.4.
Uit de standpunten van partijen blijkt dat zij van mening verschillen over de uitleg van artikel 1 van Pro de driepartijenovereenkomst. Bij de uitleg van overeenkomsten geldt de maatstaf die volgt uit het Haviltex-arrest. [1] Die maatstaf houdt in dat het bij de uitleg van de overeenkomst niet alleen gaat om de taalkundige betekenis van de bepalingen van de overeenkomst, maar dat het ook aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden daaraan redelijkerwijs mochten toekennen en op hetgeen ze te dien aanzien over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.
4.5.
De rechtbank overweegt als volgt ten aanzien van de uitleg van de driepartijenovereenkomst. Uit de tekst van artikel 1 van Pro de driepartijenovereenkomst blijkt dat (i) [eiser] en/of [handelsnaam] voor [gedaagde] kosten en uitgaven heeft gemaakt/gedaan en voorschotten en diensten heeft betaald/verleend, (ii) [gedaagde] ermee akkoord is gegaan dat, op grond en in het licht van deze voorschotten en verleende diensten, [eiser] een vergoeding ontvangt van PHP 8 miljoen, en (iii) [naam] deze vergoeding aan [eiser] betaalt. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze bepaling een verplichting voor [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag van PHP 8 miljoen te betalen. In de bepaling is immers duidelijk gemaakt dat het bedrag van PHP 8 miljoen een vergoeding voor [eiser] betreft voor diensten die [eiser] aan [gedaagde] heeft verleend en kosten die [eiser] voor [gedaagde] heeft gemaakt. [naam] is daarbij (slechts) aangewezen als de partij die deze vergoeding namens [gedaagde] aan [eiser] moet betalen.
4.6.
Deze uitleg wordt ondersteund door de overwegingen van de driepartijenovereenkomst. Daarin staat namelijk dat [eiser] voor en namens [gedaagde] kosten en uitgaven heeft gemaakt, namelijk als diens agent in het kader van de koopovereenkomst, en dat [gedaagde] [eiser] wenst te belonen en schadeloos te stellen voor die kosten en uitgaven. [gedaagde] heeft zich tevens bereid verklaard de van [naam] te ontvangen gelden aan te wenden ter aflossing (‘ter delging’) van die kosten. Hieruit blijkt dus eveneens dat het bedrag van PHP 8 miljoen een vergoeding is voor diensten en kosten die [eiser] voor [gedaagde] heeft verricht althans gemaakt. Verder blijkt daaruit dat de gelden waarmee [gedaagde] deze vergoeding zal betalen afkomstig zijn van [naam] .
4.7.
De rechtbank volgt daarmee de uitleg die [eiser] aan de driepartijenovereenkomst geeft. De uitleg die [gedaagde] aan de bepaling geeft, namelijk dat de driepartijenovereenkomst alleen een betalingsverplichting voor [naam] inhoudt en dus niet voor [gedaagde] zelf, wijst de rechtbank van de hand. Dit volgt niet uit de tekst van de driepartijenovereenkomst en [gedaagde] heeft geen stukken overgelegd die een dergelijke, van de tekst afwijkende, uitleg kunnen ondersteunen.
4.8.
De conclusie uit het voorgaande is dat uit de driepartijenovereenkomst een verplichting voor [gedaagde] volgt om het bedrag van PHP 8 miljoen aan [eiser] te betalen. [eiser] kan nakoming van deze verplichting vorderen jegens [gedaagde] .
Het beroep van [gedaagde] op verrekening gaat niet op
4.9.
[gedaagde] stelt dat, als op hem al een betalingsverplichting zou rusten, het door [naam] aan [eiser] betaalde bedrag van (afgerond) PHP 2.333.333 in mindering gebracht dient te worden op die vordering van [eiser] (zie 2.4 hiervoor). [eiser] heeft geen recht op dit bedrag, nu dit bedrag op grond van de koopovereenkomst (artikel 2.2) aan [gedaagde] moest worden betaald, aldus [gedaagde] . [eiser] stelt dat hij deze bedragen wel aan [gedaagde] heeft betaald.
4.10.
De rechtbank begrijpt dit standpunt van [gedaagde] zo dat hij een beroep doet op verrekening, namelijk verrekening van de vordering van [eiser] op [gedaagde] ten bedrage van PHP 8 miljoen uit hoofde van artikel 1 van Pro de driepartijenovereenkomst met een vordering van [gedaagde] op [eiser] ter hoogte van PHP 2.333.333 (uit hoofde van onverschuldigde betaling of anderszins), omdat [eiser] deze bedragen ten onrechte heeft ontvangen. Uit artikel 2, laatste zin, van de driepartijenovereenkomst blijkt echter dat partijen de mogelijkheid van verrekening van de vordering van PHP 8 miljoen met enige andere vordering hebben uitgesloten (‘
Er kan geen rekening worden gehouden met enige verrekening onder welke noemer dan ook.’). Hieruit volgt dat het beroep van [gedaagde] op verrekening faalt.
Slechts een deel van het gevorderde bedrag is opeisbaar
4.11.
[eiser] vordert betaling van het volledige bedrag van PHP 8 miljoen. [gedaagde] betwist dat dit bedrag nu opeisbaar is. Hij heeft daarbij gewezen op artikel 2 van Pro de driepartijenovereenkomst, waaruit blijkt het bedrag in maandelijkse termijnen van
PHP 333.333,33 moet worden voldaan, en gesteld dat niet alle termijnen zijn vervallen.
4.12.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de opeisbaarheid van de vordering van [eiser] het volgende. Op grond van artikel 6:38 BW Pro [2] is de vordering onmiddellijk opeisbaar als geen tijd voor nakoming is bepaald. Als er wel een tijd voor nakoming is bepaald, is de vordering niet opeisbaar voor het verstrijken van de termijn ingevolge artikel 6:39 BW Pro. Dat betekent dat niet eerder nakoming kan worden gevorderd, tenzij partijen dit zijn overeengekomen.
4.13.
Uit artikel 2 van Pro de driepartijenovereenkomst volgt dat het bedrag van
PHP 8 miljoen betaald moet worden in 24 maandelijkse termijnen van PHP 333.333,33, te beginnen op 10 juli 2025 en eindigend op 10 juni 2027. Niet gesteld of gebleken is dat partijen zijn overeengekomen dat het volledig geleende bedrag ineens opeisbaar is indien niet voldaan wordt aan deze betalingsverplichting. Dat betekent dat slechts de tot de datum van dit vonnis (11 maart 2026) vervallen termijnen opeisbaar zijn. Het gaat om negen termijnen van PHP 333.333,33, in totaal PHP 3 miljoen. Het totale bedrag van PHP 8 miljoen is dus nog niet opeisbaar; dat is pas het geval na het vervallen van de laatste termijn, te weten op of na 10 juni 2027.
Gevolgen voor de vordering van [eiser]
4.14.
[eiser] heeft in deze procedure alleen betaling van een bedrag van PHP 8 miljoen gevorderd (althans het equivalent daarvan in euro’s). Hiervoor heeft de rechtbank overwegen dat slechts PHP 3 miljoen van dat bedrag opeisbaar is. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen. In hetgeen op grondslag van de driepartijenovereenkomst is gevorderd, ligt immers een vordering tot een lager bedrag besloten. [3] Het meer gevorderde zal de rechtbank afwijzen.
4.15.
[eiser] heeft gevorderd om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van PHP 8 miljoen, althans het equivalent daarvan in euro’s uitgaande van de wisselkoers op de dag van vonnis. De rechtbank begrijpt de vordering zo dat [eiser] primair betaling van het bedrag in PHP vordert en subsidiair het equivalent daarvan in euro’s uitgaande van de wisselkoers op de dag van vonnis. De rechtbank zal het primair gevorderde toewijzen.
Beslag- en proceskosten
4.16.
[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 409,09 voor kosten deurwaardersexploten, € 320,- voor griffierecht en € 2.051,- voor salaris advocaat (1 punt × € 2.051,-), totaal € 2.780,09.
4.17.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
112,37
- griffierecht
2.403,00
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × € 2.051,-)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
6.806,37

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van PHP 3.000.000,00;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.780,09,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 6.806,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B.J. Hoefnagel en in het openbaar bij vervroeging uitgesproken op 11 maart 2026.

Voetnoten

1.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex)
2.Burgerlijk Wetboek
3.Vgl. HR 5 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1945