ECLI:NL:RBDHA:2026:5093

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
09/083197-23
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 57 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen voorbereidingshandelingen handel en invoer cocaïne

De rechtbank Den Haag heeft op 6 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd verdacht van medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de handel en invoer van cocaïne. Uit onderzoek en chatberichten bleek dat de verdachte via verschillende SkyECC-accounts betrokken was bij het organiseren van internationale drugstransporten, waarbij zij ook vertaalde en eigen ideeën inbracht.

De verdediging voerde aan dat de verdachte onder druk van haar broers handelde en dat haar rol beperkt was tot vertalen en doorgeven van berichten. De rechtbank verwierp dit verweer omdat de verdachte zelf initiatieven nam en er geen concrete aanwijzingen waren voor dwang. Ook werd vastgesteld dat de verdachte de enige gebruiker was van de betrokken accounts.

De rechtbank verklaarde bewezen dat de verdachte in de periode van 10 januari 2020 tot en met 21 februari 2021 voorbereidingshandelingen heeft gepleegd met betrekking tot de invoer van cocaïne. Voor de periode daarvoor en daarna werd vrijspraak gegeven. Daarnaast werd de verdachte vrijgesproken van de tenlastelegging omtrent ketamine en de ontvangst van €100.000 wegens gebrek aan bewijs.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 18 maanden op, lager dan de eis van drie jaar, rekening houdend met het blanco strafblad, de overschrijding van de redelijke termijn en persoonlijke omstandigheden. Tevens werd de teruggave van enkele inbeslaggenomen voorwerpen gelast en een Google Pixel-telefoon onttrokken aan het verkeer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf voor medeplegen voorbereidingshandelingen handel en invoer cocaïne.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/083197-23
Datum uitspraak: 6 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1974 te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. L.M. van Spanjen naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gedragingen van de verdachte niet van voldoende gewicht waren om van medeplegen te spreken. Daarom zou vrijspraak moeten volgen.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft als
bijlage IIopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Identificatie [account 1] , [account 2] en [account 3]
Onderzoek Lavendel richtte zich op de handel in verdovende middelen door de perso(o)n(en) achter de SkyECC ID’s [account 1] , [account 2] en [account 3] .
Uit diverse chatberichten blijkt dat de gebruiker van deze accounts een vrouw is. Voorts blijkt uit de gesprekken dat de gebruiker Spaans spreekt en uit de [geboorteland] komt. De verdachte is geboren in de [geboorteland] en spreekt Spaans.
Daarnaast spreekt de gebruiker van account [account 1] het account [account 4] aan met ‘broer’. Account [account 4] is in gebruik bij: [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1977 te [geboorteplaats 1] in de [geboorteland] . Uit de BRP blijkt dat [naam 1] de broer is van de verdachte. In chatberichten spreekt [account 2] over haar zoon. Uit de BRP blijkt dat de verdachte een zoon heeft genaamd: [naam 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1997 te [geboorteplaats 2] .
Aan de SkyECC-accounts met nummers
[account 1],
[account 2] en [account 3]waren de IMEI-nummers [nummer 1] , [nummer 2] , en [nummer 3] gekoppeld. Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat deze IMEI-nummers in de periode 14 december 2020 tot en met 6 maart 2021 in de voor nachtrust bestemde tijd tussen 22.00 uur en 07.00 uur het meest gebruik maken van het basisstation aan de [adres 2] . Dit basisstation heeft de woning [adres 3] binnen zijn theoretisch bereik. Op dit adres stond de verdachte sinds 1 augustus 2016 ingeschreven. Uit onderzoek van de politie blijkt dat de verdachte ook op het voormelde adres woonachtig was in die periode.
De rechtbank is gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat de SkyECC-accounts
[account 1],
[account 2] en [account 3]aan de verdachte toebehoorden en dat zij deze accounts ook heeft gebruikt.
Voorbereidingshandelingen
De verdachte heeft in de periode tussen 7 januari 2020 tot en met 15 januari 2020 in gespreksgroep [gespreksgroep 1] verschillende SkyECC-gesprekken gevoerd met de gebruikers van onder andere SkyECC-accounts [account 5] en [account 6] over het vervoeren van cocaïne.
In gespreksgroep [gespreksgroep 1] deed [account 1] een voorstel om van vertreklocatie te veranderen, Puerto Plata (ten noorden van de Dominicaanse Republiek) in plaats van Punta Cana. In gespreksgroep [gespreksgroep 2] gaf [account 1] aan dat bij Puerto Plata met de marechaussee gesproken zou zijn. Daarnaast vroeg [account 1] of er blauwe postzakken zonder verzegeling geregeld kunnen worden, zodat die vanuit "daar" gevuld en verzegeld opgestuurd kunnen worden.
Tevens heeft de verdachte in gespreksgroep [gespreksgroep 3] contact gehad met de gebruiker van SkyECC account [account 7] over het afleveren en verstrekken van cocaïne.
In chatberichten van 8 december 2020 tot 30 december 2020 tussen SkyECC account [account 2] (de verdachte), [account 8] en [account 9] wordt gesproken over het importeren van blokken. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het gaat om blokken cocaïne. [account 2] en [account 8] geven aan dat de kaai van 1700 (de rechtbank begrijpt: de haven van Antwerpen) wat lastig is. Door [account 8] wordt aangegeven dat ze CMA naar Rotterdam kunnen doen. De rechtbank maakt hieruit op dat het gaat om overzees transport naar Rotterdam. De verdachte is in deze chat een vertaler tussen de Spaanstalige en Nederlandse partij, maar zij oppert zelf ook ideeën.
Ook tussen 24 januari 2021 en 21 februari 2021 heeft de verachte SkyECC gesprekken gevoerd over de import van cocaïne.
De rechtbank is op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de handel in en verwerking van cocaïne. Ook blijkt uit de SkyECC-gesprekken en uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat zij een crypto telefoon voorhanden heeft gehad.
De rol van de broers van de verdachte
De verdachte heeft gesteld dat het doorgeven en de vertaling van de berichten gebeurde onder druk van haar broers. “Nee” zeggen tegen haar broers was geen optie volgens de verdachte. De door de verdachte gestelde druk of dwang blijkt evenwel niet uit de inhoud van het dossier. Integendeel, de verdachte zegt in de gesprekken op verschillende momenten dat ze het ergens niet mee eens is. Op 5 december 2020 schrijft zij: ‘Echt broer is de laatste keer ik ga dit nooit meer doen dan weet je dat ook’. En op 27 september 2020 schrijft de verdachte ‘Goedemorgen ik lees deze berichten nu pas en ben het niet helemaal eens’. Nu de verdachte voorts ter terechtzitting niet nader heeft verklaard op welke wijze haar broers druk of dwang op haar uitoefenden, gaat de rechtbank aan dit verweer voorbij.
De verdachte heeft voorts bij wijze van verweer aangevoerd dat haar broers gebruik maakten van haar Sky-accounts en dat zij dus niet alle gesprekken zelf heeft gevoerd. Zij heeft evenwel niet concreet verklaard op welke momenten haar broer(s) gebruik maakten van de accounts. Voorts stelt de rechtbank vast dat de berichten die met de accounts zijn ontvangen en verzonden logisch op elkaar volgen. De rechtbank heeft ook geen enkele concrete aanwijzing dat meerdere personen gebruik hebben gemaakt van de accounts. Zo is nergens een bericht te zien waarin iemand zich kenbaar maakt als iemand anders dan de verdachte en evenmin is te zien dat iemand zich afvraagt of ze met de verdachte of met iemand anders te maken hebben. In dit verband overweegt de rechtbank dat, zoals hiervoor al is vermeld, met de aan de accounts gekoppelde IMEI-nummers gedurende de nacht het meest gebruik is gemaakt van een zendmast in de buurt van de woning van de verdachte. Ook het geïdentificeerde IMSI-nummer is herleid tot de straat waar de verdachte woonachtig was. Daarmee concludeert de rechtbank dat alle berichten van en naar de accounts met nummers [account 1] , [account 2] en [account 3] van de verdachte afkomstig en voor haar bestemd waren.
Medeplegen
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte geen medepleger was. Volgens hem was haar rol ondergeschikt omdat zij voornamelijk berichten moest doorgeven of berichten vertaalde. Die gedragingen zijn van onvoldoende gewicht om te spreken van medeplegen, aldus de raadsman.
De rechtbank overweegt dat betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De rechtbank ziet geen steun voor het standpunt dat het aandeel van de verdachte enkel bestond uit vertalen of een boodschap doorgeven. Zo stelt de verdachte als gebruiker van Sky-account [account 1] zelf voor om van vertreklocatie te veranderen (in gespreksgroep [gespreksgroep 1] op 13 januari 2020). Daarnaast is de verdachte in een gesprek van 8 december 2020 tussen [account 2] (de verdachte), [account 8] en [account 9] over het importeren van blokken een tolk voor de importeur en de exporteur. De verdachte geeft verder informatie over prijzen en transporten en vormt een link tussen haar contact en SkyECC-gebruikers die drugs willen vervoeren. Zij heeft verklaard dat zij zich ervan bewust was dat het om drugs ging. De verdachte heeft daarmee een wezenlijke bijdrage geleverd en de rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande blijkt dat sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking en daarom van medeplegen.
Conclusie
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 10 januari 2020 tot en met 21 februari 2021 opzettelijk voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor onder andere de import van cocaïne.
Vrijspraak tenlastegelegde periode vóór 10 januari 2020 en na 21 februari 2021
Nu de rechtbank niet is gebleken dat de verdachte in de periode vóór 10 januari 2020 en na 21 februari 2021 berichten heeft verzonden, acht de rechtbank het medeplegen van voorbereidingshandelingen vóór 10 januari 2020 en na 21 februari 2021 niet wettig en overtuigend bewezen. Voor zover de tenlastelegging ziet op deze periode, zal de rechtbank de verdachte daarvan vrijspreken.
Vrijspraak voorbereidingshandelingen invoer ketamine
Ketamine staat niet op lijst I van de Opiumwet, zoals de tenlastelegging vermeldt. De rechtbank zal verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.
Vrijspraak ontvangst € 100.000,-
De rechtbank zal de verdachte eveneens vrijspreken van het tenlastegelegde voor zover dit ziet op de ontvangst van een bedrag van € 100.000,-. Voor de ontvangst van dit bedrag heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten in het dossier aangetroffen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
zij in de periode van 10 januari 2020 tot en met 21 februari 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, immers heeft verdachte via PGP-telefoons:
(SkyECC-account: [account 1] )
- inlichtingen uitgewisseld over (internationale) transporten van verdovende middelen in koffers en aanwijzingen gegeven over de verpakkingswijze van verdovende middelen en
- informatie uitgewisseld over het opzetten en gebruiken van een lijn om (vanuit de Dominicaanse republiek en Panama en België) verdovende middelen in te voeren en
(SkyECC-account: [account 2] )
- inlichtingen uitgewisseld over transporten van verdovende middelen in containers over zee en de indeling van de zeecontainers en
- aan/bij de kopende en verkopende partij informatie gevraagd en/of verstrekt over de prijzen en het aanbieden van (blokken) cocaïne en
(SkyECC-account: [account 3] )
- aanbevelingen gedaan en gesprekken gevoerd en gesprekken vertaald over het mixen en het plaatsen van blokken cocaïne en aanwijzingen gegeven over de verpakkingswijze van verdovende middelen en de indeling van de zeecontainers en het transport van de blokken cocaïne en te hanteren prijzen en
- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan verdachte en wist of ernstige redenen had te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en), te weten een of meerdere PGP/crypto telefoon(s).

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij de straf rekening te houden met het blanco strafblad van de verdachte, haar beperkte bijdrage, het ontbreken van financieel gewin, de overschrijding van de redelijke termijn en de consequenties van een gevangenisstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de internationale handel in cocaïne. De verdachte heeft een rol gehad in verschillende groepen waarin werd gesproken over de invoer van cocaïne vanuit Zuid-Amerika. Zij vertaalde berichten, maar had ook een eigen inbreng en ideeën. Daardoor heeft zij een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele circuit voor de handel in verdovende middelen. De grootschalige handel in cocaïne heeft een bijzonder ontwrichtende invloed op de samenleving, niet alleen op het gebied van gezondheid en welzijn maar ook op het gebied van veiligheid en het financiële stelsel. Het is algemeen bekend dat de handel in en het gebruik van verdovende middelen leidt tot vele vormen van criminaliteit en overlast. De verdachte heeft zich bij haar keuze om zich bezig te houden met drugshandel niet bekommerd om de gezondheidsrisico’s voor anderen of de schadelijke gevolgen voor de maatschappij en neemt zij geen verantwoordelijkheid voor haar handelen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Van de georganiseerde drugshandel gaat bovendien in toenemende mate een ondermijnend en corrumperend effect uit, zoals het omkopen van douanebeambten of haven- of transportmedewerkers. Uit het dossier komt het beeld naar voren dat daar sprake van was. Boven- en onderwereld raken zodoende steeds meer met elkaar vermengd. Deze vormen van corruptie tasten het onderlinge vertrouwen binnen de samenleving in hoge mate aan en ondermijnen daarmee onze democratische rechtsstaat.
Het is naar het oordeel van de rechtbank passend dat voor de invoer en handel in cocaïne lange, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. In de eerste plaats dient dit als vergelding voor de ontwrichting waar de verdachte (in)direct aan heeft bijgedragen. In de tweede plaats heeft het opleggen van zware straffen tot doel om anderen ervan te weerhouden zich met drugscriminaliteit in te laten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 januari 2026. Daaruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. Dit heeft geen invloed op de op te leggen straf.
De straf
Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt
De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden. Dit is lager dan de eis van de officier van justitie. Daarvoor is redengevend dat de verdachte is vrijgesproken van de ontvangst van een geldbedrag van € 100.000,-. Daarnaast heeft de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn van circa 8 maanden, het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat van de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (hierna: beslaglijst, die als
bijlage IIIaan dit vonnis is gehecht):
  • een Rolex-horloge zal worden teruggegeven aan de verdachte;
  • een Apple Watch zal worden teruggegeven aan de verdachte;
  • een Google pixel telefoon zal worden onttrokken aan het verkeer.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft om teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen verzocht.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst vermelde artikelen en daarnaast de in beslag genomen Apple Watch.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden,
een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen, meermalen gepleegd;
en
voorwerpen voorhanden hebben, waarvan zij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (ACHTTIEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de teruggave aan de verdachte van de Apple Watch (DHRAA22011_773515) en de op de beslaglijst onder 1, 2 en 4 en 5 genoemde voorwerpen, te weten:
  • 1 STK Horloge (Omschrijving: DHRAA22011_773510, zilver, merk: Rolex);
  • 1 STK Telefoonautomaat (Omschrijving: DHRAA22011_773481, Google pixel);
  • 1 STK Telefoonautomaat (Omschrijving: DHRAA22011_773534. Motorola);
  • 1 STUK Telefoonautomaat (Omschrijving: DHRAA22011_773507, Apple).
Dit vonnis is gewezen door
mr. S. Pereth, voorzitter,
mr. P. van Essen, rechter,
mr. M.S. Verboom, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.M.R. Berendsen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 maart 2026.