3.4.Bewijsoverwegingen
Identificatie [account 1] , [account 2] en [account 3]
Onderzoek Lavendel richtte zich op de handel in verdovende middelen door de perso(o)n(en) achter de SkyECC ID’s [account 1] , [account 2] en [account 3] .
Uit diverse chatberichten blijkt dat de gebruiker van deze accounts een vrouw is. Voorts blijkt uit de gesprekken dat de gebruiker Spaans spreekt en uit de [geboorteland] komt. De verdachte is geboren in de [geboorteland] en spreekt Spaans.
Daarnaast spreekt de gebruiker van account [account 1] het account [account 4] aan met ‘broer’. Account [account 4] is in gebruik bij: [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1977 te [geboorteplaats 1] in de [geboorteland] . Uit de BRP blijkt dat [naam 1] de broer is van de verdachte. In chatberichten spreekt [account 2] over haar zoon. Uit de BRP blijkt dat de verdachte een zoon heeft genaamd: [naam 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1997 te [geboorteplaats 2] .
Aan de SkyECC-accounts met nummers
[account 1],
[account 2] en [account 3]waren de IMEI-nummers [nummer 1] , [nummer 2] , en [nummer 3] gekoppeld. Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat deze IMEI-nummers in de periode 14 december 2020 tot en met 6 maart 2021 in de voor nachtrust bestemde tijd tussen 22.00 uur en 07.00 uur het meest gebruik maken van het basisstation aan de [adres 2] . Dit basisstation heeft de woning [adres 3] binnen zijn theoretisch bereik. Op dit adres stond de verdachte sinds 1 augustus 2016 ingeschreven. Uit onderzoek van de politie blijkt dat de verdachte ook op het voormelde adres woonachtig was in die periode.
De rechtbank is gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat de SkyECC-accounts
[account 1],
[account 2] en [account 3]aan de verdachte toebehoorden en dat zij deze accounts ook heeft gebruikt.
Voorbereidingshandelingen
De verdachte heeft in de periode tussen 7 januari 2020 tot en met 15 januari 2020 in gespreksgroep [gespreksgroep 1] verschillende SkyECC-gesprekken gevoerd met de gebruikers van onder andere SkyECC-accounts [account 5] en [account 6] over het vervoeren van cocaïne.
In gespreksgroep [gespreksgroep 1] deed [account 1] een voorstel om van vertreklocatie te veranderen, Puerto Plata (ten noorden van de Dominicaanse Republiek) in plaats van Punta Cana. In gespreksgroep [gespreksgroep 2] gaf [account 1] aan dat bij Puerto Plata met de marechaussee gesproken zou zijn. Daarnaast vroeg [account 1] of er blauwe postzakken zonder verzegeling geregeld kunnen worden, zodat die vanuit "daar" gevuld en verzegeld opgestuurd kunnen worden.
Tevens heeft de verdachte in gespreksgroep [gespreksgroep 3] contact gehad met de gebruiker van SkyECC account [account 7] over het afleveren en verstrekken van cocaïne.
In chatberichten van 8 december 2020 tot 30 december 2020 tussen SkyECC account [account 2] (de verdachte), [account 8] en [account 9] wordt gesproken over het importeren van blokken. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het gaat om blokken cocaïne. [account 2] en [account 8] geven aan dat de kaai van 1700 (de rechtbank begrijpt: de haven van Antwerpen) wat lastig is. Door [account 8] wordt aangegeven dat ze CMA naar Rotterdam kunnen doen. De rechtbank maakt hieruit op dat het gaat om overzees transport naar Rotterdam. De verdachte is in deze chat een vertaler tussen de Spaanstalige en Nederlandse partij, maar zij oppert zelf ook ideeën.
Ook tussen 24 januari 2021 en 21 februari 2021 heeft de verachte SkyECC gesprekken gevoerd over de import van cocaïne.
De rechtbank is op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de handel in en verwerking van cocaïne. Ook blijkt uit de SkyECC-gesprekken en uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat zij een crypto telefoon voorhanden heeft gehad.
De rol van de broers van de verdachte
De verdachte heeft gesteld dat het doorgeven en de vertaling van de berichten gebeurde onder druk van haar broers. “Nee” zeggen tegen haar broers was geen optie volgens de verdachte. De door de verdachte gestelde druk of dwang blijkt evenwel niet uit de inhoud van het dossier. Integendeel, de verdachte zegt in de gesprekken op verschillende momenten dat ze het ergens niet mee eens is. Op 5 december 2020 schrijft zij: ‘Echt broer is de laatste keer ik ga dit nooit meer doen dan weet je dat ook’. En op 27 september 2020 schrijft de verdachte ‘Goedemorgen ik lees deze berichten nu pas en ben het niet helemaal eens’. Nu de verdachte voorts ter terechtzitting niet nader heeft verklaard op welke wijze haar broers druk of dwang op haar uitoefenden, gaat de rechtbank aan dit verweer voorbij.
De verdachte heeft voorts bij wijze van verweer aangevoerd dat haar broers gebruik maakten van haar Sky-accounts en dat zij dus niet alle gesprekken zelf heeft gevoerd. Zij heeft evenwel niet concreet verklaard op welke momenten haar broer(s) gebruik maakten van de accounts. Voorts stelt de rechtbank vast dat de berichten die met de accounts zijn ontvangen en verzonden logisch op elkaar volgen. De rechtbank heeft ook geen enkele concrete aanwijzing dat meerdere personen gebruik hebben gemaakt van de accounts. Zo is nergens een bericht te zien waarin iemand zich kenbaar maakt als iemand anders dan de verdachte en evenmin is te zien dat iemand zich afvraagt of ze met de verdachte of met iemand anders te maken hebben. In dit verband overweegt de rechtbank dat, zoals hiervoor al is vermeld, met de aan de accounts gekoppelde IMEI-nummers gedurende de nacht het meest gebruik is gemaakt van een zendmast in de buurt van de woning van de verdachte. Ook het geïdentificeerde IMSI-nummer is herleid tot de straat waar de verdachte woonachtig was. Daarmee concludeert de rechtbank dat alle berichten van en naar de accounts met nummers [account 1] , [account 2] en [account 3] van de verdachte afkomstig en voor haar bestemd waren.
Medeplegen
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte geen medepleger was. Volgens hem was haar rol ondergeschikt omdat zij voornamelijk berichten moest doorgeven of berichten vertaalde. Die gedragingen zijn van onvoldoende gewicht om te spreken van medeplegen, aldus de raadsman.
De rechtbank overweegt dat betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De rechtbank ziet geen steun voor het standpunt dat het aandeel van de verdachte enkel bestond uit vertalen of een boodschap doorgeven. Zo stelt de verdachte als gebruiker van Sky-account [account 1] zelf voor om van vertreklocatie te veranderen (in gespreksgroep [gespreksgroep 1] op 13 januari 2020). Daarnaast is de verdachte in een gesprek van 8 december 2020 tussen [account 2] (de verdachte), [account 8] en [account 9] over het importeren van blokken een tolk voor de importeur en de exporteur. De verdachte geeft verder informatie over prijzen en transporten en vormt een link tussen haar contact en SkyECC-gebruikers die drugs willen vervoeren. Zij heeft verklaard dat zij zich ervan bewust was dat het om drugs ging. De verdachte heeft daarmee een wezenlijke bijdrage geleverd en de rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande blijkt dat sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking en daarom van medeplegen.
Conclusie
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 10 januari 2020 tot en met 21 februari 2021 opzettelijk voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor onder andere de import van cocaïne.
Vrijspraak tenlastegelegde periode vóór 10 januari 2020 en na 21 februari 2021
Nu de rechtbank niet is gebleken dat de verdachte in de periode vóór 10 januari 2020 en na 21 februari 2021 berichten heeft verzonden, acht de rechtbank het medeplegen van voorbereidingshandelingen vóór 10 januari 2020 en na 21 februari 2021 niet wettig en overtuigend bewezen. Voor zover de tenlastelegging ziet op deze periode, zal de rechtbank de verdachte daarvan vrijspreken.
Vrijspraak voorbereidingshandelingen invoer ketamine
Ketamine staat niet op lijst I van de Opiumwet, zoals de tenlastelegging vermeldt. De rechtbank zal verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.
Vrijspraak ontvangst € 100.000,-
De rechtbank zal de verdachte eveneens vrijspreken van het tenlastegelegde voor zover dit ziet op de ontvangst van een bedrag van € 100.000,-. Voor de ontvangst van dit bedrag heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten in het dossier aangetroffen.