7.1.Dit betoog slaagt niet. De minister heeft in het voornemen gemotiveerd verwezen naar het eerdere oordeel van zittingsplaats Utrecht, waaruit volgt dat de door eiseres overgelegde documenten geen rechtstreeks verband hebben met haar asielrelaas.Verder stelt de rechtbank vast dat de minister in het voornemen voldoende heeft gemotiveerd dat de inhoud van het X-bericht de verklaringen van eiseres over [naam generaal] niet kan onderbouwen. Eiseres heeft geen andere documenten overgelegd die haar asielmotief onderbouwen, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om af te wijken van het eerdere oordeel van zittingsplaats Utrecht. Bij die stand van zaken valt niet in te zien waarom de minister aan de door eisers overgelegde documenten bewijswaarde had moeten toekennen.
Verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel (artikel 31, zesde lid, sub c, van de Vw 2000)
8. Eiseres betoogt dat haar verklaringen samenhangend en aannemelijk zijn. Ze vindt dat de minister speculeert over haar legale reizen en de inzet van connecties van [persoon A], terwijl zij geen onderscheid maakt tussen zakelijke of privéreizen. Haar reizen tussen Burundi en Rwanda sluiten een gegronde vrees niet uit, vooral omdat ze vanwege familieomstandigheden reisde en dit altijd probleemloos verliep. De minister weerlegt haar zienswijze niet inhoudelijk en voldoet daarmee niet aan de motiveringsplicht. Eiseres erkent de ernst van de verdenkingen over staatsgeheimensmokkel, maar dat tast de betrouwbaarheid van haar verklaringen over de veiligheidsdienst SNR niet aan. De minister maakt ten onrechte veronderstellingen over de vraag of SNR doortastender zou handelen of eerder tot actie zou overgaan, maar dat maakt haar verklaring niet ongeloofwaardig.
8.1.1.Dit betoog slaagt niet. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat eiseres onvoldoende samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over de genoemde punten. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarbij mocht meewegen dat de reisbewegingen van eiseres niet overeenkomen met de ernstige verdenkingen tegen haar. Zoals de minister tijdens de zitting terecht opmerkte, gaat het hier om een zeer ernstig misdrijf waar de veiligheidsdiensten extra alert op zijn. De betrokken personen bij de smokkelorganisatie lopen zeer grote persoonlijke risico’s en het ligt in de rede dat zij alleen met de grootst mogelijke omzichtigheid handelen. In die context is het, zoals de minister terecht stelt, onwaarschijnlijk dat [persoon A] zonder duidelijke reden risico’s zou nemen in verband met de reizen van eiseres. Daar komt bij dat de veiligheidsdiensten eiseres al langere tijd observeerden. Zo moest zij in januari 2022 haar paspoort inleveren en is zij medisch onderzocht; een herhaling hiervan vond plaats bij het ophalen van haar paspoort in april 2022. Bovendien werd eiseres door [persoon C], een medewerker van de SNR, opgeroepen om zich te melden bij generaal [naam generaal], maar uit angst heeft zij hieraan geen gehoor gegeven. Gezien deze omstandigheden mocht de minister concluderen dat het onbegrijpelijk is dat eiseres toch is blijven reizen tussen Burundi en Rwanda, ook tegen het advies van [persoon A] in. Het feit dat haar zus haar nodig had om naar de ambassade in Rwanda te gaan en dat haar vader ziek was, verandert het voorgaande oordeel niet. Ook wat betreft het optreden van de SNR heeft de minister, vanwege de ernst van het misdrijf, het langdurig toezicht op eiseres en haar weigering gehoor te geven aan de oproep van generaal [naam generaal], niet ten onrechte gesteld dat het niet aannemelijk is dat de SNR zo weinig daadkrachtig zou optreden. Tijdens de zitting bracht gemachtigde naar voren dat eiseres wel is onderzocht op de luchthaven en dat niets erop wijst dat er meer was dan alleen een verdenking die de SNR tegen haar koesterde. Eiseres zelf verklaarde echter dat zij door [persoon C] werd opgeroepen en niet ging omdat [persoon A] haar waarschuwde dat ze anders een levenslange gevangenisstraf zou krijgen. De rechtbank volgt daarom de conclusie van de minister dat de door eiseres geuite vrees niet strookt met haar eigen handelen.
Noodzaak tot internationale bescherming
8.1.2.Eiseres betoogt dat het onjuist is dat zij elders geen asiel heeft aangevraagd; alle andere genoemde landen waren doorreislanden op weg naar Nederland, wat in de praktijk gebruikelijk is onder asielzoekers.
8.1.3.Dit betoog slaagt niet. De minister heeft terecht geconcludeerd dat het gedrag van eiseres na haar vertrek uit Burundi geen aanwijzing geeft voor noodzaak tot internationale bescherming. Uit haar eigen verklaringen blijkt dat zij gedurende ongeveer een maand in verschillende veilige landen heeft verbleven, zoals Kroatië, Servië, Slovenië, Italië en Duitsland.Hoewel de minister in het bestreden besluit niet langer tegenwerpt dat eiseres in Kroatië aangaf geen asiel te willen aanvragen, verandert dit niets aan het feit dat zij ook in andere veilige landen verbleef die vergelijkbare bescherming bieden als Nederland. Het argument dat zij deze landen slechts als doorreislanden gebruikte, heeft de minister gezien de verblijfsduur van een maand niet hoeven volgen. Omdat eiseres zegt Burundi te zijn ontvlucht uit vrees voor haar leven, mocht worden verwacht dat zij in een veilig land asiel zou aanvragen zodra dat mogelijk was. Dit heeft zij echter niet gedaan. Dat doet, zoals de minister terechte heeft overwogen, af aan de aannemelijkheid van haar noodzaak tot bescherming. Het betoog van eiseres dat andere asielzoekers ook door meerdere landen reizen, kan aan die conclusie niet afdoen. De minister heeft hierover op de zitting terecht aangevoerd dat elke zaak individueel wordt beoordeeld en in deze situatie kan eiseres worden verweten dat zij geen asiel aanvroeg terwijl dat wel mogelijk was.
Tegenstrijdigheid informatie omtrent reden asielaanvraag
8.1.4.Eiseres betoogt verder dat de tegenwerping over de tegenstrijdige informatie ten aanzien van de reden van haar asielaanvraag geen stand kan houden. De lezing van de minister van de correcties en aanvullingen op het Dublingehoor, zoals weergeven in het voornemen, betreffen volgens eiseres een gedeeltelijke lezing. Eiseres heeft in de correcties en aanvullingen nooit verklaard dat de reden van haar asielaanvraag te maken heeft met haar zwager. De verklaring komt uitsluitend van haar voormalig gemachtigde in reactie op het voornemen.
8.1.5.Dit betoog slaagt niet. De minister heeft terecht belang gehecht aan de inconsistentie tussen wat eiseres in haar correcties en aanvullingen op het Dublingehoor heeft aangevoerd over de reden van haar asielaanvraag en wat zij later in het nader gehoor heeft gesteld. In de correcties van 3 april 2023 gaf eiseres aan dat haar problemen in Burundi verband houden met haar zwager, die in Nederland een vergunning heeft gekregen. Ook in de aanvullende gronden van beroep verbond zij haar asielrelaas aan dat van haar zwager en stelde zij dat Nederland om proceseconomische redenen haar asielrelaas moest beoordelen.Eiseres heeft vervolgens in het nader gehoor met geen woord gerept over problemen met haar zwager of aanknopingspunten met het asielrelaas van haar zwager. Aangezien het niet aannemelijk is dat haar gemachtigde het gestelde over haar zwager zou verzinnen, en eiseres hieromtrent verder ook geen enkele uitleg heeft gegeven, mocht de minister aan deze tegenstrijdigheid gewicht toekennen.
Tegenstrijdige verklaringen over wie geholpen heeft met de reis
8.1.6.Eiseres voert aan dat ze geen tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over wie haar geholpen heeft met de reis. Volgens eiseres zijn haar verklaringen bij de AVIM over wie haar hielp bij haar reis nooit met een tolk of gemachtigde geverifieerd, zodat niet kan worden vastgesteld dat wat is opgeschreven in die verklaringen overeenkomt met haar daadwerkelijke verklaringen. Dit mag dan ook niet tegen haar worden gebruikt. Eiseres wijst in dit verband op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 23 september 2025.De integrale geloofwaardigheidsbeoordeling die de minister moet maken doet hier niet aan af.
8.1.7.Dit punt van eiseres is terecht aangevoerd. De minister heeft ter zitting erkend dat hij haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over wie haar tijdens de reis heeft geholpen. Eiseres heeft immers terecht gesteld dat niet kan worden vastgesteld in welk land de pastoor haar heeft bijgestaan. De minister heeft deze tegenwerping daarom laten vallen en daarbij aangevoerd dat het geen dragende grond betreft en dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen worden gelaten. De rechtbank constateert, gezien het voorgaande, dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Dit leidt ertoe dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Desondanks ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten gezien hetgeen de minister voor het overige terecht aan eiseres heeft tegengeworpen, zoals besproken onder 6.1 tot 8.1.5 van deze uitspraak, en omdat eiseres door de minister in grote lijnen niet geloofwaardig mocht worden geacht. Dat laatste bespreekt de rechtbank hierna onder 9.
Eiseres kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd (artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000)
9. De rechtbank stelt vast dat in de eerdere procedure van eiseres haar identiteit ongeloofwaardig is geacht.Dat besluit staat in rechte vast. Eiseres heeft in deze procedure verder geen grond tegen dit onderdeel ingediend. Daarom concludeert de rechtbank dat de minister niet ten onrechte ervan uit is gegaan dat eiseres in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
10. Eiseres betoogt onder verwijzing naar al het bovenstaande dat door de minister ten onrechte een terugkeerbesluit is opgelegd. Zij meent ook dat het opgelegde inreisverbod van twee jaar niet kan standhouden.