ECLI:NL:RBDHA:2026:5101

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
NL26.13110
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende vreemdeling, is op 9 maart 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. Tijdens de zitting op 11 maart 2026 heeft eiser aangegeven bereid te zijn terug te keren naar Algerije en wijst hij op zijn gezondheidsproblemen, die volgens hem onvoldoende worden behandeld in detentie.

De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke gronden voor de bewaring niet heeft betwist, hoewel enkele gronden door verweerder zijn komen te vervallen. De rechtbank oordeelt dat de overgebleven gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn en dat het risico op onttrekking aan het toezicht met deze gronden kan worden gedragen. Het enkele feit dat eiser wil terugkeren, is onvoldoende om een lichter middel toe te passen, mede gezien zijn eerdere vertrek met onbekende bestemming en het niet voldoen aan zijn vertrekplicht.

De medische omstandigheden zijn meegewogen en de rechtbank acht de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig aan die in de vrije maatschappij. Er is geen bewijs dat het detentiecentrum niet in staat is adequate zorg te bieden. Ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13110

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2000 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Lichter middel
2. Eiser stelt dat hij graag wil terugkeren naar Algerije en staat open voor ieder soort medewerking. Hij heeft daarom ook al met het IOM [2] gesproken. Ook tijdens het gehoor is al aangegeven dat eiser wil terugkeren en de inbewaringstelling belemmert eiser hierin. Verder wijst eiser op zijn gezondheid. Zijn gemachtigde heeft verweerder al eerder gemaild met het verzoek rekening te houden met zijn gezondheid. Hij heeft in het detentiecentrum verzocht om een arts, maar nog altijd geen arts gezien. De inbewaringstelling is dan ook onevenredig en gelet op de omstandigheden dient een lichter middel toegepast te worden.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. Verweerder heeft ter zitting de gronden 3f en 4f laten vallen, zodat deze niet langer aan de maatregel ten grondslag liggen. De rechtbank is van oordeel dat de overige gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om dit risico te ondervangen. De enkele stelling van eiser dat hij wil terugkeren naar Algerije is daartoe onvoldoende, gelet op het feit dat eiser al eerder met onbekende bestemming is vertrokken en niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht. Ook de door eiser aangevoerde medische omstandigheden zijn meegewogen in de maatregel van bewaring. Verweerder heeft daarbij terecht overwogen dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Indien eiser niet tevreden is met de zorg die hij daar ontvangt, is het aan hem om daarover zijn beklag te doen in het detentiecentrum. Niet is gesteld of gebleken dat het detentiecentrum niet bereid of in staat is om hem te helpen.

Ambtshalve toets

4. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 12 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.International Organization for Migration.