ECLI:NL:RBDHA:2026:5108
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding wegens niet-ontvankelijk beroep door te late griffierechtbetaling
Verzoeker diende een beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen de afwijzing van een visumaanvraag. De minister nam op 8 januari 2026 alsnog een besluit op het bezwaar, waarna verzoeker het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde. De rechtbank oordeelde dat het griffierecht van €194,- te laat was betaald, waardoor het beroep niet ontvankelijk was.
Hoewel de minister tegemoet was gekomen door alsnog te beslissen, kon op grond van artikel 8:75a Awb geen proceskostenvergoeding worden toegekend omdat het beroep niet ontvankelijk was. De rechtbank wees het verzoek tot proceskostenvergoeding daarom af. Wel werd het te laat betaalde griffierecht aan verzoeker terugbetaald.
De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf op 9 februari 2026 zonder zitting, waarbij de griffier M.H.G.P. Tober aanwezig was. Verzoeker werd gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken.
Uitkomst: Verzoek tot proceskostenvergoeding wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid van het beroep door te late betaling van het griffierecht.