ECLI:NL:RBDHA:2026:5116
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens te vroege ingebrekestelling bij asielaanvraag Syrië
Eiser, afkomstig uit Syrië, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving deze aanvraag op 3 december 2024 en moest uiterlijk binnen zes maanden beslissen. Vanwege een besluitmoratorium voor Syrië, dat liep van 14 december 2024 tot 13 juni 2025, werd de beslistermijn verlengd met één jaar, waardoor de uiterste beslisdatum op 3 juni 2026 viel.
Eiser stelde de minister op 15 december 2025 schriftelijk in gebreke, maar dit was nog vóór het verstrijken van de beslistermijn. Volgens de Algemene wet bestuursrecht is een ingebrekestelling pas geldig als deze na het verstrijken van de beslistermijn wordt gedaan. Hierdoor is het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen niet ontvankelijk verklaard.
De rechtbank vond het niet nodig partijen uit te nodigen voor een zitting en wees op de geldende wettelijke bepalingen omtrent beslistermijnen en ingebrekestellingen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.H.G.P. Tober op 9 februari 2026.
Uitkomst: Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard wegens te vroege ingebrekestelling.