ECLI:NL:RBDHA:2026:5134

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
09/382537-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 189 SrArt. 312 SrArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen gewelddadige woningoverval en vernietigen bewijsmateriaal

De rechtbank Den Haag heeft op 12 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van meerdere woningovervallen en aanverwante feiten. Verdachte werd vrijgesproken van betrokkenheid bij de woningoverval van 18 april 2024 vanwege onvoldoende bewijs, ondanks DNA op een tie-wrap. Wel werd hij veroordeeld voor medeplegen van een gewelddadige woningoverval in de nacht van 6 op 7 juli 2024 in Wassenaar, waarbij slachtoffers werden bedreigd, mishandeld en waardevolle sieraden en horloges werden gestolen.

De rechtbank baseerde haar oordeel op onder meer telefoongegevens, reisbewegingen van voertuigen, chatberichten en foto’s die de nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met mededaders aantoonden. Verdachte had ook een rol bij het vernietigen van bewijsmateriaal door opdracht te geven tot het verwijderen van kentekenplaten van een gebruikte Mercedes die later in brand werd gestoken.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de diefstal met geweld en bedreiging en veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van 8 jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werden schadevergoedingen deels toegewezen aan de benadeelde partijen, waarbij de rechtbank de waarde van de sieraden halveerde vanwege betwisting en onvoldoende onderbouwing. De immateriële schade werd vastgesteld op €10.000 per slachtoffer. Verdachte werd hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade en proceskosten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 jaar gevangenisstraf voor medeplegen gewelddadige woningoverval en vernietigen bewijsmateriaal, vrijgesproken van eerdere woningoverval, met deels toegewezen schadevergoedingen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/382537-24
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteland] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 22 april 2025, 10 juli 2025, 1 oktober 2025 en 3 december 2025 (telkens pro forma) en 11 en 12 februari 2026 (inhoudelijke behandeling).
Het onderzoek is gesloten op de terechtzitting van 26 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.G.M. Oostrom en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. W. Hendrickx naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na nadere omschrijving van de tenlastelegging op de terechtzitting van 1 oktober 2025 – ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 6 juli 2024 tot en met 7 juli 2024 te Wassenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning staat, te weten de woning gelegen aan de [adres 1] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), een of meerdere juwelen en/of sieraden en/of horloges en/of flessen alcoholische drank en/of een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] en/of [aangever 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- met meerdere personen en/of voorzien van bivakmutsen en/of handschoenen, althans gezichts- en/of lichaamsbedekkende kleding, die [aangever 1] en/of [aangever 2] te overrompelen in hun woning, en/of
- tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] te zeggen “U bent toch juwelier? Wij willen geld. Waar is het geld? Waar zijn de horloges? Waar zijn de Rolexen? Waar is de kluis? Wij willen de code van de kluis”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- die [aangever 1] en/of [aangever 2] op de grond te gooien, en/of
- ( meermalen) (met kracht) tegen het lichaam van die [aangever 2] te schoppen en/of slaan/stompen, en/of
- ( meermalen) (met kracht) meteen koevoet, althans een (hard) voorwerp, op/tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [aangever 2] te slaan, en/of
- ( meermalen) tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] te zeggen dat zij, verdachten, hen zouden doodmaken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- aan die [aangever 1] en/of [aangever 2] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen, en/of
- tiewraps, althans (een) voorwerp(en), om de polsen/handen en/of de enkels/voeten van die [aangever 1] en/of [aangever 2] te binden en/of hen aan elkaar vast te binden en/of hen (urenlang) vast te houden in de woning, en/of
- ( een) handdoek(en), althans (een) voorwerp(en), over het/de hoofd(en) van die [aangever 1] en/of [aangever 2] te doen, en/of (daarbij) tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] te zeggen dat zij niet mochten kijken en/of niet mochten bewegen anders zouden zij, verdachten, hen vermoorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- tegen die [aangever 2] te zeggen dat hij de code van de kluis moest geven en dat hij zou worden vermoord als hij de code niet zou zeggen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- ( nadat [aangever 2] de verkeerde code van de kluis had genoemd) met een (stanley)mes, althans een scherp/puntig voorwerp, in de hand, althans het lichaam van die [aangever 2] te steken/prikken en/of tegen die [aangever 2] te zeggen “Geef de code anders snij ik je vinger eraf of die van je vrouw", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2. primair
hij op of omstreeks 17 juli 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door in (de directe nabijheid van) een personenauto (Mercedes Benz B-klasse) open vuur te creëren en/of open vuur in aanraking te brengen met een of meer brandbare voorwerpen/(vloei)stoffen, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of die personenauto geheel of gedeeltelijk is verbrand/uitgebrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een of meer voertuigen en/of struiken en/of bomen in de directe nabijheid van die personenauto, te duchten was;
2. subsidiair
hij op of omstreeks 17 juli 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Mercedes Benz B-klasse), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2. meer subsidiair
hij op of omstreeks 17 juli 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, nadat in of omstreeks de periode van 6 juli 2024 tot en met 7 juli 2024 te Wassenaar een gewelddadige woningoverval en/of diefstal met geweld in vereniging, althans enig misdrijf was gepleegd, met het oogmerk om dat misdrijf te bedekken of de nasporing of vervolging daarvan te beletten of te bemoeilijken, een voorwerp waarop of waarmede dat misdrijf was gepleegd en/of andere sporen van dat misdrijf, te weten een personenauto (Mercedes Benz B-klasse) en/of een of meerdere kentekenplaten (voorzien van kenteken [kenteken 1] ) heeft vernietigd, weggemaakt, verborgen en/of aan het onderzoek van de ambtenaren van justitie of politie heeft onttrokken, en/of opzettelijk voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, te weten een personenauto (Mercedes Benz B-klasse) en/of een of meerdere kentekenplaten (voorzien van kenteken [kenteken 1] ), met het oogmerk om de inbeslagneming daarvan te beletten, te belemmeren of te verijdelen, heeft verborgen, weggemaakt of aan het onderzoek van de ambtenaren van justitie of politie heeft onttrokken, dan wel door het opzettelijk verstrekken van gegevens of inlichtingen aan derden die inbeslagneming heeft belet, belemmerd of verijdeld;
3.
hij op of omstreeks 18 april 2024 te Helmond, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning staat, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), een of meerdere sieraden en/of juwelen en/of een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- met meerdere personen en/of voorzien van (bivak)mutsen en/of handschoenen, althans gezichts- en/of lichaamsbedekkende kleding, die [benadeelde 2] (terwijl zij sliep) te overrompelen in haar woning, en/of
- tegen die [benadeelde 2] te zeggen "U bent toch juwelier? Waar is de sleutel van de kluis? Waar is de auto? Waar zijn de autosleutels?’’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- tiewraps om de polsen en/of voeten/enkels van die [benadeelde 2] te binden en/of
- een ceintuur, althans een voorwerp, om het hoofd van die [benadeelde 2] te doen en/of in haar mond te knopen, en/of
- die [benadeelde 2] enige tijd (vastgebonden) vast te houden in die woning.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak bepleit. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.3.
Vrijspraak feit 3
Op 18 april 2024 vond in een woning aan de [adres 2] te Helmond een overval plaats.
Naar aanleiding van de woningoverval is door de politie forensisch onderzoek verricht in de woning. Op een tie-wrap die gebruikt was om de enkels van het slachtoffer vast te binden, werd een mengprofiel aangetroffen met daarin het DNA-profiel van [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en van in ieder geval één andere onbekend gebleven persoon. [verdachte] ontkent alle betrokkenheid bij de overval en heeft verklaard dat zijn DNA mogelijk op de tie-wrap terecht is gekomen, doordat hij in het kader van zijn (koeriers)bedrijf, zorg draagt voor de aanschaf van tie-wraps en deze verdeelt onder zijn personeel.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het voorgaande weliswaar met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat het DNA van [verdachte] op enig moment op de tie-wrap terecht is gekomen, maar daaruit volgt niet noodzakelijkerwijs dat hij ook tijdens de woningoverval de tie-wrap heeft gebruikt en dat [verdachte] dus één van de overvallers is. Een tie-wrap is immers een verplaatsbaar object, terwijl niet kan worden vastgesteld wanneer het DNA van [verdachte] hierop terecht is gekomen.
Mede omdat op de tie-wrap ook DNA van een ander is aangetroffen, bestaat de mogelijkheid dat de tie-wrap tijdens de overval door een andere persoon is gebruikt dan door [verdachte] . Hierbij acht de rechtbank tevens van belang dat de overvallers volgens de verklaring van het slachtoffer handschoenen droegen.
Omdat er geen andere aanwijzingen voor de betrokkenheid van [verdachte] bij de woningoverval zijn, is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de woningoverval en zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 3 tenlastegelegde.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen feit 1 en feit 2
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.
De overval
In de nacht van 6 op 7 juli 2024 heeft in een woning aan de [adres 1] te Wassenaar een overval plaatsgevonden. De daders hebben zich de toegang tot de woning verschaft door middel van inklimming, wat uiteindelijk leidde tot een confrontatie met de bewoners. De bewoners, [aangever 2] (hierna: [aangever 2] ) en zijn echtgenote [aangever 1] (hierna: [aangever 1] ) – die hebben verklaard dat er die nacht drie overvallers in hun woning zijn geweest – zijn hierbij bedreigd, op de grond gegooid en vastgebonden met tie-wraps. [aangever 2] is tevens geslagen en geschopt, is met een koevoet tegen zijn hoofd geslagen en is met een stanleymes in zijn hand gestoken. De woning is gedurende meerdere uren doorzocht, waarna uiteindelijk kluizen zijn leeggeroofd en veel waardevolle sieraden en horloges en een telefoon zijn meegenomen.
Uit het politieonderzoek is gebleken dat de daders van de woningoverval zijn weggereden in een van diefstal afkomstige witte Mercedes die op de avond en in de nacht van de overval geparkeerd stond om de hoek van de woning aan de [adres 1] .
Tijdens de overval werd – naar de rechtbank begrijpt voor onderling contact – gebruik gemaakt van twee prepaid simkaarten, die geplaatst waren in twee telefoons van het merk Nokia. Genoemde simkaarten zijn in de middag voor de overval gekocht en geactiveerd in Nieuwegein en hebben zich in de avond van de overval gelijktijdig met een taxi met kenteken [kenteken 2] (hierna: de taxi) verplaatst richting Wassenaar. De eigenaar van voornoemde taxi is [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Een van de Nokia’s straalde tijdens de overval een zendmast aan binnen het bereik van de plaats delict; de andere Nokia straalde – net als de taxi en de telefoon die toebehoort aan [medeverdachte 1] – andere zendmasten aan in de directe omgeving van Wassenaar en in Leidschendam. Na de overval zijn beide simkaarten niet meer actief geweest in het telefoonnetwerk.
(Eerdere) reisbewegingen
Uit onderzoek naar de boordcomputer van de taxi blijkt dat de taxi op de dag van de overval en in de daaraan voorafgaande maand drie keer een reisbeweging vanuit [plaats 2] (de woonplaats van [medeverdachte 1] ) via [plaats 3] naar Wassenaar heeft gemaakt. Dit betreft zaterdagavond/nacht van 22 op 23 juni 2024, vrijdagavond/nacht van 28 op 29 juni 2024 en de avond/nacht van de overval. De telefoon met telefoonnummer [telefoonnummer 1] , die toebehoorde aan [medeverdachte 1] , maakte steeds dezelfde reisbewegingen. De rechtbank gaat ervan uit dat er in de twee weekenden in juni 2024 voor de woningoverval zogenoemde voorverkenningen hebben plaatsgevonden.
Op 22 en 23 juni 2024 was – kort en zakelijk weergegeven – sprake van de volgende reisbewegingen. Om 21.10 uur kwam de taxi aan bij het [adres 3] . Op nummer [huisnummer] aldaar is woonachtig [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ). Op dit adres heeft [verdachte] zich diezelfde avond blijkens een chatgesprek dat hij met zijn telefoon met nummer [telefoonnummer 2] voerde met ‘taxi [bedrijf 1] ’, laten afzetten.
De taxi vertrok om 21.18 uur vanaf het [adres 3] . Omstreeks dat moment vertrok ook de bij de overval gebruikte witte Mercedes vanuit de omgeving van het [adres 3] , waar deze sinds 8 juni 2024 onafgebroken geparkeerd stond. Beide voertuigen reden richting Wassenaar.
De Mercedes kwam omstreeks 22.50 uur aan in Wassenaar in de buurt van de [adres 1] . De taxi reed via de Slikkerveerstraat te Amsterdam naar Wassenaar, waar hij om 22.55 uur aankwam. De Mercedes en de taxi hebben die avond beide enige tijd rondgereden in Wassenaar en Leidschendam. De taxi reed om 00.00 uur via de A4 weg, stopte opnieuw kort in de Slikkerveerstraat in Amsterdam, reed daarna richting [plaats 3] , kwam om 01.29 uur aan op het [adres 3] , en eindigde bij de woning van [medeverdachte 1] in [plaats 2] . In de periode dat de taxi heen en weer naar Wassenaar reed, werden de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte 2] niet actief gebruikt. De telefoons bleven al die tijd in [plaats 3] . Om 01.35 uur, zes minuten nadat de taxi op het [adres 3] aankwam, vond er met de telefoon van [verdachte] een uitgaand telefoongesprek plaats.
Op 28 en 29 juni 2024 was – kort en zakelijk weergegeven – sprake van de volgende reisbewegingen. [medeverdachte 2] maakte via WhatsApp een afspraak met [medeverdachte 1] om te worden opgehaald bij zijn ouders in [plaats 2] en om hem te brengen naar zijn woning aan het [adres 3] . De telefoon van [verdachte] bevond zich die avond ook weer in [plaats 3] . De taxi vertrok vanaf het [adres 3] naar Amstelveen, waar hij van 22.15 uur tot 22.40 uur stil stond op de [adres 4] in de buurt van de woning van [verdachte] . De taxi reed vervolgens naar de Prinsenhofwijk in Leidschendam, waar hij om 23.14 uur aankwam. Enkele minuten later vertrok vanuit deze wijk de witte Mercedes, die daar sinds 23 juni 2024 geparkeerd stond, naar Wassenaar. De taxi reed rond in de omgeving van Wassenaar en Leidschendam en stopte om 00.42 uur weer in de Prinsenhofwijk, waar op dat moment ook de witte Mercedes weer aankwam. De taxi reed uiteindelijk richting [plaats 3] waar hij om 01.52 uur aankwam op het [adres 3] .
In de periode dat de taxi heen en weer naar Wassenaar reed, werden de telefoons van [medeverdachte 2] en [verdachte] niet gebruikt en bleven deze, net als op 22 juni 2024, al die tijd in [plaats 3] .
Op 6 en 7 juli 2024 was – kort en zakelijk weergegeven – sprake van de volgende reisbewegingen. Op 6 juli 2024 om 12.00 uur had [verdachte] contact met [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en spraken ze met elkaar af. De telefoon van [verdachte] verplaatste zich naar Nieuwegein, dichtbij de plek waar diezelfde middag de simkaarten van de Nokia’s zijn geactiveerd. De telefoon van [verdachte] bevond zich die dag rond 20.30 uur in [plaats 3] nabij de woning van [medeverdachte 2] . Uit een chatgesprek dat [medeverdachte 2] had met [medeverdachte 1] blijkt dat [medeverdachte 2] , net als op 28 juni 2024, door [medeverdachte 1] is opgehaald bij zijn ouders in [plaats 2] en naar zijn woning op het [adres 3] is gebracht, waar hij rond 20.30 uur aan kwam. De taxi vertrok om 20.56 uur vanaf het [adres 3] over de A12 richting Den Haag, vanaf welk moment de telefoons van [medeverdachte 2] en [verdachte] opnieuw urenlang niet actief werden gebruikt.
Op het moment dat de taxi ter hoogte van Zevenhuizen reed, bevonden zich op deze locatie ook de twee – eerder die dag in Nieuwegein geactiveerde – simkaarten. De taxi kwam om 22.30 uur aan in de Prinsenhofwijk in Leidschendam, in de nabijheid van de locatie waar drie minuten later, om 22.33 uur, de witte Mercedes, die sinds 28 juni 2024 niet meer was gebruikt, vertrok richting Wassenaar.
Hierna vond in de late uren van 6 op 7 juli 2024 de overval plaats, waarbij één Nokia zich nabij de plaats delict bevond en de andere Nokia zich verplaatste met de taxi, die vanaf 23.45 uur vanuit Wassenaar weer richting de Prinsenhofwijk in Leidschendam reed. De plegers van de overval zijn na de overval met de witte Mercedes, die zich gedurende de overval in de directe nabijheid van de woning aan de [adres 1] bevond, eveneens naar Leidschendam gereden en bevonden zich om 03:32 uur in de nabijheid van de Prinsenhofwijk aldaar. De witte Mercedes en de taxi zijn op exact hetzelfde tijdstip, namelijk om 03.32 uur, vanuit hun nabij gelegen locaties in Leidschendam, vertrokken richting de snelweg.
De taxi is naar het [adres 3] gereden, waar deze om 04.25 uur arriveerde en om 06.20 uur is weggereden in de richting van de woning van [medeverdachte 1] . De Mercedes is naar Amstelveen gereden en is gestopt in de omgeving van de woning van [verdachte] .
De witte Mercedes is uiteindelijk diezelfde nacht geparkeerd op de Slikkerveerstraat in Amsterdam, de locatie waar de taxi op 22 en 23 juni 2024 onderweg naar en op terugreis van Wassenaar kort heeft stilgestaan.
Na de overval
Uit onderzoek naar de telefoons van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] is het volgende gebleken.
In de telefoon van [verdachte] is een chatgesprek aangetroffen dat hij tussen 29 juni 2024 en 7 juli 2024 voerde met ‘ [naam 2] ’. Op 29 juni 2024 stuurde [naam 2] een betaalverzoek voor € 1.000,- en op 7 juli 2024, de dag na de overval, reageerde [verdachte] hier om 09.26 uur op met ‘Bro ik geef je morgen contant’ en ‘Ik moet hier blijven tot z’n gast mij wat komt geven’. [verdachte] stuurde zijn locatie, waaruit blijkt dat hij zich op dat moment in de directe omgeving van het woonadres van [medeverdachte 2] aan het [adres 3] bevond.
Verder is gebleken dat [verdachte] en [medeverdachte 2] tussen 7 juli 2024 om 23.50 uur en 8 juli 2024 om 01.19 uur gebruik maakten van dezelfde zendmast in Wijk bij Duurstede. Uit aangetroffen foto’s blijkt dat ze zich bevonden in de woning van [naam 1] . Uit het onderzoek is verder gebleken dat [verdachte] die avond/nacht filmpjes heeft gemaakt, waarop veel geld, kostbare flessen alcoholhoudende drank en meerdere personen te zien waren. Eén van de foto’s die [medeverdachte 2] diezelfde avond maakte in voornoemde woning, stuurde hij naar [medeverdachte 1] .
Op woensdag 17 juli 2024 om 01.13 uur voerde [verdachte] een chatgesprek met een persoon genaamd [naam 3] , waarin hij onder meer schreef: ‘Bro ik ben nog wat belangrijks vergeten’ en ‘Voorkant en achterkant moeten die dingen nog eraf!!!!!’ en ‘Was ik helemaal vergeten pffff’. Met de telefoon van [naam 3] werden om 03.55 uur een afbeelding en een video naar [verdachte] verstuurd die automatisch verwijderd werden. [verdachte] reageerde hierop met diverse emoticons met hartjes. Op datzelfde tijdstip kwam bij de politie de melding binnen dat er op de Slikkerveerstraat in Amsterdam een auto in brand stond. Dit bleek de witte Mercedes te zijn die bij de overval was gebruikt en waarvan de kentekenplaten aan zowel de voorkant als de achterkant verwijderd waren.
De Mercedes is aangetroffen op de locatie waar [medeverdachte 1] tijdens de eerste voorverkenning twee maal met zijn taxi naartoe is gereden.
Blijkens afbeeldingen die zijn aangetroffen in de telefoon van [verdachte] , gedateerd 13, 21 en 25 juli 2024, beschikte [verdachte] op genoemde data over aanzienlijke hoeveelheden contant geld, bestaande uit onder andere biljetten van 100, 200 en 500 euro. Ook blijkt uit de afbeeldingen en video’s in zijn telefoon dat [verdachte] eind juli/begin augustus 2024 op vakantie is geweest naar Marokko, waarbij ook [medeverdachte 2] op de afbeeldingen te zien is. Uit de afbeeldingen lijkt te volgen dat er veel geld is uitgegeven aan zaken als horeca en (huur)auto’s.
Op 26 juli 2024 voerde [verdachte] een chatgesprek met een persoon genaamd [naam 4] , waarin hij onder meer zei ‘Laat me weten hoe laat je bij mij bent’ ‘Dan laat ik [naam 5] 5 minuten later komen zodat hij dat geld heb kunnen tellen’ ‘Dus € 6000,- geef je aan [naam 5] ’ ‘€ 4000,- laat je op dezelfde plek liggen’. Nadat [naam 5] het geld kennelijk had gevonden, stuurde hij ‘Moet ik de rest
terugin kussen stoppen’. Kennelijk moest ‘ [naam 4] ’ op verzoek van [verdachte] naar zijn woning om daar geld te tellen en € 6.000,- aan een persoon genaamd ‘ [naam 5] ’ te geven en moest ‘ [naam 4] ’ € 4.000,- euro op dezelfde plek laten liggen. Vermoedelijk zat het geld in kussens.
Tenslotte is in de telefoon van [naam 1] een chat aangetroffen tussen de gebruiker van de telefoon (‘ [schuilnaam] ’; de rechtbank begrijpt [naam 1] ) en ‘ [naam 6] ’. Uit de chat blijkt dat ‘ [naam 6] ’ sieraden inkoopt die ‘ [schuilnaam] ’ te koop aanbiedt. Op 8 juli 2024 vraagt ‘ [naam 6] ’ aan ‘ [schuilnaam] ’ naar Utrecht te komen. Uit onderzoek naar de in de tijdlijn van de telefoon gedeelde locatie op 8 juli 2024 is gebleken dat op/nabij die locatie het bedrijf [naam 6] Juwelier is gevestigd. Voorts blijkt uit de chat dat ‘ [schuilnaam] ’ en ‘ [naam 6] op 7 juli 2024 in de avond contact hebben. ‘ [naam 6] ’ zegt “Morgen 4 uur”. [schuilnaam] zegt “Wat geef je voor die andere. Die jongens willen weten”.
De rol van [verdachte]
bevond zich blijkens de bewijsmiddelen op de dag van de overval in Nieuwegein, waar ook de simkaarten uit de telefoons die zijn gebruikt tijdens de overval diezelfde middag zijn geactiveerd.
Uit het onderzoek naar de boordcomputer van de taxi in combinatie met de historische gegevens van de telefoon van [medeverdachte 1] , blijkt dat [medeverdachte 1] de zaterdagavond/nacht van 22 op 23 juni 2024, de vrijdagavond/nacht van 28 op 29 juni 2024 (de twee voorverkenningen) en de avond/nacht van de overval in de omgeving van Wassenaar is geweest. Hierbij is hij telkens eerst via het adres van [medeverdachte 2] in [plaats 3] gereden, waar ook (de telefoon van) [verdachte] zich bevond.
In de avond/nacht van 22 op 23 juni 2024 is [medeverdachte 1] , alvorens hij met zijn taxi naar Wassenaar reed, eerst naar de locatie gereden waar tien dagen na de overval de witte Mercedes, die is gebruikt door de personen die de overval hebben gepleegd, brandend is aangetroffen. Vanaf deze nacht bevond de witte Mercedes zich in de Prinsenhofwijk in Leidschendam, waar de taxi van [medeverdachte 1] in de avond/nacht van 28 op 29 juni 2024 vanuit Wassenaar ook naartoe is gereden en waar de taxi zich in de nacht van de overval bevond, op enig moment ook in de nabijheid van de witte Mercedes. De rechtbank leidt hieruit af dat er kennelijk personen vanuit de plaats van de overval naar Leidschendam zijn vervoerd en vervolgens verder zijn vervoerd. De witte Mercedes werd telkens kort na aankomst van de taxi gestart om vervolgens naar de omgeving van de plaats delict te rijden.
Hoewel uit het dossier niet direct volgt dat [medeverdachte 2] en [verdachte] de personen zijn geweest die [medeverdachte 1] heeft vervoerd naar Leidschendam en Wassenaar, kan het naar het oordeel van de rechtbank echter niet anders zijn dan dat dit het geval was. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat de taxi steeds van en naar het adres van [medeverdachte 2] in [plaats 3] reed, waar [verdachte] zich blijkens zijn telefoongegevens kennelijk ook bevond, en dat de taxi tijdens de eerste voorverkenning ook via het adres van [verdachte] naar Wassenaar is gereden. De telefoons van [medeverdachte 2] en [verdachte] bevonden zich tijdens de voorverkenningen en tijdens de overval steeds in [plaats 3] , maar waren telkens gedurende deze periodes inactief.
Van [verdachte] mag worden verwacht dat hij met betrekking tot deze omstandigheden een verklaring aflegt. [verdachte] heeft bij de politie enkel een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Pas tijdens de vierde pro forma terechtzitting van 3 december 2025 – en na beschikbaarheid van het dossier – heeft [verdachte] met betrekking tot deze omstandigheden verklaard dat hij destijds in [plaats 3] een vriendin had, wat zijn aanwezigheid in de nachtelijke uren in [plaats 3] zou verklaren. De rechtbank acht de verklaring van [verdachte] op dit punt ongeloofwaardig, reeds gelet op het moment ervan. Bovendien is de verklaring onvoldoende onderbouwd, aangezien van deze vermeende vriendin behoudens de naam ‘ [naam 7] ’ geen verdere gegevens bekend zijn geworden, waardoor de verklaring ook niet geverifieerd kan worden.
Na de overval zijn zowel de Mercedes waarin de plegers van de overval zijn weggereden, als de taxi van [medeverdachte 1] op exact hetzelfde moment vanaf nabijgelegen locaties in Leidschendam vertrokken naar de snelweg, waarbij de Mercedes naar de woning van [verdachte] is gereden en de taxi naar de woning van [medeverdachte 2] is gereden.
De Mercedes is, nadat hij langs het adres van [verdachte] is gereden, uiteindelijk geparkeerd in de Slikkerveerstraat in Amsterdam, om daar uiteindelijk in brand te worden gestoken. [verdachte] heeft hierbij blijkens een in zijn telefoon aangetroffen chatgesprek, iemand opdracht gegeven om voorafgaand aan deze brand de kentekenplaten van het voertuig te verwijderen.
Uit gegevens uit de telefoon van [verdachte] is gebleken dat [verdachte] kort na de overval beschikte over grote hoeveelheden contant geld en dat hij in de avond van 7 juli 2024 kennelijk onder meer met [medeverdachte 2] iets te vieren had in de woning van [naam 1] . Uit de telefoon van [naam 1] is gebleken dat hij ( [naam 1] ) op 7 juli 2024 in de avond contact had met ‘ [naam 6] ’ die sieraden inkoopt, hij vraagt naar wat deze ‘ [naam 6] ’ “voor die andere geeft” en “dat de jongens willen weten” en er plannen worden gemaakt om de volgende dag, op 8 juli 2024, naar een locatie in Utrecht te komen waar de juwelierszaak van deze ‘ [naam 6] ’ is gevestigd. De rechtbank acht, gelet ook op de hiervoor genoemde bijeenkomst die in de avond van 7 juli 2024 bij [naam 1] thuis heeft plaatsgevonden, aannemelijk dat met “die jongens” onder andere [verdachte] en [medeverdachte 2] wordt bedoeld en dat wordt gevraagd welk bedrag voor te koop aangeboden sieraden wordt gegeven.
Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat de inzittenden van de taxi van [medeverdachte 1] en de witte Mercedes bij de overval op de bewoners van de [adres 1] te Wassenaar betrokken waren, waarbij de rechtbank met name de locaties en de tijdstippen waar beide voertuigen zich op de drie genoemde avonden/nachten bevonden, van belang acht.
Hoewel de rechtbank op basis van het dossier niet direct kan vaststellen dat [verdachte] ten tijde van de overval fysiek in (de omgeving van) Wassenaar was, kan het naar het oordeel van de rechtbank, zoals hiervoor overwogen, gelet op de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden niet anders zijn dan dat hij betrokken is geweest bij de overval. De omstandigheid dat uit de historische gegevens van de telefoon van [verdachte] niet kan worden afgeleid dat hij in Wassenaar was, omdat de telefoon kennelijk is achtergebleven in [plaats 3] , maakt dit niet anders. De rechtbank gaat ervan uit dat het onderdeel van het plan is geweest dat de telefoon van [verdachte] achterbleef in [plaats 3] .
Opzet
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat [verdachte] , die zoals hiervoor overwogen betrokken was bij de overval, ook daadwerkelijk in de woning is geweest.
Evenmin kan de rechtbank op grond van het dossier vaststellen dat [verdachte] ‘vol opzet’ heeft gehad op het (mede)plegen van de gewelddadige woningoverval. De vraag is vervolgens of [verdachte] voorwaardelijk opzet had op voornoemd delict. Daarvan is sprake als [verdachte] bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat goederen uit de woning zouden worden weggenomen en dat daarbij geweld zou worden gebruikt en/of met geweld zou worden gedreigd. De rechtbank overweegt in dat kader dat, voor zover daarvan niet blijkt uit de eigen verklaringen van een verdachte, bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat aan de overval een tevoren gemaakt, geraffineerd en grondig voorbereid plan vooraf is gegaan, waarbij telkens bij de woning van [medeverdachte 2] werd verzameld voordat men vertrok op de dagen van de voorverkenningen en de dag van de overval.
De rechtbank gaat er, gelet op zijn betrokkenheid tijdens zowel de twee voorverkenningen als op de dag van de overval, van uit dat [verdachte] in elk geval van alle logistieke onderdelen van het plan op de hoogte was.
Gelet op het tijdstip van de overval – te weten in de nachtelijke uren – acht de rechtbank meer dan aannemelijk dat de overvallers ervan uitgingen dat er op het moment van binnendringen in de woning één of meer personen in de woning aanwezig zouden zijn. Gelet op de aanwezigheid van de bewoners in die woning kon bovendien rekening gehouden worden met de mogelijkheid van verzet. Daar is bij de planning vooraf kennelijk over nagedacht, gelet op het meegenomen vuurwapen, de meegenomen koevoet en het binnengaan van de woning door daders met bivakmutsen. Naar het oordeel van de rechtbank was onder die omstandigheden de aanmerkelijke kans aanwezig dat bij de diefstal van de zeer waardevolle en grote hoeveelheid sieraden geweld zou worden gebruikt, dan wel met geweld gedreigd zou worden. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] de aanmerkelijke kans op de diefstal met geweld en bedreiging met geweld, door zijn betrokkenheid, zoals hiervoor omschreven, heeft aanvaard. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [verdachte] minst genomen voorwaardelijk opzet had op het plegen van diefstal met geweld en bedreiging met geweld in de woning aan de [adres 1] in Wassenaar.
Medeplegen
De vraag die de rechtbank ten slotte moet beantwoorden, is of [verdachte] als medepleger schuldig is aan deze woningoverval.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook als het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid
in verband plegen te worden gebracht (zoals het op de uitkijk staan en helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank – zoals hiervoor overwogen – af dat [verdachte] niet alleen op de dag van de overval, maar ook tijdens de twee voorverkenningen met mededaders in de omgeving van de plaats delict is geweest.
Na de overval hebben de daders elkaar ontmoet in de Prinsenhofwijk in Leidschendam, waarna [verdachte] met de Mercedes op exact hetzelfde moment als de betrokkenen die in de taxi zaten, is weggereden richting de snelweg. In de ochtend na de overval, op 7 juli 2024, bevond [verdachte] zich blijkens de historische gegevens van zijn telefoon, weer in de woning van [medeverdachte 2] , waar hij blijkens het hiervoor aangehaalde gesprek met ‘ [naam 2] ’ moest blijven tot z’n gast hem wat kwam geven. De rechtbank gaat ervan uit dat dit ging om contant geld dat kennelijk naar de woning van [medeverdachte 2] moest worden gebracht. Ook bevond [verdachte] zich diezelfde avond met [medeverdachte 2] in de woning van [naam 1] , waar kennelijk onder het genot van dure alcoholhoudende drank, iets gevierd werd en waarbij pakketten met bankbiljetten van verschillende coupures op tafel lagen. Die avond werd er door [naam 1] iets te koop aangeboden aan ‘ [naam 6] ’, die een juweliersbedrijf in Utrecht heeft en werd er een afspraak voor de dag erop gemaakt in Utrecht. De rechtbank gaat ervan uit dat er sieraden te koop zijn aangeboden en dat ook [verdachte] en [medeverdachte 2] wilden weten wat die sieraden zouden opleveren. Voorts beschikte [verdachte] , blijkens selfies die in zijn telefoon zijn aangetroffen, in de periode na de overval over grote hoeveelheden contant geld, terwijl uit onderzoek naar zijn financiële situatie in de periode voorafgaand aan de overval geen rooskleurig beeld naar voren komt. De rechtbank gaat er, al deze omstandigheden bij elkaar genomen, van uit dat [verdachte] kennelijk heeft gedeeld in de buit. De verklaring van [verdachte] dat hij de hoeveelheden contant geld heeft gekregen als fooitjes voor zijn (koeriers)werkzaamheden, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig, alleen al gelet op de omvang van de stapels bijeen gebonden geld, veelal in grote coupures, die op de afbeeldingen te zien zijn.
Na de overval heeft [verdachte] ten slotte tevens een rol gespeeld bij het vernietigen van bewijsmateriaal door opdracht te geven om de kentekenplaten van de witte Mercedes te laten verwijderen, alvorens deze in brand is gestoken.
[verdachte] heeft door te handelen, zoals hiervoor omschreven, zowel voor, tijdens als na de overval een wezenlijke rol gespeeld bij de uitvoering daarvan. Uit het voorgaande volgt dat [verdachte] de overval in nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders heeft gepleegd.
Conclusie feit 1
De rechtbank acht het onder 1 tenlastegelegde bewezen.
Conclusie feit 2
Tevens acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] op 17 juli 2024 aan ‘ [naam 3] ’ opdracht heeft gegeven om de kentekenplaten te verwijderen van de bij de overval gebruikte Mercedes, die daarna in brand is gestoken. Uit het chatgesprek volgt niet concreet dat [verdachte] opdracht heeft gegeven tot het in brand steken van het voertuig, waardoor de rechtbank [verdachte] zal vrijspreken van de onder 2 primair ten laste gelegde brandstichting en de onder 2 subsidiair ten laste gelegde vernieling van de Mercedes. Wel acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] , door de kentekenplaten te laten verwijderen, zich schuldig heeft gemaakt aan het meer subsidiair ten laste gelegde vernietigen van bewijsmateriaal.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 meer subsidiair ten laste gelegde feiten van oordeel dat dit deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.
hij in de periode van 6 juli 2024 tot en met 7 juli 2024 te Wassenaar, tezamen en in vereniging met anderen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, te weten de woning gelegen aan de [adres 1] , juwelen en sieraden en horloges en een telefoon die aan [aangever 1] en/of [aangever 2] toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van inklimming en een valse sleutel, welke diefstal werd vergezeld van geweld
enbedreiging met geweld tegen die [aangever 1] en [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door
- met meerdere personen en voorzien van bivakmutsen en handschoenen die [aangever 1] en [aangever 2] te overrompelen in hun woning en
- tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] te zeggen “U bent toch juwelier? Wij willen geld. Waar is het geld? Waar zijn de horloges? Waar zijn de Rolexen? Waar is de kluis? Wij willen de code van de kluis” en
- die [aangever 1] en [aangever 2] op de grond te gooien en
- meermalen met kracht tegen het lichaam van die [aangever 2] te schoppen en
- meermalen met kracht met een koevoet tegen het hoofd van die [aangever 2] te slaan en
- tegen die [aangever 1] en [aangever 2] te zeggen dat zij, verdachten, hen zouden doodmaken en
- aan die [aangever 2] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen en
- tiewraps om de polsen/handen en de enkels/voeten van die [aangever 1] en/of [aangever 2] te binden en hen aan elkaar vast te binden en hen urenlang vast te houden in de woning en
- een handdoek over de hoofden van die [aangever 1] en [aangever 2] te doen en daarbij tegen die [aangever 1] en [aangever 2] te zeggen dat zij niet mochten kijken en niet mochten bewegen anders zouden zij, verdachten, hen vermoorden en
- tegen die [aangever 2] te zeggen dat hij de code van de kluis moest geven en dat hij zou worden vermoord als hij de code niet zou zeggen en
- ( nadat [aangever 2] de verkeerde code van de kluis had genoemd) met een stanleymes, in de hand van die [aangever 2] te steken en tegen die [aangever 2] te zeggen “Geef de code anders snij ik je vinger eraf of die van je vrouw";
2. meer subsidiair
hij op 17 juli 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, nadat in de periode van 6 juli 2024 tot en met 7 juli 2024 te Wassenaar een gewelddadige woningoverval was gepleegd, met het oogmerk om de nasporing of vervolging daarvan te beletten of te bemoeilijken, een voorwerp waarmede dat misdrijf was gepleegd, te weten meerdere kentekenplaten (voorzien van kenteken [kenteken 1] ) heeft weggemaakt en aan het onderzoek van de ambtenaren van justitie of politie heeft onttrokken.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft (subsidiair) een strafmaatverweer gevoerd, inhoudende dat een lagere gevangenisstraf dan geëist dient te worden opgelegd en heeft hiertoe verwezen naar de LOVS oriëntatiepunten, uitspraken in vergelijkbare zaken en de omstandigheid dat de recidive die zichtbaar is op het strafblad van de verdachte van langer geleden is.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewelddadige woningoverval, waarbij veel sieraden en horloges (van zeer, zeer grote waarde) en een telefoon zijn weggenomen. Door zich zowel tijdens twee voorverkenningen als op de dag van de overval met bij de overval betrokken personen naar de omgeving van de plaats delict te begeven en door na de overval bewijsmateriaal aan het onderzoek door politie en justitie te onttrekken, heeft de verdachte een belangrijke rol gespeeld bij deze gewelddadige overval. Na de overval heeft de verdachte bovendien in de aanzienlijke buit gedeeld.
De overvallers zijn laat in de avond van 6 juli 2024, vermomd met bivakmutsen, de woning van de slachtoffers binnengedrongen, hebben de slachtoffers bedreigd en mishandeld, waarbij grof geweld is toegepast, onder meer door met een koevoet op het hoofd te slaan en met een stanleymes in de hand te steken. Hoewel niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zich daadwerkelijk zelf ook schuldig heeft gemaakt aan dit geweld en aan de dreiging met geweld, wordt dit hem wel toegerekend, omdat hij met zijn betrokkenheid de kans hierop voor lief heeft genomen.
Het is algemeen bekend dat slachtoffers van een dergelijke gewelddadige beroving hier nog lange tijd zowel fysiek als geestelijk last van kunnen hebben. De overval, die uren heeft geduurd, is uitermate beangstigend geweest voor de slachtoffers, zoals ook blijkt uit hun verklaringen die ter terechtzitting zijn voorgedragen. De slachtoffers hebben tijdens de overval doodsangsten uitgestaan. Naast persoonlijk leed voor de slachtoffers leidt dit soort delicten ook tot maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.
De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij, kennelijk in zijn zucht naar materieel gewin, volledig voorbij is gegaan aan de gevolgen van zijn daden voor de slachtoffers.
De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 31 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder – onder meer voor soortgelijke feiten – is veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij – ondanks deze eerdere veroordelingen en periodes in detentie – door is gegaan met het plegen van strafbare feiten. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee.
Persoon van de verdachte
Ter terechtzitting heeft de verdachte met betrekking tot zijn huidige persoonlijke omstandigheden verklaard dat hij na zijn laatste veroordeling een koeriersbedrijf is begonnen dat nu stil ligt. De verdachte heeft twee kinderen en was van plan te gaan trouwen.
LOVS-oriëntatiepunten
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld bij een woningoverval, waarbij er sprake is van ‘ander (dan licht) geweld’, een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat de woningoverval in vereniging is gepleegd, heeft plaatsgevonden in de nachtelijke uren, enkele uren heeft geduurd, heeft geresulteerd in een extreem waardevolle buit, dat gebruik is gemaakt van een (nep)vuurwapen en een mes en dat (steek)letsel is toegebracht aan een van de slachtoffers.
De rechtbank komt door genoemde omstandigheden in dit geval uit op een uitgangspunt van een gevangenisstraf voor de duur van 6,5 jaar (78 maanden).
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Alles overwegende en gelet op de strafverzwarende omstandigheden acht de rechtbank passend en geboden om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 8 jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van die gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv).

7.De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel

7.1
Vorderingen [aangever 2] en [aangever 1]
[aangever 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 93.249,25, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 68.249,25 aan materiële schade (€ 66.500,- aan weggenomen horloges en € 1.749,25 aan medische kosten) en € 25.000,00 aan immateriële schade.
[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert – na vermindering van haar eis ter terechtzitting – een schadevergoeding van € 1.991.278,14, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 1.966.278,14 aan materiële schade (€ 1.964.617,- aan weggenomen sieraden en € 1.661,14 aan medische kosten) en € 25.000,00 aan immateriële schade.
Op 13 februari 2026, na afloop van de inhoudelijke behandeling op de terechtzitting doch voor de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, heeft de raadsvrouw van de benadeelde partijen, mr. D.M.P. van Eijsden, per e-mail de vordering van [aangever 2] voor wat betreft de post weggenomen sieraden naar beneden bijgesteld naar een bedrag van € 12.000,- en heeft zij de vordering van [aangever 1] voor wat betreft de post weggenomen sieraden bijgesteld naar een bedrag van € 1.280.367,-.
Als reden hiervoor heeft zij aangevoerd dat zij in de oorspronkelijke vorderingen, abusievelijk ook de waarde van sieraden heeft meegenomen die toebehoorden aan [bedrijf 2] B.V., het voormalige bedrijf van [aangever 2] .
7.1.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met toewijzing van de gevorderde wettelijke rente. Voor wat betreft de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.1.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de behandeling van de vorderingen, voor zover deze betrekking heeft op het bedrag aan weggenomen sieraden, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat de benadeelde partijen om die reden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
Met betrekking tot de immateriële schade heeft de raadsman verzocht het bedrag te matigen tot een bedrag van € 6.000,-, hetgeen overeenkomt met de bedragen die worden voorgeschreven in de zogenoemde ‘Rotterdamse schaal’.
In reactie op de e-mail van mr. D.M.P. Van Eijsden van 13 februari 2026, waarin zij de vorderingen naar beneden heeft bijgesteld, heeft de raadsman per e-mail gereageerd dat het niet is toegestaan om na afloop van de inhoudelijke behandeling nog stukken toe te voegen aan het dossier.
7.1.3
Het oordeel van de rechtbank
De latere bijstelling van de vorderingen
Op grond van artikel 334 lid 3 Sv Pro kan de benadeelde partij haar vordering, nadat de officier van justitie overeenkomstig artikel 311 Sv Pro het woord heeft gevoerd, toelichten of doen toelichten. De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting pas op 26 februari 2026 gesloten. De rechtbank beschouwt de op 13 februari 2026 ontvangen e-mail, waarin mr. Van Eijsden de ingediende vorderingen naar beneden bijstelt, als een schriftelijke toelichting, passend binnen het nog niet gesloten onderzoek. De rechtbank acht deze schriftelijke toelichting toelaatbaar en gaat voor de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen dan ook uit van de naar beneden bijgestelde bedragen. De rechtbank merkt daarbij op dat de verlaging van de vorderingen van de benadeelde partijen de verdachte in zijn positie op zich niet benadeelt.
Materiële schade
Ten aanzien van de posten ‘weggenomen sieraden’ merkt de rechtbank op dat duidelijk is dat door de benadeelde partijen aanzienlijke schade is geleden. De rechtbank stelt vast dat de sieraden en horloges zijn getaxeerd door [naam 8] , aan de hand van foto’s. Hoewel het overgelegde taxatierapport pas op 2 december 2025 door de taxateur is ondertekend, heeft mr. Van Eijsden desgevraagd verklaard dat de daadwerkelijke taxatie vrijwel direct na de pleegdatum van de overval heeft plaatsgevonden en derhalve dus de actuele waarde betreft van de sieraden en/of horloge ten tijde van de overval.
Aangezien beide vorderingen voor wat betreft de post weggenomen sieraden geheel is gebaseerd op het taxatierapport en deze taxatie door de verdediging wordt betwist, zal de rechtbank de beide vorderingen voor zover het deze post betreft, kritisch beoordelen.
De rechtbank overweegt dat de taxatie wordt weergegeven op briefpapier van [bedrijf 2] , het voormalige bedrijf van [aangever 2] . Mr. Van Eijsden heeft ter terechtzitting mondeling toegelicht dat de taxatie desondanks is verricht door een onafhankelijke taxateur. Ter onderbouwing van de deskundigheid van de taxateur heeft zij een certificaat overgelegd, waaruit volgt dat voornoemde taxateur voldoet aan de criteria van taxateur ‘Edelstenen’, met een geldigheid van 29 oktober 2024 tot en met 29 oktober 2029. De taxatie van (gouden) sieraden en horloges van vrijwel direct na de pleegdatum, lijkt daarmee plaats te hebben gevonden buiten het deskundigheidsgebied van de taxateur en voor de ingangsdatum van de geldigheid van het certificaat.
Gelet op voornoemde omstandigheden, acht de rechtbank zich niet gebonden aan het taxatierapport voor wat betreft de waarde van de weggenomen sieraden. De rechtbank zal voor wat betreft de waarde van de sieraden gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW), omdat de omvang van de geleden (materiële) schade thans niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Gelet op de aard en de omvang van de weggenomen goederen, waarvan naar het oordeel van de rechtbank wel vaststaat dat het gaat om zeer waardevolle goederen, gaat de rechtbank uit van de helft van het gevorderde bedrag en zal zij de schade voor [aangever 2] bepalen op € 6.000,- en zal zij de schade voor [aangever 1] bepalen op € 640.183,50.
De rechtbank zal, voor zover de vorderingen betrekking hebben op de posten ‘weggenomen sieraden’, de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen. Dit deel van de vorderingen is namens de verdachte voldoende gemotiveerd betwist en namens de benadeelde partijen onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partijen de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vorderingen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partijen kunnen dit deel van de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vorderingen, voor zover deze betrekking hebben op de posten ‘medische kosten’, zijn namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden door het onder 1 primair bewezen verklaarde feit, ter grootte van de gevorderde bedragen ( [aangever 2] een bedrag van € 1.749,25 en [aangever 2] - [aangever 1] een bedrag van € 1.661,14).
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks immateriële schade hebben geleden door het bewezen verklaarde feit. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de aard en de ernst van het door de verdachte gepleegde feit meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat voor de benadeelde partijen kan worden aangenomen dat zij ‘op andere wijze’ in de persoon zijn aangetast, zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW. Dit kan aan de verdachte worden toegerekend. De rechtbank zal, gelet op de nu beschikbare onderbouwing van de vordering, vergelijkbare gevallen uit de rechtspraak en met inachtneming van de zogenoemde ‘Rotterdamse schaal’, de immateriële schade van de benadeelde partijen op dit moment naar billijkheid vaststellen op € 10.000,- per persoon en zal de benadeelden voor wat betreft de immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Conclusie benadeelde partij [aangever 2]
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering van [aangever 2] toewijzen tot een bedrag van € 17.749,25, bestaande uit € 7.749,25 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 juli 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Omdat de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn ze daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
De verdachte zal voor het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 17.749,25, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 juli 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
ten behoeve van [aangever 2] .
Conclusie benadeelde partij [aangever 1]
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering van [aangever 1] toewijzen tot een bedrag van € 651.844,64, bestaande uit € 641.844,64 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 juli 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Omdat de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn ze daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
De verdachte zal voor het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 651.844,64, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 juli 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever 1] .
7.2
Vordering [benadeelde 1]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces, maar heeft geen concreet bedrag aan schade gevorderd.
7.2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij.
7.2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich niet uitgelaten over deze vordering.
7.2.3
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij heeft in zijn verzoek tot schadevergoeding aangegeven dat hij materiële schade heeft geleden. Deze schadepost is niet toegelicht en er is geen concreet bedrag gevorderd.
De rechtbank ziet geen aanleiding gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid, aangezien de benadeelde geen feiten heeft gesteld waaruit de omvang van de schade kan worden afgeleid. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de omvang van de vordering alsnog te concretiseren en nader te onderbouwen, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en bepalen dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 189 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 primair en subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 meer subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming en valse sleutels;
ten aanzien van feit 2 meer subsidiair:
nadat enig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarmede het misdrijf is gepleegd, wegmaken en aan het onderzoek van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
8 (acht) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
vordering benadeelde partij [aangever 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2] deels toe tot een bedrag van € 17.749,25 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 juli 2024, te betalen aan [aangever 2] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 17.749,25, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 juli 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
vordering benadeelde partij [aangever 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 651.844,64 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 juli 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 1] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 651.844,64, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 juli 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 355 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
vordering benadeelde partij [benadeelde 1]
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. V.J. de Haan, voorzitter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
mr. J.J. Balfoort, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N. de Jong, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 maart 2026.