De rechtbank Den Haag behandelde op 10 februari 2026 een verzoek tot wijziging van de zorgregeling voor twee minderjarige kinderen. De moeder verzocht de zorgregeling te wijzigen zodat de kinderen meer tijd bij de vader zouden doorbrengen, met specifieke dagen en vakanties. De ouders oefenden gezamenlijk gezag uit en hadden een flexibel ouderschapsplan uit 2023.
De voorlopige voorziening werd ingetrokken, waarna de bodemprocedure werd voortgezet. De rechtbank constateerde dat de zorgregeling niet goed werd nagekomen en dat er praktische problemen waren, wat een wijziging van omstandigheden vormde. De vader verzette zich niet tegen wijziging, maar wel tegen de voorgestelde concrete invulling van de zorgregeling.
Na een zitting en schorsing bereikten de ouders gedeeltelijke overeenstemming over de zorgregeling: zolang de vader geen geschikte woonruimte had, zouden de kinderen in het weekend van 12 tot 20 uur bij hem verblijven; bij geschikte woonruimte zou dit veranderen naar zaterdag 11 uur tot zondag 20 uur met overnachting. Over de vakanties bleven zij verdeeld, maar de rechtbank stelde vast dat de kinderen drie weken zomervakantie en één extra vakantieweek bij de vader zouden doorbrengen.
De rechtbank wijzigde de beschikking van juni 2023 en verklaarde de nieuwe regeling uitvoerbaar bij voorraad, wijzend het overige verzoek af.