ECLI:NL:RBDHA:2026:518

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
NL25.43198
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • N. van Luijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure met proceskostenveroordeling

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 2 september 2025 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in tegen deze beslissing en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De rechtbank behandelde het verzoek en het beroep op 4 en 15 december 2025, waarbij ook een tolk aanwezig was. Op 14 januari 2026 deed de rechtbank uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL25.43197) en verklaarde het beroep gegrond, waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig was.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af, maar veroordeelde de minister in de proceskosten die verzoeker had gemaakt voor het indienen van het verzoekschrift, vastgesteld op € 934,-. De rechtbank hield rekening met de samenhang van de zaken en eerdere proceskostenveroordelingen in de hoofdzaak.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open, waarmee de beslissing definitief is geworden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,-.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43198

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [v-nummer], verzoeker,

(gemachtigde: mr. B.H. Werink),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het besluit van 2 september 2025 de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. De rechtbank heeft het verzoek, samen met het beroep, op 4 december 2025 op zitting en op de nadere zitting van 15 december 2025 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Aan de nadere zitting heeft ook een tolk deelgenomen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.43197, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig.
4. De rechtbank ziet, gelet op de gegrondverklaring van het beroep, aanleiding om de minister ook in deze procedure te veroordelen in de proceskosten die verzoeker in dit verband heeft gemaakt met het indienen van zijn verzoekschrift. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank overweegt daarbij dat sprake is van samenhangende zaken en dat in de beroepszaak al een anderhalve punt is toegekend voor het tweemaal verschijnen ter zitting

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. van Luijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.