ECLI:NL:RBDHA:2026:518
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- N. van Luijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure met proceskostenveroordeling
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 2 september 2025 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in tegen deze beslissing en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De rechtbank behandelde het verzoek en het beroep op 4 en 15 december 2025, waarbij ook een tolk aanwezig was. Op 14 januari 2026 deed de rechtbank uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL25.43197) en verklaarde het beroep gegrond, waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig was.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af, maar veroordeelde de minister in de proceskosten die verzoeker had gemaakt voor het indienen van het verzoekschrift, vastgesteld op € 934,-. De rechtbank hield rekening met de samenhang van de zaken en eerdere proceskostenveroordelingen in de hoofdzaak.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open, waarmee de beslissing definitief is geworden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,-.