ECLI:NL:RBDHA:2026:5198

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
C/09/696503 / JE RK 25-2167
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en toetsing opvoedbesluit minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde op 10 februari 2026 het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de oma vaderszijde. De minderjarige is sinds maart 2025 uit huis geplaatst vanwege ernstige zorgen over de opvoedomgeving en de psychische problematiek van de moeder. De moeder is recentelijk opgenomen geweest in een ggz-instelling en ontvangt ambulante behandeling. De vader heeft geen eigen woning, maar onderhoudt dagelijks contact met de minderjarige.

De gecertificeerde instelling verzocht tevens om het opvoedbesluit te toetsen, waarin is vastgesteld dat terugplaatsing bij de moeder niet haalbaar is. De moeder betwistte dit en gaf aan dat zij positieve stappen zet en graag weer volledig voor de minderjarige wil zorgen. De vader onderschreef het belang van stabiliteit voor de minderjarige en steunt uitbreiding van contactmomenten met de moeder.

De rechtbank oordeelde dat verlenging van de machtiging noodzakelijk is vanwege de nog prille stabiliteit van de moeder en het ontbreken van een eigen woning bij de vader. De minderjarige ontwikkelt zich positief bij de oma vaderszijde. Het opvoedbesluit werd niet onderschreven omdat geen perspectiefonderzoek heeft plaatsgevonden en de moeder positieve ontwikkelingen toont. De rechtbank benadrukte het belang van verdere opbouw van contactmomenten en een zorgregeling met betrokkenen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en tegen deze beslissing staat hoger beroep open.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing tot 10 oktober 2026 en wijst het opvoedbesluit af vanwege positieve ontwikkelingen bij de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/696503 / JE RK 25-2167
Datum uitspraak: 10 februari 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. I.G.M. van Gorkum uit Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. D.G.M. van den Hoogen uit Leiden.
De rechtbank merkt als informant aan:
[de oma vaderszijde],
hierna te noemen: de oma vaderszijde.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 december 2025;
  • de brief van de advocaat van de moeder met aanvullende producties, ontvangen op 6 februari 2026.
Na de mondelinge behandeling en de aansluitende mondelinge uitspraak op 10 februari 2026 heeft de rechtbank van de (advocaat) van de moeder en van de stiefvader nog stukken ontvangen. De rechtbank heeft – nog daargelaten dat de stiefvader niet tot de gerechtigden behoort om stukken in deze procedure in te dienen – deze stukken niet bij haar beslissing kunnen betrekken en heeft daarom na de zitting geen acht meer op deze stukken geslagen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
  • [naam 2], de stiefvader van de moeder, en [naam 3], de zus van de moeder, als toehoorders;
De oma vaderszijde is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de oma vaderszijde wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige], blijkens een aantekening in het gezagsregister.
2.3.
[minderjarige] verblijft bij de oma vaderszijde.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 10 oktober 2026 en bij diezelfde beschikking de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 22 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De gecertificeerde instelling verzoekt ook om het geformuleerde opvoedbesluit te beoordelen. Dit besluit houdt in dat de gecertificeerde instelling niet meer werkt aan een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, schriftelijk en ter zitting, als volgt gemotiveerd. [minderjarige] is in maart 2025 uithuisgeplaatst, omdat er grote zorgen bestonden over haar opvoedomgeving en de psychische problematiek van de moeder. [minderjarige] verblijft daarom sindsdien bij de oma vaderszijde en het gaat hier goed met [minderjarige]. De vader heeft (nog) geen eigen woning, maar hij ziet [minderjarige] dagelijks. De vader volgt een traject bij de gemeente, waardoor hij in 2026 in aanmerking komt voor een woning. De moeder is gedurende ongeveer twee maanden met een zorgmachtiging opgenomen geweest in een ggz-instelling en zij ontvangt momenteel ambulante behandeling van [zorginstantie 1]. Onlangs zijn begeleide contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder opgestart en deze verlopen goed. Daarom is besloten om de contactmomenten uit te breiden. De moeder en [minderjarige] hebben nu eens in de week voor de duur van anderhalf uur een begeleid contactmoment samen. Er wordt door pleegzorg gezien dat het de moeder lukt om aan te sluiten bij de behoeftes van [minderjarige] en dat [minderjarige] zich veilig voelt bij de moeder. De gecertificeerde instelling heeft toegelicht dat de moeder sinds kort goed in contact staat met de gecertificeerde instelling en ook toestemming heeft gegeven aan [zorginstantie 1] om gegevens uit de wisselen met de gecertificeerde instelling. Dit was lange tijd anders. Hierdoor is er nu meer zicht op hoe het met de moeder gaat en vinden er fysieke afspraken plaats tussen de moeder en de gecertificeerde instelling. Hoewel de moeder positieve stappen zet, heeft de gecertificeerde instelling zorgen over hoe de toekomst eruit komt te zien. De ontwikkeling van de moeder is pril, haar psychische gesteldheid is (nog) niet stabiel en er loopt momenteel nog een zorgmachtiging. Daarbij is er bij de moeder een patroon bekend dat op het moment dat zij wordt getriggerd zij terug kan vallen in haar oude gedragspatronen. De moeder kan zich dan onvoldoende aan de afspraken houden, zij heeft dan de neiging om te stoppen met het nemen van haar voorgeschreven medicatie en houdt het contact met haar netwerk af. De grote zorg is dat het de moeder niet lukt om structureel voldoende beschikbaar te zijn voor [minderjarige] en beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige]. De gecertificeerde instelling acht een terugkeer van [minderjarige] naar de moeder niet haalbaar en zij vindt het van belang dat het opvoedbesluit door de rechtbank wordt onderschreven, opdat het voor [minderjarige] duidelijk is dat zij niet bij de moeder gaat opgroeien. Op dit moment is dat niet passend, maar dat betekent niet dat in de toekomst niet kan worden gekeken of thuisplaatsing mogelijk is. Het uitgangspunt is dat de plaatsing van [minderjarige] bij de oma vaderszijde wordt gecontinueerd. Wel acht de gecertificeerde instelling het van belang dat de moeder blijvend een betekenisvolle rol in het leven van [minderjarige] gaat spelen. Het is nodig dat wordt bekeken welke rol de moeder in de opvoeding van [minderjarige] kan gaan spelen en welke vorm van contact daarbij passend is. De komende periode zal gebruikt worden om te bekijken of de contactmomenten in tijd en ruimte kunnen worden uitgebreid en of deze ook onbegeleid kunnen gaan plaatsvinden. Ook zal de gecertificeerde instelling gaan kijken welke rol de vader kan gaan spelen en welke zorgregeling tussen de vader en de moeder passend is. Desgevraagd heeft de gecertificeerde instelling aangegeven dat [zorginstantie 2] mogelijk nog onderzoek hiernaar gaat verrichten. De gecertificeerde instelling verzoekt daarom om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot het einde van de ondertoezichtstelling, omdat [minderjarige] op dit moment niet bij één van de ouders kan gaan wonen.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. Het contact met zowel de gecertificeerde instelling als met de vader is de afgelopen periode verbeterd. De moeder vindt het niet moeilijk dat er naar betrokkenen openheid is over haar psychische problematiek. De vader weet van haar achtergrond en hij heeft eerder aan de bel getrokken toen het niet goed ging met haar. Zij staat erachter om een plan op te stellen met alle betrokkenen voor het geval het minder goed gaat met haar. De moeder vindt het fijn dat [minderjarige] een goede band heeft met de oma vaderszijde, maar zij wil niets liever dan dat [minderjarige] terugkeert naar haar. Zij heeft altijd (goed) voor [minderjarige] gezorgd, ook als het minder met haar zelf ging. Daarbij hadden de vader en de moeder goede afspraken over wanneer [minderjarige] bij (één van) hen verbleef en de moeder zou willen dat beide ouders in de toekomst weer een rol spelen in het leven van [minderjarige]. De moeder kan niet wachten om weer (volledig) voor [minderjarige] te zorgen, maar zij begrijpt dat dit niet van de ene op de andere dag kan en dat dit tijd nodig heeft. De moeder kan zich dan ook niet vinden in het genomen opvoedbesluit van de gecertificeerde instelling. Het opvoedbesluit had in dit stadium niet genomen moeten worden. [minderjarige] is pas een jaar uithuisgeplaatst en de bedoeling is dat de moeder op termijn weer voor [minderjarige] gaat zorgen, mogelijk met een co-ouderschapregeling met de vader en met de oma vaderszijde. De advocaat verzoekt dan ook om dit opvoedbesluit niet te onderschrijven.
4.2.
De vader heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De vader wil het beste voor [minderjarige] en hij vindt het van belang dat er stabiliteit is voor [minderjarige]. Op dit moment is het niet mogelijk dat [minderjarige] bij een van de ouders gaat wonen. De vader heeft geen eigen woning en hij kan daardoor [minderjarige] geen stabiliteit bieden. De vader staat wel op de wachtlijst voor een woning in de [regio], maar het is nog afwachten wanneer er een woning beschikbaar komt voor de vader. Het contact tussen de ouders verloopt goed en de vader wenst dat de moeder een betekenisvolle rol in het leven van [minderjarige] blijft spelen. De vader is er niet op tegen als [minderjarige] ook op korte termijn al bij de moeder gaat logeren. Op dit moment is het contactmoment van anderhalf uur te weinig voor [minderjarige] en de moeder. Zolang de moeder haar medicatie neemt en in contact blijft met haar behandelaren, heeft de vader weinig zorgen over de moeder. Het is wel van belang dat hierop wordt toegezien. Hoewel de vader in staat is om aan de bel te trekken als dit nodig is, heeft hij gemerkt dat hij tegen muren aanloopt door de manier waarop het zorgsysteem is ingericht. Als de moeder niet geholpen wil worden, dan kan de vader niks betekenen voor de moeder. De vader streeft nog steeds naar een co-ouderschapregeling met de moeder, maar voor nu vindt de vader het belangrijk dat [minderjarige] de stabiliteit bij de oma vaderszijde behoudt.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. [minderjarige] is opgegroeid in een onrustige en instabiele opvoedsituatie. De moeder kampt met psychische problematiek. Blijkens de door de moeder overgelegde medische informatie is sprake van een schizoaffectieve stoornis, bipolaire/depressieve type. Zij is hiervoor recentelijk kortdurend met een zorgmachtiging opgenomen geweest in een ggz-instelling en zij krijgt thans ambulante behandeling. Op momenten van ontregeling lukt het haar niet, althans onvoldoende, om beschikbaar te zijn voor [minderjarige]. De vader heeft geen eigen woning, waardoor hij op dit moment ook niet de stabiliteit aan [minderjarige] kan bieden. [minderjarige] verblijft daarom nu sinds 22 maart 2025 bij de oma vaderszijde. Bij de oma vaderszijde krijgt zij de stabiliteit en rust die zij nodig heeft en zij ontwikkelt zich hier positief. De moeder heeft de afgelopen periode zichtbaar hard aan zichzelf gewerkt en duidelijk is dat zij positieve stappen heeft gezet. De moeder werkt mee aan behandeling bij [zorginstantie 1], zij neemt haar medicatie zoals voorgeschreven en uit de stukken blijkt dat er op dit moment geen ernstige zorgen bestaan over stemmings-of psychotische klachten. Hoewel dit lange tijd anders was, is ter zitting gebleken dat de moeder sinds kort weer goed in contact staat met de gecertificeerde instelling en met de vader. De moeder heeft daarbij toestemming gegeven aan de gecertificeerde instelling om contact op te nemen met de behandelaar van de moeder, waardoor er (meer) zicht is op de situatie van de moeder. Daarnaast zijn recent begeleide contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder opgestart en uit overgelegde stukken en het besprokene ter zitting blijkt dat de contactmomenten goed verlopen. Duidelijk is dat er een hechte band is tussen [minderjarige] en haar moeder en dat [minderjarige] haar moeder heeft gemist. Er is zichtbaar warm contact tussen hen en de moeder kan goed aansluiten bij [minderjarige]. Om die reden zijn begeleide contactmomenten recent uitgebreid naar eens in de week voor de duur van anderhalf uur. Binnenkort zullen de contactenmomenten (opnieuw) worden uitgebreid, waarbij de gecertificeerde instelling heeft aangegeven te onderzoeken of de contactmomenten onbegeleid kunnen gaan plaatsvinden. De rechtbank onderschrijft het belang van opbouw naar onbegeleide contacten onder de huidige omstandigheden. Wel acht de rechtbank een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk. Hoewel de moeder belangrijke stappen heeft gezet, zij in behandeling is bij [zorginstantie 1] en met medicatie thans stabiel lijkt te zijn en de gecertificeerde instelling achter een uitbreiding van de contactmomenten staat, wordt [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. De opname van de moeder bij een ggz-instelling is recent geëindigd en zij ontvangt thans ambulante behandeling. De stabiliteit van de moeder is daarom nog pril, zij is pas recent in contact gekomen met de gecertificeerde instelling en heeft pas recent openheid gegeven over haar psychische situatie. Dit maakt dat de zorgen over de thuissituatie bij de moeder nog niet volledig zijn weggenomen en de moeder [minderjarige] op dit moment nog niet de stabiliteit kan bieden die [minderjarige] nodig heeft. Ook de vader kan [minderjarige] op dit moment niet de stabiliteit bieden die zij nodig heeft. De vader heeft nog steeds geen eigen woning, maar hij staat wel op de wachtlijst voor een woning in de [regio] en de verwachting is dat hij dit jaar nog een woning krijgt toegewezen. De rechtbank is – gelet op het voorgaande – van oordeel dat een thuisplaatsing op dit moment nog niet aan de orde is en dat het voor nu noodzakelijk is dat het verblijf van [minderjarige] bij de oma vaderszijde wordt gecontinueerd. De rechtbank zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen zoals verzocht.
5.3.
De gecertificeerde instelling heeft daarnaast aan de rechtbank verzocht om zich uit te laten over het genomen opvoedbesluit, waarin is vastgesteld dat het perspectief van [minderjarige] niet meer ligt in thuisplaatsing bij de moeder. De rechtbank onderschrijft het opvoedbesluit niet en legt hieronder uit waarom. De rechtbank stelt voorop dat [minderjarige] pas sinds maart 2025 uit huis is geplaatst en dat geen perspectiefonderzoek heeft plaatsgevonden voorafgaand aan het opvoedbesluit. Verder is uit de overgelegde stukken en het besprokene ter zitting – zoals hiervoor ook benoemd – gebleken dat de moeder de afgelopen periode positieve stappen heeft gezet. De moeder krijgt behandeling, heeft meer stabiliteit en geeft openheid over haar psychische gezondheid en zij staat inmiddels in goed contact met de gecertificeerde instelling. Ook de contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder verlopen goed en zullen binnenkort worden uitgebreid waarbij onbegeleide contacten – ook naar het oordeel van de rechtbank – in de rede liggen. Op dit moment is derhalve geen sprake van een eindsituatie, waarin al kan worden geconcludeerd dat er geen mogelijkheid is tot een terugkeer van [minderjarige] naar de moeder. In dit licht overweegt de rechtbank evenzeer dat de gecertificeerde instelling op de zitting ook heeft bevestigd dat de komende tijd gekeken moet worden welke rol de beide ouders in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] kunnen spelen, welke zorgregeling met de vader en de moeder in het belang van [minderjarige] is en of terugkeer van [minderjarige] naar (één van) de ouders in haar belang is. Het genomen opvoedbesluit draagt om die reden ook niet bij aan de door de gecertificeerde instelling genoemde behoefte van [minderjarige] aan duidelijkheid over waar zij zal gaan opgroeien. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het nemen van een opvoedbesluit (nog) niet aan de orde.
5.4.
De rechtbank acht het de komende periode van belang dat wordt gewerkt aan een opbouw van de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] en aan een heldere zorgregeling met de beide ouders, waarbij ook personen uit het netwerk van de beide ouders (zoals de grootmoeder vaderszijde, de stiefvader en de zus van de moeder) een rol kunnen spelen. Op de zitting is besproken dat op korte termijn een groot overleg gaat plaatsvinden met onder meer de gecertificeerde instelling, de ouders en het netwerk van de ouders. Tijdens dat overleg kan worden nagedacht over een zorgregeling in verschillende scenario’s, zoals voor het geval de moeder (onverhoopt) uit contact treedt met haar behandelaar (en ook geen medicatie meer accepteert), en voor het geval de vader een woning krijgt en de rol van het netwerk in de verschillende scenario’s. De rechtbank onderstreept hierbij het belang dat de moeder zich blijft inzetten om haar positieve ontwikkeling te bestendigen, waarvoor het (onder meer) nodig is dat zij haar behandeling bij [zorginstantie 1] voortzet en (blijvend) haar medicatie accepteert en in contact blijft met de gecertificeerde instelling.
5.5.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 10 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 door mr.drs. W.G. de Boer, mr. M.M. Meijers en mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. R.M. Goossen als griffier, en op schrift gesteld op 23 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.