De rechtbank Den Haag behandelde op 10 februari 2026 het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de oma vaderszijde. De minderjarige is sinds maart 2025 uit huis geplaatst vanwege ernstige zorgen over de opvoedomgeving en de psychische problematiek van de moeder. De moeder is recentelijk opgenomen geweest in een ggz-instelling en ontvangt ambulante behandeling. De vader heeft geen eigen woning, maar onderhoudt dagelijks contact met de minderjarige.
De gecertificeerde instelling verzocht tevens om het opvoedbesluit te toetsen, waarin is vastgesteld dat terugplaatsing bij de moeder niet haalbaar is. De moeder betwistte dit en gaf aan dat zij positieve stappen zet en graag weer volledig voor de minderjarige wil zorgen. De vader onderschreef het belang van stabiliteit voor de minderjarige en steunt uitbreiding van contactmomenten met de moeder.
De rechtbank oordeelde dat verlenging van de machtiging noodzakelijk is vanwege de nog prille stabiliteit van de moeder en het ontbreken van een eigen woning bij de vader. De minderjarige ontwikkelt zich positief bij de oma vaderszijde. Het opvoedbesluit werd niet onderschreven omdat geen perspectiefonderzoek heeft plaatsgevonden en de moeder positieve ontwikkelingen toont. De rechtbank benadrukte het belang van verdere opbouw van contactmomenten en een zorgregeling met betrokkenen.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en tegen deze beslissing staat hoger beroep open.