Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaken tussen
[eiseres] B.V., voormalig statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
- Er is sprake van een onrechtmatige risicoselectie door verweerder. Immers, eiseres is voor controle geselecteerd op basis van het risicoselectiemodel ‘OB Negatief’. Dat betreft een volledige geautomatiseerd model, wat in strijd is met – onder meer – de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en Europese wet- en regelgeving dan wel jurisprudentie (het Schufa-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie). Hierom moet de op basis hiervan genomen selectiebeslissing en het daaropvolgende boekenonderzoek buiten beschouwing worden gelaten, waarmee de grondslag voor de opgelegde correcties en/of naheffingen komt te vervallen.
- Bij het huisbezoek dat is afgelegd voor het inleidend gesprek voor het boekenonderzoek is de controlerend ambtenaar onrechtmatig (in strijd met artikel 12 van Pro de Grondwet alsook artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)) de woning van de dga binnengetreden, zodat het daarmee verkregen bewijs onrechtmatig is en niet mag worden gebruikt.
- Verweerder heeft de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, met name het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel, door geen signalen, criteria of interne stukken te overleggen die de selectie van eiseres voor de controle onderbouwen.
- Verweerder heeft informatie achtergehouden en niet alle stukken overgelegd, zodat sprake is van een schending van artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- Het onderzoek is voortgezet ook nadat eiseres was ontbonden, hetgeen juridisch onmogelijk is (zie artikel 2:19 BW Pro); ook daarom zijn de bevindingen uit het onderzoek nietig en onbruikbaar.
7.2.1.11 Conclusie rechtmatigheid gebruik OB negatief
Ik heb hem slechts eenmaal bezocht op zijn woonadres ten behoeve van het inleidende gesprek. Dit vond met diens goedkeuring plaats in zijn woning te [plaats] . Het betreft een seniorenwoning, met naar mijn weten twee woonlagen. Ik behoefde mij niet te legitimeren, werd ook niet naar gevraagd door [de dga]. We zijn direct vanuit de hal na de voordeur de trap opgelopen naar zijn werkruimte welke zich op de zolderetage bevindt. Andere ruimten zijn door mij absoluut niet betreden.”
Dat het bezoek – en de inlichtingen en gegevens die daarbij zijn dan wel zouden kunnen worden verkregen – ook van invloed kon zijn op een latere boeteoplegging, maakt dit niet anders. Dat maakt ook niet dat de controlemedewerker meer dan wel andere mededelingen aan eiseres/de dga had moeten doen omtrent de aard en strekking van zijn bezoek. De controlemedewerker bezocht eiseres immers voor het inleidende gesprek van het boekenonderzoek, zoals vooraf ook was aangekondigd en afgesproken. Daarbij komen de door verweerder gemaakte correcties en opgelegde boetes voort uit de administratie die de dga heeft overgelegd op grond van artikel 47 van Pro de AWR. Dergelijk wilsonafhankelijk materiaal mag in een later stadium voor boeteoplegging worden gebruikt. Ook deze beroepsgrond treft dus geen doel.
voorgenomen uitspraak op bezwaar tegen naheffingsaanslagen 2018, 2019, 2020, 2021 en 2022’ van 9 april 2025’ en ‘
toelichting bij uitspraak op bezwaar tegen naheffingsaanslagen 2018, 2019, 2020, 2021 en 2022’ van 25 juni 2025 (hierna gezamenlijk te noemen: de brieven) zijn die correcties benoemd en toegelicht. Gelet op alles wat in deze stukken – waarvan afschriften tot de gedingstukken behoren – naar voren is gebracht over de bewuste correcties, acht de rechtbank de door verweerder bij de naheffingsaanslagen toegepaste correcties voldoende onderbouwd en daarmee is voor de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de correcties terecht zijn toegepast. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat eiseres in beroep – ook niet uiteindelijk ter zitting – tegen de specifieke correcties geen concrete stellingen heeft aangevoerd, maar in feite volstaat met de algemene stelling dat de correcties zijn gebaseerd op onjuiste/ondeugdelijke administratieve bescheiden en daarom niet juist zijn. Dat is voor de rechtbank onvoldoende om de correcties toch niet juist en aannemelijk te vinden.