Eiseres maakte bezwaar tegen de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghoudster voor het verbouwen van een bedrijfsruimte tot woning, het wijzigen van de voorgevel en tuinmuur, en het toevoegen van een parkeerplaats op eigen terrein. De vergunning werd verleend door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, ondanks dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan "Gemengd-2".
De rechtbank oordeelde dat de aanvraag omgevingsvergunning vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet was ingediend, zodat de oude Wabo van toepassing bleef. De vergunning kon worden verleend op grond van artikel 2.12 Wabo, mits de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank stelde vast dat het bouwplan inderdaad in strijd was met het bestemmingsplan, maar dat het college de vergunning terecht had verleend.
Eiseres voerde onder meer aan dat de verkeersveiligheid in de straat zou worden aangetast door het bouwplan, mede door een onjuiste inschatting van de straatbreedte en het aantal garages. De rechtbank vond echter dat de verkeersveiligheid niet in het geding was, mede omdat er een parkeerplaats op eigen terrein was en de straat rustig was.
Daarnaast stelde eiseres dat het college in 2021 nog niet akkoord ging met het toestaan van een woonfunctie in een bedrijfsruimte vanwege het belang van het behoud van bedrijfsruimten. De rechtbank overwoog dat elke aanvraag op zijn eigen merites moet worden beoordeeld en dat de huidige situatie, met een krappe woningmarkt en een verwaarloosd pand, een andere beoordeling rechtvaardigt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter D.A.J. Overdijk op 10 maart 2026.