ECLI:NL:RBDHA:2026:5212
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening voor behoud opvang en uitstel van vertrek minderjarige vreemdeling
Verzoekster, een minderjarige vreemdeling met sikkelcelziekte, had een verzoek om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 ingediend, dat op 31 januari 2024 werd afgewezen. Tijdens de bezwaarprocedure werd haar opvang door het COa per 12 maart 2026 stopgezet, waarna zij dreigde te worden overgeplaatst naar een vrijheidsbeperkende locatie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van onverwijlde spoed en een spoedeisend belang bij toewijzing van de voorlopige voorziening. De minister verzette zich niet tegen het rechtmatig verblijf van verzoekster gedurende de bezwaarprocedure, maar wel tegen het voortzetten van de opvang.
Na belangenafweging, waarbij het minderjarig zijn van verzoekster, haar medische situatie, het BMA-advies en het ontbreken van concrete tegenbelangen van de minister werden meegewogen, besloot de voorzieningenrechter het verzoek toe te wijzen. Verzoekster behoudt daarmee het recht op opvang en wordt behandeld alsof uitstel van vertrek is verleend totdat op bezwaar is beslist.
De minister werd tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster ad € 934. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, verzoekster behoudt opvang en uitstel van vertrek gedurende bezwaarprocedure.