Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5266

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
25-23779
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep verblijfsdocument

De rechtbank Den Haag heeft op 13 maart 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende een verzoek om proceskostenvergoeding. Verzoeker had beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER. Nadat de minister op 29 december 2025 alsnog een besluit nam, trok verzoeker zijn beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat niet aan de voorwaarden voor beroep tegen niet tijdig beslissen was voldaan. Hoewel de minister tegemoet was gekomen aan het verzoek door alsnog een besluit te nemen, was er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroepschrift was niet ingediend door een derde met beroepsmatige rechtsbijstand en er waren geen proceskosten aangetoond die voor vergoeding in aanmerking kwamen.

De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk ongegrond af, maar bepaalde dat de minister het betaalde griffierecht van €194 aan verzoeker moet vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter A.G.D. Overmars en griffier A.W. Landman zonder zitting. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen, wel vergoeding van griffierecht aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/23779

uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen

[naam], verzoeker

V-nummer: [nummer],
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om de minister te veroordelen in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER. Verzoeker heeft het beroep ingetrokken, omdat verweerder op 29 december 2025 alsnog een besluit heeft genomen.
1.1.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Onder welke voorwaarden kan een verzoek tot vergoeding van de proceskosten worden ingediend?
2. Verzoeker heeft zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen ingetrokken, omdat de minister door het nemen van een besluit tegemoet is gekomen aan zijn verzoek. Verzoeker heeft daarbij gevraagd om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten. [2]
3. Als niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit, bestaat geen recht op een vergoeding van de proceskosten.
Moet de minister de proceskosten van verzoeker vergoeden?
4. De minister is weliswaar tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker, maar
toch bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroepschrift is niet ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent en ook verder is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen zoals bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af.
5. De minister moet het door de verzoeker betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

  • de rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af;
  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier.
griffier
rechter
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Awb, nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).