ECLI:NL:RBDHA:2026:5301
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding wegens niet tijdig besluit vreemdelingenmachtiging
Verzoeker stelde op 24 mei 2024 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor meerdere personen. De rechtbank verklaarde dit beroep gegrond en gaf de minister een termijn van acht weken om alsnog een besluit te nemen. Toen de minister ook na deze termijn niet had besloten, stelde verzoeker op 18 mei 2025 opnieuw beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
Op 24 februari 2026 nam de minister alsnog een besluit op de aanvraag. Verzoeker trok daarop het beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank oordeelde dat de minister door het alsnog nemen van het besluit aan verzoeker tegemoet was gekomen en dat het verzoek om proceskostenvergoeding kennelijk gegrond was.
De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van € 467 aan proceskosten, gebaseerd op een puntensysteem voor beroepsmatige rechtsbijstand met een lichte wegingsfactor. Daarnaast wees de rechtbank erop dat de minister verplicht is het griffierecht van € 194 te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter W.H. Bel op 12 maart 2026.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 467 aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen op de aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf.