AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot wijziging kinderalimentatie en toewijzing nabetaling
De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vrouw tot wijziging van de kinderalimentatie voor haar jong-meerderjarige kind, waarbij zij stelde dat de afspraken vanaf 2019 niet voldeden aan de wettelijke maatstaven vanwege de gestegen inkomsten van de man. De man betwistte dit en voerde verweer.
De rechtbank stelde vast dat de vrouw ontvankelijk was in haar verzoek en beoordeelde vervolgens of sprake was van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Uit de berekeningen van de behoefte van het kind in 2019 en 2022 bleek dat de door de man betaalde alimentatie niet in evidente wanverhouding stond tot de behoefte, mede omdat de vrouw een deel van de kosten droeg en de man ook extra kosten betaalde.
De rechtbank oordeelde dat geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden was opgetreden die een wijziging van de alimentatie rechtvaardigde. Wel werd vastgesteld dat de man sinds juli 2023 de overeengekomen bijdrage niet meer had voldaan, zodat hij werd veroordeeld tot betaling van een nabetaling van €5.005,- inclusief wettelijke indexering.
Tot slot werd geoordeeld dat de overeengekomen alimentatieovereenkomst niet automatisch converteert in een bijdrage na meerderjarigheid van het kind, omdat het geen rechterlijke beslissing betrof. De rechtbank bepaalde dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Verzoek tot wijziging kinderalimentatie afgewezen, man veroordeeld tot betaling nabetaling van €5.005,- inclusief wettelijke indexering.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-3113
Zaaknummer: C/09/665598
Datum beschikking: 11 februari 2026 (bij vervroeging)
Alimentatie
Beschikkingop het op 26 april 2024 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.F. van Galen te Alphen aan den Rijn.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de man],
de man,
volgens de basisregistratie personen (BRP) sinds 2023 geëmigreerd naar [land] ,
advocaat: mr. H. Zobuoglu te Amsterdam.
[jongmeerderjarige] ,
de jong-meerderjarige, hierna ook: [jongmeerderjarige] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.F. van Galen te Alphen aan den Rijn.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift;
het F9-bericht van de vrouw van 28 mei 2024, met als bijlage een door [jongmeerderjarige] ondertekende machtiging;
het F9-bericht van de vrouw van 24 juli 2024, met bijlage;
- het F9-bericht van de man van 5 augustus 2024, met bijlage;
- het F9-bericht van de man van 10 januari 2026, met bijlagen;
- het F9-bericht van de vrouw van 13 januari 2026, met bijlagen.
Op 20 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat, vergezeld van mr. K. Beumer;
[jongmeerderjarige] , bijgestaan door zijn advocaat.
Van de zijde van de vrouw en de man zijn pleitnotities overgelegd.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt:
- primair:tussen partijen de alimentatieafspraken, zoals genoemd onder randnummer 12 van het verzoekschrift in trekken, althans (met terugwerkende kracht) te wijzigen en de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van de navolgende bijdragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] :
- met ingang van 5 maart 2019: € 11.362,- per maand;
- met ingang van 30 november 2019: € 11.362,- per maand;
- met ingang van 1 april 2021: € 11.911,- per maand;
- met ingang van 1 juli 2021: € 11.911,- per maand;
- met ingang van 16 maart 2022: € 12.308,- per maand;
althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;
subsidiair:de man te veroordelen om met ingang van 16 maart 2022 ten behoeve van [jongmeerderjarige] aan de vrouw het bedrag van € 500,- per maand te betalen, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;
primair en subsidiair:de man te veroordelen tot betaling van de integrale proceskosten van het geding aan de vrouw;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Uit de vrouw is geboren:
[jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ;
- [jongmeerderjarige] is niet erkend.
- Partijen hebben beiden in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
Beoordeling
I. Rechtsmacht en toepasselijk recht
De (inmiddels) jong-meerderjarige [jongmeerderjarige] woont in Nederland. Daarom komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in zijn kosten van verzorging en opvoeding. De rechtbank zal op dit verzoek op grond van artikel 3 vanPro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Buiten beschouwing laten stukken
Door de vrouw zijn op 15 januari 2026 bij F9-formulier aanvullende stukken ingediend. De rechtbank wijst op artikel 279 lid 6 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in samenhang bezien met artikel 5.9 van het Procesreglement. Hieruit volgt dat uiterlijk tot tien dagen voor de zitting aanvullende stukken kunnen worden ingediend. Deze termijn is ook uitdrukkelijk vermeld in de oproepbrief voor de mondelinge behandeling. Door het indienen van de stukken vijf dagen voor de zitting, is deze termijn overschreden. In de rechtspraak geldt daarbij het uitgangspunt dat te laat ingediende stukken buiten beschouwing blijven, tenzij de goede procesorde meebrengt dat ze wel meegenomen moeten worden. Anders dan bij de door beide partijen op 13 januari 2026 ingediende stukken, is daarvan in dit geval niet gebleken, nu de stukken geen voor de beoordeling noodzakelijke informatie bevatten en het evenmin informatie omvatten die niet eerder ingediend had kunnen worden. De rechtbank zal de op 15 januari 2026 ingediende stukken daarom niet meenemen bij de beoordeling van het verzoek.
Alimentatie
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:392 inPro samenhang met artikel 1:394 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) is naast een ouder, ook de verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, als ware hij een ouder verplicht tot het voorzien in de kosten van de verzorging en opvoeding van het kind dan wel, na het bereiken van de meerderjarigheid tot het voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie tot de leeftijd van 21 jaar. Tussen partijen is niet in geschil dat de man de verwekker is van [jongmeerderjarige] , zodat de man onderhoudsplichtig is jegens [jongmeerderjarige] .
Vervolgens is het de vraag of de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek, gelet op het feit dat [jongmeerderjarige] inmiddels meerderjarig is geworden. Het verzoekschrift is door de griffie van de rechtbank ontvangen op 26 april 2024, zodat [jongmeerderjarige] op dat moment (net) meerderjarig was. Dat leidt ertoe dat hij zijn moeder een machtiging kan verlenen om namens hem op te treden als het gaat om een procedure tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie. Echter, in dit geval verzoekt de vrouw niet om de vaststelling van een bijdrage voor de toekomst – dus tijdens zijn jong-meerderjarigheid – maar over het verleden, namelijk over de periode vanaf 2019. De vrouw is over de periode van minderjarigheid van [jongmeerderjarige] als zijn wettelijke vertegenwoordiger ontvankelijk in haar verzoek. Voor zover het verzoek eventueel ook ziet op de periode van zijn jong-meerderjarigheid (wat hierna nog nader aan de orde komt), is door [jongmeerderjarige] een machtiging verstrekt, zodat de vrouw ook over die periode bevoegd is om namens [jongmeerderjarige] te procederen.
Gelet op het voorgaande is de vrouw ontvankelijk in haar verzoek.
Grove miskenning wettelijke maatstaven (art. 1:401 lid 5 BWPro)
De man draagt sinds 2015 bij aan de kosten van de verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] . Het verzoek van de vrouw ziet op de afspraken vanaf het jaar 2019. Vanaf dit jaar heeft de man ten behoeve van [jongmeerderjarige] de volgende bijdragen aan de vrouw betaald:
met ingang van 5 maart 2019: € 375,- per maand;
met ingang van 30 november 2019: € 400,- per maand;
met ingang van 1 april 2021: € 800,- per maand;
met ingang van 1 juli 2021: € 400,- per maand;
met ingang van 16 maart 2022: € 500,- per maand.
De vrouw stelt dat deze afspraken zijn aangegaan met een grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Hoewel partijen ten tijde van de geboorte van [jongmeerderjarige] allebei een inkomen hadden op bijstandsniveau, is het inkomen van de man sindsdien flink gestegen als gevolg van zijn succes als muziekartiest. De man beaamt dat zijn financiële situatie sterk is verbeterd, maar betwist dat dit ertoe leidt dat de afspraken over de alimentatie zijn aangegaan met een grove miskenning van de wettelijke maatstaven.
De rechtbank overweegt als volgt. Van een overeenkomst die is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven is sprake indien partijen destijds onopzettelijk als gevolg van een onjuist inzicht in de wettelijke maatstaven, of omdat zij uitgingen van onjuiste of onvolledige gegevens, evident van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken. De term grove miskenning van wettelijke maatstaven brengt met zich dat de rechtbank de overeengekomen kinderalimentatie niet kan wijzigen wanneer zij op grond van dezelfde gegevens tot een ander resultaat komt. Het brengt een zwaardere toets met zich mee: de overeengekomen bijdrage dient in een overduidelijke wanverhouding te staan tot de wettelijke maatstaven en die gegevens. De rechtbank zal dus moeten beoordelen of sprake is van een evidente wanverhouding tussen de wettelijke maatstaven en het tussen partijen overeengekomen bedrag. Om na te gaan of hiervan sprake is, zal de rechtbank in het navolgende een berekening maken van de behoefte van [jongmeerderjarige] .
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [jongmeerderjarige] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij nooit in gezinsverband hebben samengewoond. De behoefte van [jongmeerderjarige] moet daarom in beginsel worden bepaald aan de hand van het gemiddelde van de behoefte bij iedere ouder rondom de geboorte van [jongmeerderjarige] . Dit wordt berekend door de behoefte op basis van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de ene ouder (inclusief het door haar ontvangen kindgebonden budget) vast te stellen en de behoefte berekend op basis van het inkomen van de andere ouder (inclusief het fictief te ontvangen kindgebonden budget) vast te stellen. Het gemiddelde hiervan is uiteindelijk de behoefte.
Echter, tussen partijen is ook niet in geschil dat het inkomen van de man sinds de geboorte van [jongmeerderjarige] dusdanig is toegenomen dat het hoger is dan de inkomens van partijen ten tijde van de geboorte, vermeerderd met het destijds genoten kindgebonden budget. Volgens de vrouw leidt dit ertoe dat niet het moment van geboorte als ijkpunt geldt voor de berekening van de behoefte van [jongmeerderjarige] , maar dat het opnieuw moet worden berekend aan de hand van het hogere inkomen van de man. Zij verwijst daarbij naar de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport). Naar de man stelt, is deze aanbeveling niet van toepassing, omdat pas in 2022 in het rapport is opgenomen dat ook bij ouders die nooit in gezinsverband hebben samengewoond, een stijging van het inkomen behoefte verhogend werkt. Een stijging van het inkomen vóór 2022 leidt er niet toe dat de behoefte opnieuw moet worden berekend, aldus de man. De rechtbank zal de man hierin niet volgen. Weliswaar is de aanbeveling ten aanzien van niet-samenwoners pas in 2022 in het rapport opgenomen, maar in de rechtspraak was ook in de jaren daaraan voorafgaand al een vaste lijn zichtbaar, waarbij de stijging van een inkomen van een van de ouders ook behoefte verhogend kan werken bij niet-samenwoners. De rechtbank verwijst hierbij naar onder andere de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 december 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:10666). De rechtbank zal daarom de behoefte van [jongmeerderjarige] niet berekenen ten tijde van zijn geboorte, maar per 2019, zijnde het eerste jaar waarvan de vrouw stelt dat het tussen partijen overeengekomen bedrag niet voldoet aan de wettelijke maatstaven.
Behoefte in 2019
Uit de door de vrouw overgelegde stukken volgt dat zij in 2019 een inkomen had van in totaal € 5.998,- uit werkzaamheden als koerier. Dat leidt tot een NBI van € 893,- per maand, inclusief kindgebonden budget. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2019 en 0 kinderbijslagpunten, leidt het voorgaande tot een forfaitair tabelbedrag van € 55,- per maand voor [jongmeerderjarige] .
Tussen partijen is niet in geschil dat het NBI van de man in 2019 het maximale tabelinkomen van € 6.000,- per maand overschreed. De rechtbank zal daarom dit maximale NBI van € 6.000,- per maand als uitgangspunt nemen. Op basis van dit NBI had de man geen recht op een (fictief) kindgebonden budget. De behoefte van [jongmeerderjarige] bij de man bedraagt daarom het maximale tabelbedrag van € 805,- per maand.
De gemiddelde behoefte van [jongmeerderjarige] bedraagt dan in 2019 in beginsel € 430,- per maand ((€ 55 + € 805) / 2).
Behoefte in 2022
In de periode na 2019 is het inkomen van de vrouw gestegen. Hoewel haar inkomen niet dermate is toegenomen dat de drempel van een nieuwe behoefteberekening wordt behaald, zal de rechtbank – ter illustratie – ook de behoefte van [jongmeerderjarige] per 2022 berekenen, zodat ook over deze periode kan worden getoetst of de afspraak op dat moment voldeed aan de wettelijke maatstaven.
Uit de door de vrouw overgelegde stukken volgt dat de vrouw in 2022 een inkomen had uit werkzaamheden als gastouder van in totaal € 18.203,-. Dat leidt tot een NBI van € 1.847,- per maand, inclusief een kindgebonden budget van € 413,- per maand. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2022 en 0 kinderbijslagpunten, leidt het voorgaande tot een behoefte van [jongmeerderjarige] van € 176,- per maand.
Aan de zijde van de man gaat de rechtbank wederom uit van het maximale tabelbedrag van € 6.000,- per maand. De behoefte van [jongmeerderjarige] bij de man bedraagt dan het maximale bedrag van € 800,- per maand.
De gemiddelde behoefte van [jongmeerderjarige] bedraagt dan in 2022 in beginsel € 488,- per maand (€ 176 + € 800) / 2).
Behoefte verhogende kosten
Volgens de vrouw is er in dit geval aanleiding is om af te wijken van de tabelbedragen en de behoefte van [jongmeerderjarige] niet te maximeren. Naar haar mening is het, gelet op het hoge inkomen van de man, onlogisch om bij de lagere tabelbedragen aan te sluiten. Zij vindt het naar [jongmeerderjarige] ook pedagogisch niet te verantwoorden dat zijn moeder voor hem een relatief laag bedrag aan alimentatie ontvangt, terwijl de man een luxe leven leidt. [jongmeerderjarige] moet mee kunnen profiteren van de hoge welstand van de man.
De rechtbank gaat voorbij aan deze stelling van de vrouw. Met de man is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat het inkomen van de man hoger was dan het maximale inkomen in de behoeftetabel, er niet toe leidt dat de behoefte zonder nadere onderbouwing moet worden vastgesteld op een veelvoud van het bij dat inkomen behorende hoogste tabelbedrag. De tabelbedragen zijn gerelateerd aan een (gezamenlijk) netto besteedbaar inkomen tot (in 2019) € 6.000,- per maand. Bij een hoger inkomen van (een van de) ouders , kunnen deze tabelbedragen en daarmee het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen niet simpelweg worden geëxtrapoleerd of zonder motivering worden verveelvoudigd. De gemiddelde behoefte is immers al gerelateerd aan het hogere inkomen van de man. Er is daarbij niet gebleken dat het welvaartsniveau van de man in de praktijk feitelijk een rol heeft gespeeld bij de mate van welstand die [jongmeerderjarige] steeds gewend is geweest. Partijen hebben nooit samengewoond en het contact tussen de man en [jongmeerderjarige] was steeds minimaal. De vrouw heeft nagelaten om, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, nader te onderbouwen waarom de mate van welstand voor [jongmeerderjarige] hoger moet liggen. Dat [jongmeerderjarige] dure kleding zou dragen, is daarvoor onvoldoende.
De rechtbank zal de behoefte van [jongmeerderjarige] daarom niet extrapoleren, maar aansluiten bij de tabelbedragen, zoals hiervoor berekend.
Conclusie
Uit het voorgaande is gebleken dat de behoefte van [jongmeerderjarige] in 2019 € 430,- per maand bedroeg. De door de man betaalde bijdrage aan kinderalimentatie bedroeg in dat jaar eerst
€ 375,- per maand en vanaf 30 november € 400,- per maand. In 2022 was de behoefte van [jongmeerderjarige] € 488,- per maand en betaalde de man € 500,- per maand.
Naar oordeel van de rechtbank is hiermee geen sprake van een overduidelijke wanverhouding tussen de overeengekomen bijdrage en de gemiddelde behoefte van [jongmeerderjarige] terwijl een deel van behoefte voor rekening van de vrouw kwam. In 2022 heeft de man zelfs iets meer betaald dan de behoefte van [jongmeerderjarige] . Daarbij speelt ook mee dat tussen partijen niet in geschil is dat de man, naast zijn maandelijkse bijdrage, regelmatig extra kosten voor [jongmeerderjarige] voldeed, zoals kosten voor een schoolreisje of een nieuw bed. Van een grote miskenning van de wettelijke maatstaven is dan ook geen sprake geweest.
De rechtbank zal het primaire verzoek van de vrouw daarom afwijzen.
Wijziging van omstandigheden (art. 1:401 lid 1 BWPro)
Door de vrouw is subsidiair verzocht om een wijziging van de kinderalimentatie. Een rechterlijke overeenkomst kan worden gewijzigd op de grond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor het aanvankelijk overeengekomen bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet (artikel 1:401 lid 1 BWPro). Het moet hierbij gaan om een wijziging van de omstandigheden waarvan partijen op dat moment zijn uitgegaan. Hiérna moet zich dus een wijziging in die omstandigheden hebben voorgedaan of sprake zijn van nieuwe omstandigheden waarmee eerder geen rekening had kunnen worden gehouden. Niet iedere wijziging van omstandigheden is voldoende voor een wijzing van de overeengekomen alimentatie. Het moet gaan om een wijziging waardoor het aanvankelijk overeengekomen bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
Volgens de vrouw is de wijziging van omstandigheden allereerst gelegen in de aanzienlijke stijging van het inkomen van de man. Naar haar mening moeten de behoefte van [jongmeerderjarige] en de draagkracht van de man daarbij meestijgen. In het voorgaande heeft de rechtbank de behoefte van [jongmeerderjarige] al (opnieuw) berekend. Daarbij is ook geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om van de behoeftetabel af te wijken. De door de man betaalde bijdrage is daarmee in lijn, zodat op basis hiervan geen aanleiding bestaat om de alimentatieafspraken te wijzigen. Het stijgen van het inkomen van de vrouw leidt evenmin tot een wijzigingsgrond. Gebleken is dat het inkomen van de vrouw in de afgelopen jaren is toegenomen. Volgens haar moeten de schommelingen in haar inkomen en draagkracht ertoe leiden dat de onderlinge draagkrachtverhouding wijzigt en de door de man te betalen kinderalimentatie hierop wordt aangepast. Echter, gebleken is dat de overeengekomen bijdragen over de periode 2019 tot 2022 ongeveer gelijk zijn aan de behoefte van [jongmeerderjarige] . Er resteert voor de vrouw daarbij slechts een klein aandeel in de kosten van [jongmeerderjarige] , zodat geen reden bestaat om de alimentatie daarop aan te passen. Ten aanzien van alle inkomensperiodes van de vrouw is zij naar oordeel van de rechtbank in staat om dit beperkte aandeel bij te dragen.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die ertoe leidt dat de overeengekomen bedragen niet aan de wettelijke maatstaven voldoen. De rechtbank zal ook dit verzoek van de vrouw daarom afwijzen.
Nakoming overeengekomen kinderalimentatie
De vrouw heeft meer subsidiair verzocht om nakoming van de door partijen op 16 maart 2022 gemaakte meest recente afspraak over de kinderalimentatie, waarbij de man aan de vrouw een bijdrage aan kinderalimentatie betaalt ten behoeve van [jongmeerderjarige] van € 500,- per maand. De man heeft niet betwist dat hij dit bedrag sinds 15 juli 2023 niet meer heeft voldaan. Hoewel de man zijn persoonlijke redenen heeft gegeven voor het stoppen van de betaling, leidt dit er niet toe dat hij niet langer gehouden was om bij te dragen in de kosten van [jongmeerderjarige] . Naar oordeel van de rechtbank moet de man deze bijdragen daarom alsnog aan de vrouw voldoen.
Om verdere discussie tussen partijen te voorkomen, zal de rechtbank het resterende door de man aan de vrouw te betalen bedrag vaststellen. Daarbij houdt de rechtbank allereerst rekening met de wettelijke indexering die op grond van artikel 1:402a lid 1 en 2 BW met ingang van 1 januari 2023 van rechtswege verschuldigd is. Dit leidt ertoe dat de bijdrage van € 500,- per maand per 2022 in 2023 uitkomt op een geïndexeerd bedrag van € 517,- per maand en in 2024 op een geïndexeerd bedrag van € 549,-. Dat leidt tot de volgende samenstelling van het resterende bedrag, waarbij de man nog aan de vrouw dient te voldoen:
de wettelijke indexering over de maanden januari tot juli 2023: € 17 * 6 = € 102,-
over de maand juli 2023: (€ 517 / 31) * 15) = € 250,-
over de maanden augustus t/m december 2023: € 517 * 5 = € 2.585,-
over de maanden januari t/m maart 2024: € 549 * 3 = € 1.647,-
over de maand april 2024: (€ 549 / 30) * 23 = € 421,-
Totaal: € 5.005,-
De man moet aldus aan de vrouw een resterend bedrag aan kinderalimentatie betalen van
€ 5.005,-. De rechtbank zal vaststellen dat de man gehouden is om voornoemd bedrag te voldoen binnen een termijn van twee weken na de datum van de beschikking op een door de vrouw aan te wijzen bankrekening.
Conversie ex artikel 1:395b BW
De rechtbank ziet zich tot slot voor de vraag gesteld of de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage aan kinderalimentatie automatisch converteert in een aan [jongmeerderjarige] te betalen bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud en studie vanaf het moment dat [jongmeerderjarige] meerderjarig is geworden op [datum] 2024. Volgens de vrouw is dit wel het geval, volgens de man niet.
Uit artikel 1:395b BW volgt dat als een door de rechter vastgestelde bijdrage voor de opvoeding en verzorging van een minderjarig kind tot aan de meerderjarigheid van kracht is geweest, de rechterlijke beslissing met ingang van de meerderjarigheid geldt als een beslissing tot bepaling van het bedrag ter zake van levensonderhoud en studie, zoals bedoeld in artikel 1:395a BW. In dit geval is echter geen sprake van een rechterlijke beslissing op basis waarvan de man alimentatie betaalde, maar alleen van een overeenkomst tussen partijen. Artikel 1:395b BW is daarom niet van toepassing en de tussen de man en de vrouw overeengekomen kinderbijdrage is geëindigd met ingang van het moment waarop [jongmeerderjarige] meerderjarig is geworden. Door de vrouw zijn daarbij ook geen feiten of omstandigheden aangevoerd op basis waarvan de rechtbank tot een ander oordeel zou moeten komen.
Het eindigen van overeengekomen kinderalimentatie neemt echter niet weg dat er op grond van artikel 1:395a BW voor de man wel een plicht bestaat om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] tot het moment waarop hij eenentwintig jaar wordt. Indien de man en [jongmeerderjarige] er niet in slagen om hierover afspraken te maken, kan [jongmeerderjarige] alsnog een verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie indienen bij de rechtbank. Een dergelijk verzoek ligt nu niet voor, zodat de rechtbank daarop ook niet kan beslissen.
Proceskosten
De vrouw heeft verzocht om de man te veroordelen in de kosten van het geding. Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank zoals gebruikelijk de proceskosten compenseren als hierna vermeld. Zij ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de man uiterlijk binnen twee weken na de datum van deze beschikking een bedrag van € 5.005,- aan de vrouw zal voldoen, bij wijze van nabetaling van de door partijen overeengekomen bijdrage aan kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] en de daarover verschuldigde wettelijke indexering over de periode januari 2023 tot [datum] 2024;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.D.A. Geleijns, A.M. van der Vliet en C. de Jong-Kwestro, rechters, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 11 februari 2026.