ECLI:NL:RBDHA:2026:5339

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
14 maart 2026
Zaaknummer
C/09/685620 / FA RK 25-3820
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 RvArt. 1:251a BWArt. 1:100 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met zorgregeling en verdeling huwelijksgemeenschap na langdurige communicatieproblemen

Partijen zijn gehuwd sinds 2012 en hebben twee minderjarige kinderen. Na langdurige communicatieproblemen en conflicten is de echtscheiding aangevraagd met verzoeken tot eenhoofdig gezag en zorgregeling. De rechtbank constateert dat partijen niet tot overeenstemming kunnen komen en wijkt af van het wettelijke vereiste van een ouderschapsplan.

De rechtbank oordeelt dat het gezamenlijk gezag gehandhaafd blijft omdat onvoldoende is gebleken dat eenhoofdig gezag in het belang van de kinderen is. De hoofdverblijfplaats wordt vastgesteld bij de moeder, conform de feitelijke situatie. De zorgregeling wordt uitgebreid ten opzichte van de voorlopige regeling, waarbij de gecertificeerde instelling de regie voert over verdere opbouw en uitbreiding.

De rechtbank stelt de kinderalimentatie vast in twee periodes, rekening houdend met de draagkracht van partijen en de werkelijke woonlasten van de man. Partneralimentatie wordt afgewezen wegens onvoldoende draagkracht. De huwelijksgemeenschap wordt verdeeld met bijzondere bepalingen over de overname of verkoop van de echtelijke woning. Proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, gezamenlijk gezag gehandhaafd, hoofdverblijfplaats bij moeder, zorgregeling uitgebreid, kinderalimentatie vastgesteld, partneralimentatie afgewezen en huwelijksgemeenschap verdeeld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3820
Zaaknummer: C/09/685620
Datum beschikking: 11 februari 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 21 mei 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.F. van Galen in Alphen aan den Rijn.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.N. Sardjoe in ’s-Gravenhage, voorheen: mr. D.J. Prins in Leiden .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het aanvullend verzoekschrift van de vrouw;
  • het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de man;
  • het bericht met bijlagen van 29 september 2025 van de man;
  • het verweer van de vrouw tegen de zelfstandige verzoeken van de man;
  • het bericht met bijlage van 27 november 2025 van de vrouw;
  • het aanvullend verzoekschrift van de vrouw, binnengekomen op 17 december 2025;
  • het bericht met bijlage van 8 januari 2026 van de vrouw;
  • het bericht met bijlagen van 9 januari 2026 van de man;
  • het bericht met bijlagen van 12 januari 2026 van de vrouw.
Op 14 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld in de vorm van een
gecombineerde behandelingvan zowel onderhavige verzoeken als het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen (C/09/694229 JE RK 25-1895). Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw bijgestaan door haar advocaat;
  • de man bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam 1] en [naam 2] namens de Raad;
  • [naam 3] namens de gecertificeerde instelling.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op [datum] 2012 in [plaats 1] .
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats 1] ,
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats 2] .
  • De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.
  • Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.
  • Deze rechtbank heeft op 14 oktober 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat:
  • de man voorlopig gerechtigd is de kinderen vanaf 29 oktober 2025 bij zich te hebben: iedere woensdag en vrijdag uit school tot na het avondeten;
  • de man aan de vrouw, met ingang van 30 juli 2025, een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen van € 295,- per kind per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
  • De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 2 december 2025 vonnis gewezen en daarin – voor zover hier van belang – bepaalt dat:
  • de vrouw wordt veroordeeld tot nakoming van de voorlopige zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van deze rechtbank van 14 oktober 2025, in die zin dat de kinderen bij de man zullen zijn: iedere woensdag en vrijdag uit school tot na het avondeten, op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 15.000,-;
  • de vrouw wordt veroordeeld om de man eenmaal per maand op de eerste dag van de maand (via e-mail) te informeren over gewichtige aangelegenheden betreffende de kinderen zoals, onderwijs, sport en medische zaken, op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag dat de vrouw daartoe in gebreke blijft, zonder maximum.
  • De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 december 2025 de behandeling van het verzoek tot ondertoezichtstelling aangehouden tot de zitting van 14 januari 2026 om 13:15 uur van mr. G. van Zeben-de Vries, tijdens welke zitting dat verzoek gezamenlijk zal worden behandeld met de echtscheidingszaak (C/09/685620 FA RK 25-3820).
  • Bij beschikking van 19 december 2025 van het Gerechtshof Den Haag is de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek in hoger beroep tegen de beschikking van 14 oktober 2025 van deze rechtbank.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw, zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
  • bepaling dat voortaan aan de vrouw het ouderlijk gezag zal toekomen over de kinderen;
  • vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
  • vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en de kinderen in die zin dat de man iedere laatste dag van het kwartaal onder professionele begeleiding zal videobellen met de kinderen tussen 17:00 uur en 17:30 uur, althans een omgangsregeling tussen de man en de kinderen te bepalen als de rechtbank in goede justitie juist acht;
  • vaststelling van kinderalimentatie van € 1.832,- per maand, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, met ingang van 21 mei 2025;
  • vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 826,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en met ingang van 21 mei 2025;
  • verdeling van de huwelijksgemeenschap conform het voorstel van de vrouw;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert – onder referte van de echtscheiding – verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man, zelfstandig verzocht om de echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
  • vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat een co-ouderschapsregeling wordt vastgesteld waarbij de kinderen de ene week bij de moeder zijn van maandag uit school tot maandag naar school, en de andere week van maandag uit school tot maandag naar school, of te bepalen dat een co-ouderschapsregeling wordt vastgesteld waarbij de kinderen de ene week bij de moeder zijn van woensdag uit school tot woensdag naar school, en de andere week van woensdag uit school tot woensdag naar school,
  • vaststelling van een vakantieregeling waarbij de schoolvakanties tussen de ouders worden verdeeld in die zin dat iedere ouder recht heeft om de helft van de vakanties met de kinderen door te nemen, waarbij iedere ouder recht heeft op een aaneengesloten vakantie met de kinderen tijdens de zomervakantie;
  • bepaling dat iedere ouder zijn eigen kosten draagt tijdens het verblijf van de kinderen bij de moeder dan wel bij de vader;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vrouw verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
Ontvankelijkheid
Partijen hebben geen ouderschapsplan ingediend zoals volgens artikel 815 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is vereist. De vrouw stelt dat het niet mogelijk is om een getekend ouderschapsplan te overleggen omdat partijen niet met elkaar kunnen communiceren. De man bevestigt dit, en voert aan dat het ondanks pogingen tot mediation het niet gelukt is om afspraken te maken over de kinderen. De rechtbank zal partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding en voorbij gaan aan het wettelijke vereiste van artikel 815 lid 2 Rv Pro. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat partijen niet tot overeenstemming gaan komen met betrekking tot de kinderen.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en hebben beiden een verzoek tot echtscheiding gedaan. Deze verzoeken tot echtscheiding kunnen als op de wet gegrond worden toegewezen.
Gezag
Wettelijk kader
Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders na ontbinding van het huwelijk het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:251a eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw stelt dat gezamenlijke gezagsuitoefening niet meer mogelijk is omdat de kinderen dan klem of verloren zullen raken. Zij verwijst hierbij naar de inhoud van de brief van Veilig Thuis en de brief van de jeugdbeschermingstafel waarin wordt genoemd dat er zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen. Volgens de vrouw zijn er onhoudbare spanningen tussen partijen. Daarnaast hebben de kinderen al ruim 1,5 jaar amper tot geen contact met de man. Hierdoor is de man niet goed op de hoogte over de kinderen en niet in staat om gezagsbeslissingen te nemen. Daarnaast is er geen constructieve en goede communicatie mogelijk tussen partijen. De vrouw verwacht daarom tegen praktische problemen aan te lopen en verzoekt daarom het eenhoofdig gezag aan haar toe te kennen.
De man voert verweer. Volgens hem doet de vrouw er alles aan om de man buitenspel te zetten. Zo heeft de vrouw de kinderen zonder overleg van de huisarts en BSO veranderd. De vrouw ondermijnt hiermee de man als gezaghebbende ouder. Daarnaast weigert de vrouw mee te werken aan diverse vormen van vrijwillige hulpverlening. Zo heeft zij niet meegewerkt aan de jeugdbeschermingstafel of het raadsonderzoek. De man vreest dat bij toewijzing van het verzoek hij helemaal geen rol meer zal hebben in het leven van de kinderen.
De rechtbank zal het gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in stand laten, en overweegt daartoe als volgt. Het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Slechts in uitzonderlijke gevallen mag worden aangenomen dat het belang van een kind vereist dat één van de ouders met het gezag wordt belast. De rechtbank overweegt dat niet gebleken is dat de man gezagsbeslissingen frustreert. Het enige voorbeeld van de vrouw waarbij partijen onenigheid hebben gehad over de gezagsuitoefening, was de reis naar [land] van de vrouw met de kinderen. De rechtbank overweegt dat het in het licht van de recente scheiding het voorstelbaar is niet alles direct soepel verloopt. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gesteld en gebleken dat een wijziging van het gezag noodzakelijk is in het belang van de kinderen.
Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijzen.
Hoofdverblijfplaats
De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man en de kinderen hebben al geruime tijd geen contact met elkaar, de kinderen zijn het grootste gedeelte van de tijd bij de vrouw en het zwaartepunt van de zorg ligt bij haar. Het is dan ook van belang dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw wordt bepaald. De man voert verweer. Volgens hem moet er geen hoofdverblijfplaats worden bepaald omdat hij streeft naar een co-ouderschapsregeling waarbij de zorg voor de kinderen gelijk verdeeld is.
De rechtbank acht het in het belang van de kinderen om conform de feitelijke situatie, de hoofdverblijfplaats bij de vrouw te bepalen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw toewijzen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De vrouw stelt dat sinds het vertrek van de man uit de echtelijke woning in januari 2024 er alleen sporadisch contact is geweest tussen hem en de kinderen. Bij de kinderen merkt zij dat er nu rust, stabiliteit en regelmaat is. Ter onderbouwing hiervan heeft de vrouw de schoolresultaten en verslagen van de voetbal en pianolessen overgelegd. De vrouw heeft de verwachting dat bij fysiek contact met de man deze trend zich niet verder zal voortzetten. Daarnaast geven de kinderen duidelijk aan bij de vrouw dat zij geen contact met de man willen. De vrouw vindt het belangrijk om goed naar de kinderen te luisteren en ze hierin niet te forceren. De man moet eerst aan zichzelf gaan werken door het aanvaarden van passende hulpverlening, voordat gekeken kan worden naar contact met de kinderen. De vrouw verzoekt daarom een regeling waarbij de kinderen iedere laatste dag van het kwartaal onder professionele begeleiding zullen videobellen met de man van 17:00 uur tot 17:30 uur.
De man voert verweer. Hij mist de kinderen enorm en wil graag het contact herstellen. De afgelopen 1,5 jaar is hij buitengesloten door de vrouw en steeds meer verwijderd geraakt van de kinderen. De man streeft nog altijd naar een co-ouderschapsregeling omdat hij het in het belang van de kinderen acht dat zij een evenwichtige opvoeding krijgen. Voor nu is het belangrijkste dat hij weer contact krijgt met de kinderen. Daarnaast wil de man een verdeling van de vakanties bij helfte.
De rechtbank overweegt als volgt. De voorlopige zorgregeling – zoals vastgelegd bij de beschikking van 14 oktober 2025 – waarbij de kinderen op woensdag en vrijdag uit school bij de man zijn, wordt tot op heden niet nageleefd. Bij vonnis van 2 december 2025 is de vrouw veroordeeld tot nakoming van deze zorgregeling op straffe van een dwangsom, maar dit heeft ook niet tot nakoming geleid. De rechtbank heeft hierdoor grote zorgen over de huidige situatie waarbij al langere tijd geen contact is tussen de kinderen en de man.
De rechtbank overweegt dat het van groot belang is dat de voorlopige zorgregeling zo snel mogelijk gaat lopen en door beide partijen wordt nagekomen, zodat de kinderen weten waar zij aan toe zijn. Een videobelregeling van eens per kwartaal onder professionele begeleiding zoals de vrouw verzoekt, is naar het oordeel van de rechtbank geen zorgregeling die recht doet aan de rol van de man als gezaghebbende ouder en mede-opvoeder van de kinderen. Uit het raadsrapport zijn geen contra-indicaties gebleken waaruit volgt dat de kinderen niet veilig zouden zijn bij de man. Aan het standpunt van de vrouw dat de man de kinderen heeft geslagen gaat de rechtbank voorbij, nu gebleken is dat beide partijen tijdens het huwelijk grensoverschrijdend gedrag hebben vertoond door het geven van een (corrigerende) tik, trekken aan haren of slaan. De rechtbank zal daarom de zorgregeling zoals deze is vastgesteld bij de beschikking van 14 oktober 2025 uitbreiden, te weten in de even weken op woensdag en vrijdag middag uit school tot 19.30 uur en in de oneven week de woensdagmiddag uit school tot 19.30 uur en vrijdag uit school tot maandag naar school. Nu gelijktijdig met deze procedure de ondertoezichtstelling over de kinderen is uitgesproken voor de duur van een jaar, overweegt de rechtbank dat onder regie van de gecertificeerde instelling gewerkt moet worden aan de uitvoering van deze zorgregeling. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat de wens van de man tot co-ouderschap begrijpelijk is maar voor dit moment een brug te ver lijkt. De gecertificeerde instelling kan wel onderzoeken wat nodig is om tot co-ouderschap te komen.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat partijen zouden moeten werken aan hun onderlinge verstandhouding en het verbeteren van de communicatie. De huidige situatie waarbij partijen lijnrecht tegenover elkaar staan en verwikkeld zijn in een hevige strijd, is volgens de rechtbank schadelijk voor de kinderen. Gelet op leeftijd van de kinderen moeten partijen nog een lange tijd met elkaar door. De rechtbank spreekt daarom de hoop uit dat partijen, wellicht als de echtscheidingsprocedure achter de rug is, alsnog samen een traject zoals Ouderschapsbemiddeling gaan volgen of individuele hulpverlening gaan zoeken – wellicht met behulp van de gecertificeerde instelling – om de huidige situatie te doorbreken.
Vakanties
Gelet op het bovenstaande, zal de rechtbank op dit moment geen verdeling van de vakanties bepalen. De rechtbank is van oordeel dat ook hier naar toe moet worden gewerkt onder regie van de gecertificeerde instelling, waarbij wel het uitgangspunt is dat vakanties bij helfte moeten worden verdeeld.
Bijzondere curator
De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om een bijzondere curator te benoemen. De ondertoezichtstelling over de kinderen is uitgesproken voor de duur van een jaar. Eerst moet bekeken worden welke stappen binnen dit traject bereikt kunnen worden. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom afwijzen.
Kinderalimentatie
Ingangsdatum
De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum vaststellen.
Tussen partijen is de ingangsdatum in geschil. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de kinderalimentatie moet in gaan vanaf 21 mei 2025, te weten de datum waarop de advocaat van de vrouw aan de man heeft gevraagd om zijn inkomensgegevens over te leggen. De man is het daar niet mee eens.
Gelet op de vastgestelde voorlopige kinderalimentatie acht de rechtbank het redelijk om de datum van de beschikking als ingangsdatum te hanteren voor de kinderalimentatie.
Behoefte van de kinderen
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van beide partijen samen, eventueel inclusief kindgebonden budget. De rechtbank zal rekenen met de tarieven van periode 2023-II, omdat 2023 het laatste jaar was dat partijen samen hebben geleefd.
De rechtbank gaat – nu partijen het hierover eens zijn – voor de berekening van het NBI van de man uit van een winst uit onderneming van € 95.151,- in 2023, zoals volgt uit de aanslag inkomstenbelasting 2023.
De man heeft daarnaast gesteld dat hij een gemiddelde premie lijfrente van € 10.500,- per jaar betaalt als pensioenvoorziening, zodat daar rekening mee moet worden gehouden. De vrouw is het hier niet mee eens, omdat dit volgens haar een keuze van de man is.
De rechtbank acht het nu de man zzp’er is waarbij de pensioenvoorziening niet is geregeld, wel redelijk om rekening te houden met een lijfrente. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de voorlopige voorzieningen beschikking van 14 oktober 2025 en in redelijkheid rekening houden met een premie lijfrente van € 6.000,- per jaar.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
  • de zelfstandigenaftrek;
  • de MKB-winstvrijstelling.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het NBI van de man op
€ 4.874,- per maand.
Partijen zijn het erover eens dat bij de vrouw moet worden uitgegaan van een winst uit onderneming van € 24.205,- in 2023.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
  • de zelfstandigenaftrek;
  • de MKB-winstvrijstelling.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op
€ 1.942,- per maand.
Gelet op het bovenstaande bedraagt het NBGI van partijen (4.874 + 1.942 = € 6.816,- per maand. Op basis van dit NBGI hebben partijen recht op een kindgebonden budget van € 15,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Het NBGI van partijen bedraagt dus (4.874 + 1.942 + 15 =) € 6.831,- per maand. Dit gegeven, gevoegd bij de kinderbijslagpunten voor twee kinderen, levert op basis van de tabel een behoefte op van
€ 1.460,- per maand in 2023. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 1.727,- per maand.
Kinderopvangkosten
De man stelt dat de behoefte van de kinderen moet worden verhoogd met extra kinderopvangkosten. Als productie 6 heeft de man bankafschriften van 2023 overgelegd waaruit blijkt dat partijen in 2023 € 17.341,- aan kinderopvangkosten hebben betaald, terwijl de toeslagen € 7.255,- bedroegen. De vrouw voert verweer en stelt dat de kinderopvangkosten zijn verwerkt in het tabelbedrag.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat in het tabelbedrag alle normale kosten zijn begrepen. De ‘normale’ kosten van de kinderopvang worden dus geacht te zijn verwerkt in het tabelbedrag. Zodanige hoge kosten voor kinderopvang in verband met de verwerving van inkomsten die niet (volledig) gecompenseerd worden door lagere uitgaven op andere posten, kunnen leiden tot een correctie op het tabelbedrag.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man voldoende onderbouwd waarom de door partijen netto gemaakte opvangkosten niet geacht kunnen worden volledig te zijn verdisconteerd in het tabelbedrag en niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven van partijen. De rechtbank ziet aanleiding om naar redelijkheid de behoefte van de kinderen te verhogen met € 400,- per maand aan kinderopvangkosten.
De behoefte van de kinderen in 2026 bedraagt met verhoging van de hiervoor genoemde kinderopvangkosten € 2.127,- per maand.
Draagkracht
Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding partijen dienen bij te dragen in de behoefte van de kinderen. De rechtbank volgt daarbij het Rapport Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van de kinderen tussen partijen moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht. Het bedrag aan draagkracht in 2026 wordt vastgesteld aan de hand van de formule: 70% (NBI – (0,3 x NBI + € 1.365).
Draagkracht van de man
Bij de berekening van de draagkracht van de man zal de rechtbank uit gaan van een winst uit onderneming van € 90.712,- in 2025, en overweegt daartoe als volgt.
Namens de vrouw is aangevoerd dat de inkomenssituatie van de man niet kan worden vastgesteld en dat daarom gerekend moet worden met een verdiencapaciteit van 40 uur per week. Op basis van het door hem gehanteerde uurtarief berekent de vrouw de winst uit onderneming op € 149.968,-. De rechtbank is van oordeel dat de man gemotiveerd heeft betwist dat een winst uit onderneming van € 149.968,- zoals berekend door de vrouw op basis van zijn verdiencapaciteit, haalbaar is. De rechtbank zal daarom aansluiting zoeken bij de prognose van 2025 en de overgelegde facturen overgelegd als productie 17.
De rechtbank houdt net als bij de behoefte rekening met een premie lijfrente van € 6.000,- per jaar.
Verder is tussen partijen in geschil of aan de zijde van de man gerekend moet worden met het woonbudget of de werkelijke woonlasten. De man stelt dat dat rekening moet worden met zijn werkelijke woonlasten van € 2.442,- per maand, omdat hij naast de vaste lasten van de echtelijke woning ook de huur van zijn eigen woonruimte van € 945,- per maand moet voldoen. De vrouw is het hier niet mee eens en stelt dat het uitgangspunt is dat het woonbudget wordt gehanteerd en dat de man hiermee ook de huur van zijn eigen woning uit moet voldoen.
De rechtbank overweegt dat momenteel de man zowel de vaste lasten van de echtelijke woning waar de vrouw verblijft alsmede de huur van zijn eigen woning betaalt. Bij de voorlopige voorzieningenprocedure is gerekend met de werkelijke woonlasten van de man van € 2.442,- per maand. Zolang de echtelijke woning nog niet is overgenomen door de man of verkocht is aan een derde, zal de man deze dubbele woonlasten houden. De rechtbank acht het dan ook redelijk om tot aan de datum van de overdracht aan de man danwel de verkoop van de woning aan een derde, rekening te houden met de werkelijke woonlasten van de man in plaats van het forfaitaire woonbudget. Gelet hierop zal de rechtbank de draagkracht van de man berekenen aan de hand van twee periodes, te weten de eerste periode vanaf de datum van de beschikking tot aan de datum van de overdracht danwel verkoop van de woning, en de tweede periode vanaf de datum van de overdracht danwel verkoop van de woning.
Periode I: 11 februari 2026 tot aan de datum van de overdracht van de woning aan de man danwel verkoop van de woning aan een derde
De rechtbank zal, zoals hierboven is overwogen, dus rekening houden met de werkelijke woonlasten van de man van € 2.442,- per maand.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
  • de zelfstandigenaftrek;
  • de MKB-winstvrijstelling.
Op basis van de hierboven genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.744,- per maand en de draagkracht op € 656,- per maand.
Periode II: vanaf de datum van de overdracht van de woning aan de man danwel verkoop van de woning aan een derde
De rechtbank houdt rekening met de dezelfde fiscale heffingskortingen als in periode I.
Voor de periode vanaf de overdracht van de woning aan de man danwel de verkoop van de woning aan een derde zal de rechtbank het forfaitair woonbudget hanteren dat wordt berekend aan de hand van 30% van het NBI. Dit leidt tot een bedrag van € 1.423,- per maand.
Op basis van de hierboven genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.744,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt € 1.369,- per maand.
Draagkracht van de vrouw
Tussen partijen is in geschil van welke inkomensgegevens moet worden uitgegaan bij de berekening van de draagkracht van de vrouw.
Net als bij de voorlopige voorzieningen procedure stelt de vrouw zich op het standpunt dat haar onderneming te kampen heeft gehad met een cyberhack in 2023 waardoor de onderneming kampt met schulden en debiteuren die niet op tijd betalen. De vrouw vindt daarom dat moet worden uitgegaan van een gemiddelde winst uit onderneming van € 20.095,- gebaseerd op de jaren 2022 tot en met 2024.
De man voert verweer en stelt dat moet worden gerekend met een gemiddelde winst uit onderneming van de jaren 2022 en 2023. Omdat de cyberhack inmiddels is opgelost mag volgens de man verwacht worden dat de vrouw weer een winst uit onderneming genereerd die vergelijkbaar is met de jaren 2022 en 2023.
De rechtbank zal voorbij gaan aan het standpunt van de vrouw dat bij de berekening van haar draagkracht moet worden uitgegaan van een gemiddelde winst uit onderneming van de jaren 2022 tot en met 2024, te weten € 20.095,- per jaar. De rechtbank overweegt dat de vrouw niet heeft onderbouwd, op het indienen van de aangifte na, dat de cyberhack van 2023 nog steeds doorwerkt in haar onderneming en dat de gevolgen daarvan nog altijd merkbaar zijn. De rechtbank zal daarom aansluiting zoeken bij de voorlopige voorzieningen beschikking van 14 oktober 2025, en rekening houden met een gemiddelde winst uit onderneming van € 30.120,- in 2025, gebaseerd op de cijfers van de jaren 2022 en 2023.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
  • de inkomensafhankelijke combinatiekorting;
  • de zelfstandigenaftrek;
  • de MKB-winstvrijstelling;
  • het kindgebonden budget;
  • de alleenstaande ouderkop.
Aan de hand van deze uitgangspunten bedraagt het huidige NBI van de vrouw € 3.123,- per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt € 575,- per maand.
Zorgkorting
De rechtbank zal gelet op de nog benodigde opbouw van de zorgregeling en de uitgangspunten van het Rapport Alimentatienormen, een zorgkorting van 15% hanteren. De behoefte van de kinderen bedraagt € 2.127,- per maand, zodat de zorgkorting (2.127 x 0,15 = ) € 319,- per maand bedraagt.
Omdat onder regie van de gecertificeerde instelling de zorgregeling verder wordt uitgebreid zal voor dat geval een zorgkorting van 25% gaan gelden. Dit komt neer op een korting van € 532,-
Gezamenlijke draagkracht
Periode I: 11 februari 2026 tot aan de datum van de overdracht van de woning aan de man danwel verkoop van de woning aan een derde
De rechtbank stelt de gezamenlijke draagkracht van partijen vast op (656 + 575 =) € 1.231,- per maand. Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 896,- per maand.
Omdat sprake is van een tekort en dit tekort ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting, vervalt de zorgkorting van de man. Partijen zullen daarom maximaal, naar hun draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van de kinderen.
Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen is dus gelijk aan zijn draagkracht, te weten € 656,- per maand.
Periode II: vanaf de datum van de overdracht van de woning aan de man danwel verkoop van de woning aan een derde
De rechtbank stelt de gezamenlijke draagkracht van partijen vast op (1.369 + 575 =)
€ 1.944,- per maand. Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 183,- per maand.
Omdat er sprake is van een tekort van € 183,- per maand, wordt het tekort aan beide partijen voor de helft toegerekend. De helft van dit tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man dus € 91,- per maand. Dit betekent dat de man nog recht heeft op een zorgkorting van (319 – 91 =) € 228,- per maand.
Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt dan (1.369 – 228 =) € 1.142,- per maand, te weten € 571,- per kind per maand.
Bij een zorgkorting van 25% bedraagt de zorgkorting € 441,- en het aandeel van de man in de kosten van de kinderen € 928,- per maand, dat is € 464,- per kind per maand.
Conclusie
De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van de beschikking tot de datum van de overdracht van de woning door de man dan wel verkoop aan een derde, een kinderalimentatie van € 656,- per maand moet betalen voor de kinderen. De rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van de overdracht van de woning aan de man dan wel de verkoop aan een derde, een kinderalimentatie van € 1.142,- per maand moet betalen. Bij een zorgkorting van 25% wordt dit bedrag verlaagd naar € 928,- per maand.
Aanhechten beschikking
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen. Deze berekeningen zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Partneralimentatie
Omdat partijen onvoldoende draagkracht hebben om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie bij gebrek aan draagkracht afwijzen.
Verdeling van de huwelijksgemeenschap
Partijen zijn gehuwd op [datum] 2012 in [plaats 1] . Omdat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen bestaat. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte wordt verdeeld, nu het huwelijk is gesloten voor 1 januari 2018 (artikel 1:100 BW Pro).
Peildatum
Voor het vaststellen van de omvang van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, te weten 21 mei 2025. Als peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen geldt de datum van verdeling, tenzij de man en de vrouw anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan moet worden afgeweken. Dit laatste is gesteld noch gebleken.
OmvangPartijen hebben gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen in de ontbonden huwelijksgemeenschap vallen:
a. de echtelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats 2] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening
Namens de man is op de zitting het standpunt ingenomen dat iedere beslissing ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap moet worden aangehouden omdat niet alle vermogensbestanddelen zijn opgevoerd. Zo zouden er nog een woonark, inboedel en auto’s zijn die moeten worden verdeeld. De vrouw voert verweer. Hoewel er volgens haar inderdaad nog mogelijk is dat er andere vermogensbestanddelen zijn, is het van belang dat de verdeling van de huwelijksgemeenschap wordt vastgesteld.
De rechtbank overweegt dat partijen vanaf het begin van de procedure in mei 2025 de tijd hebben gehad om stukken ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap in te dienen. Het standpunt van de man dat de verdeling moet worden aangehouden is pas ingenomen op de zitting van 14 januari 2026, dit is naar het oordeel van de rechtbank te laat. Niet eerder is in stukken aangevoerd dat er andere vermogensbestanddelen zijn of moeten worden betrokken in de verdeling. Partijen zijn het er daarnaast niet over eens om welke vermogensbestanddelen dit dan gaat. De rechtbank is van oordeel dat partijen erbij gebaat zijn om de echtscheidingsprocedure zo snel mogelijk achter zich te laten en zich te gaan richten op de kinderen. De rechtbank zal daarom de verdeling van de huwelijksgemeenschap niet nader aanhouden. Mocht het later blijken dat er wel nog nadere vermogensbestanddelen zijn om te verdelen, dan dienen partijen dit met behulp van hun advocaten in onderling overleg te regelen.
Ad. a – de echtelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats 2] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening(en)
Partijen zijn allebei eigenaar van de echtelijke woning aan de [adres] in [plaats 2] , en op de echtelijke woning rust(en) een of meer hypothecaire geldlening(en).
De man wil de echtelijke woning overnemen. Hij vindt het belangrijk dat de kinderen (deels) in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen. De vrouw voert verweer. Zij is van mening dat de man hiertoe de afgelopen 1,5 jaar de mogelijkheid toe heeft gehad, en dat de man niet heeft aangetoond dat hij in staat is om de echtelijke woning over te nemen. De vrouw heeft er belang bij dat de woning daarom zo snel mogelijk verkocht gaat worden aan een derde.
De rechtbank zal bepalen dat de man in de gelegenheid wordt gesteld om de echtelijke woning over te nemen volgens de hierna in het dictum omschreven procedure. Indien de man niet in staat is om binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden te voldoen, moet de woning worden verkocht aan een derde, op de wijze en onder voorwaarden die eveneens hierna in het dictum zijn vermeld.
Proceskosten
Aangezien het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw, gehuwd op [datum] 2012 in [plaats 1] ;
*
bepaalt dat de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats 1] ,
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats 2] ,
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw:
*
bepaalt als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de even weken op woensdag- en vrijdagmiddag uit school tot 19.30 uur (na het avondeten) en in de oneven week de woensdagmiddag uit school tot 19.30 uur (na het avondeten) en vrijdag uit school tot maandag naar school bij de man zijn waarbij de gecertificeerde instelling de regie heeft over de opbouw van deze regeling en een eventuele verdere uitbreiding, alsmede voor wat betreft een verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 11 februari 2026 tot de datum van de overdracht van de echtelijke woning aan de man dan wel de verkoop van de echtelijke woning aan een derde, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet betalen van € 656,- per maand;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van de overdracht van de echtelijke woning aan de man dan wel verkoop van de echtelijke woning aan een derde, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet betalen van € 1.142,- per maand;
*
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats 2] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldleningen:
1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de vrouw aan de man binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;
de man dient binnen twee maanden na de taxatie aan de vrouw aan te tonen dat hij/zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
e kosten van de notariële overdracht worden door de man als kosten koper, voldaan;
partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2. indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben-de Vries, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 11 februari 2026.