Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5364

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
15 maart 2026
Zaaknummer
C/09/696429 / FA RK 25-9634
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 824 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging voorlopige zorgregeling na suïcidepoging vader en verslechterde psychische gesteldheid

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot wijziging van de voorlopige zorgregeling tussen ouders van twee minderjarige kinderen. De vader had een suïcidepoging gedaan en was depressief, waardoor de moeder de veiligheid van de kinderen bij de vader betwistte. De vader verzocht om uitbreiding van de zorgregeling, maar stelde geen gewijzigde omstandigheden vast die dit rechtvaardigden.

De rechtbank verklaarde de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoeken. De moeder was wel ontvankelijk in haar verzoek tot wijziging, gezien de verslechterde psychische gesteldheid van de vader en de onduidelijkheid over zijn draagkracht. De rechtbank stelde een beperkte zorgregeling vast waarbij de vader de kinderen wekelijks op zaterdag van 13.00 tot 17.00 uur onder begeleiding van oma vaderszijde mag zien.

De contactmomenten vinden plaats in de echtelijke woning of een passend alternatief na verhuizing van de moeder. De overdracht van de kinderen wordt geregeld door oma vaderszijde buiten aanwezigheid van de vader. De Raad voor de Kinderbescherming wordt verzocht een onderzoek te verrichten en advies uit te brengen voor de bodemprocedure. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Vader niet-ontvankelijk in verzoek tot wijziging, moeder ontvankelijk; zorgregeling beperkt met wekelijkse begeleide contactmomenten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9634
Zaaknummer: C/09/696429
Datum beschikking: 12 februari 2026

Wijziging voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 18 december 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.H.P.C. Glaudemans in Delft.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.H.M. de Vries-Veringa in Lisse.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder van:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het verweerschrift met zelfstandige verzoeken, met bijlagen;
  • het bericht van 26 januari 2026 van de vader, met bijlagen.
Op 29 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Feiten

  • De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd op 11 januari 2017 in [geboorteplaats 2] .
  • De vader en de moeder zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ;
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats 2] .
  • De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
  • Bij deze rechtbank is een echtscheidingsprocedure aanhangig, onder zaak- en rekestnummer C/09/682124 en FA RK 25-2067.

Verzoek en verweer

Bij beschikking van 19 februari 2025 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is bepaald dat:
  • de moeder met ingang van 1 maart 2025 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] in [plaats] , met bevel dat de vader die woning moet verlaten en verder niet mag betreden, met uitzondering van de momenten dat de vader volgens de voorlopige zorgregeling de zorg voor de kinderen heeft in de echtelijke woning;
  • de kinderen aan de moeder zullen worden toevertrouwd;
  • een voorlopige (opbouwende) zorgregeling wordt vastgesteld, waarbij de vader en de kinderen vanaf zaterdag 5 april 2025 de ene week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur contact met elkaar hebben en de week daarop op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur.
De vader verzoekt de beschikking van 19 februari 2025 te wijzigen, in die zin dat de rechtbank nu, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • primair: een voorlopige zorgregeling vaststelt, waarbij de kinderen de ene week van donderdagavond na het eten tot vrijdagavond na het eten en de andere week van donderdagavond na het eten tot zondagavond na het eten met de vader in de echtelijke woning verblijven, waarbij de moeder de echtelijke woning moet verlaten, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere keer dat de moeder na betekening in gebreke blijft om aan de in deze te wijzen beschikking te voldoen, een en ander zonder maximum vast te stellen;
  • subsidiair: de moeder te veroordelen om over te gaan tot nakoming van de bij beschikking van 19 februari 2025 vastgestelde voorlopige zorgregeling, waarbij de vader en de kinderen de ene week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur en de andere week van zaterdag 10.00 uur tot 19.00 uur in de echtelijke woning contact met elkaar hebben, waarbij de moeder de echtelijke woning moet verlaten, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere keer dat de moeder na betekening in gebreke blijft om aan de in deze te wijzen beschikking te voldoen, een en ander zonder maximum vast te stellen.
De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • de beschikking van 19 februari 2025 te wijzigen, in die zin dat de voorlopige zorgregeling wordt gewijzigd in een beperkte zorgregeling, waarbij de contactmomenten in begeleide vorm zullen plaatsvinden;
  • te bepalen dat een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming moet plaatsvinden, opdat in beeld kan worden gebracht welke zorgregeling het meest in het belang van de kinderen moet worden geacht;
  • de ouders te verwijzen naar BOR Humanitas of een soortgelijke hulpverleningsinstantie, opdat gestart kan worden met begeleide omgang.
De vader voert mondeling verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden gesproken.

Beoordeling

Voorlopige zorgregeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 824 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking inhoudende voorlopige voorzieningen worden gewijzigd of ingetrokken indien de omstandigheden na het geven van de beschikking zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorzieningen niet in stand kan blijven. Bij de toepassing van dit artikel geldt dat niet bij elke onjuistheid of onvolledigheid wijziging van de getroffen voorziening mogelijk is. Immers, met het opnemen van de zinsnede ‘in zodanige mate’ en ‘alle betrokken belangen in aanmerking genomen’ heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat niet iedere onjuistheid of onvolledigheid van gegevens waarvan de rechtbank is uitgegaan tot een wijziging of intrekking kan leiden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het moet gaan om evidente, zeer sprekende gevallen en dat de wetgever een eventuele wijzigingsmogelijkheid aan een streng criterium heeft willen binden. Zou dit anders zijn, dan zou een verzoek tot wijziging van voorlopige voorzieningen kunnen worden gebruikt om een verzuim te herstellen of zou een verkapt hoger beroep mogelijk zijn, wat niet de bedoeling is.
Verzoeken van de vader
De vader verzoekt primair om een uitbreiding van de voorlopige zorgregeling tussen hem en de kinderen en subsidiair om nakoming van de voorlopige zorgregeling met oplegging van een dwangsom.
De rechtbank overweegt en oordeelt over het primaire verzoek van de vader als volgt. De man heeft niet gesteld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden of van de situatie dat in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige zorgregeling niet in stand kan blijven, zoals bedoeld in artikel 824 lid 2 Rv Pro. De rechtbank zal de man daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn primaire verzoek.
De rechtbank overweegt en oordeelt over subsidiaire verzoek van de vader als volgt. Zoals op de zitting al is voorgehouden, is voor een verzoek tot nakoming van de voorlopige zorgregeling met een eventuele oplegging van een dwangsom een andere procedure aangewezen. De rechtbank zal de man daarom ook niet-ontvankelijk verklaren in zijn subsidiaire verzoek.
Verzoeken van de moeder
Ontvankelijkheid
Volgens de moeder gaat het sinds de vaststelling van de voorlopige zorgregeling tussen de vader en de kinderen (psychisch) steeds slechter met de vader en is de veiligheid van de kinderen bij de vader niet gewaarborgd.
De rechtbank overweegt als volgt. Bij beschikking van 19 februari 2025 van deze rechtbank is een voorlopige (opbouwende) zorgregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld. Vaststaat dat de vader op 7 juli 2025 een suïcidepoging heeft gedaan en dat de vader depressief is (geweest). De vader is 10 juli 2025 gestart met een behandeling door een psychiater en een sociaalpsychiatrisch behandelaar. Nu hij alleen een verslag van sessie 2 van 3 december 2025 en een verslag van sessie 4 van 7 januari 2026 heeft overgelegd, is er onvoldoende inzicht in de status van zijn behandeltraject. Evenmin is duidelijk geworden in hoeverre de vader nu draagkracht heeft om uitvoering te geven aan de voorlopige zorgregeling tussen hem en de kinderen. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat de moeder ontvankelijk is in haar verzoek tot wijziging van de voorlopige zorgregeling.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is gebleken dat de voorlopige zorgregeling tussen de vader en de kinderen na de suïcidepoging van de vader in juli 2025 op initiatief van de vader een korte periode geen doorgang heeft gevonden. De voorlopige zorgregeling is daarna weer opgestart, waarbij de contactmomenten tussen de vader en de kinderen plaatsvonden onder begeleiding van de moeder in de echtelijke woning van de ouders. Omdat de moeder zich onveilig voelde in het bijzijn van de vader, hebben de contactmomenten tussen de vader en de kinderen vanaf september plaatsgevonden onder begeleiding van vrienden uit de gezamenlijke vriendenkring van de ouders. Eind september heeft de moeder de voorlopige zorgregeling tussen de vader en de kinderen eenzijdig stopgezet, omdat de vader volgens de moeder – wat hij overigens betwist – onder invloed van alcohol bij de kerk zou zijn geweest. De vader heeft de kinderen sindsdien een aantal keren kort gezien in oktober, november en december, steeds onder begeleiding van een derde. Het laatste contactmoment tussen de vader en de kinderen was op 13 december 2025. De hulporganisatie Voorieder1 is betrokken bij de moeder en de kinderen. Bij Veilig Thuis zijn door verschillende instanties, zoals de politie en het ziekenhuis, meerdere meldingen gedaan en Veilig Thuis heeft volgens de moeder in december 2025 aangegeven een onderzoek te zullen gaan starten. De discussie tussen de moeder en de vader spitst zich met name toe op twee punten, te weten de duur van de contactmomenten tussen de vader en de kinderen en de vraag of daarbij (professionele) begeleiding aanwezig moet zijn.
De moeder geeft aan dat de kinderen recht hebben op contact met de vader, maar dat vanwege de verslechterde psychische gesteldheid van de vader geen uitvoering meer kan worden gegeven aan de vastgestelde voorlopige zorgregeling. De veiligheid van de kinderen bij de vader is niet gewaarborgd. De moeder wil daarom een beperkte voorlopige zorgregeling, waarbij de contactmomenten in begeleide vorm zullen plaatsvinden.
De vader betwist dat zijn psychische gesteldheid maakt dat de vastgestelde voorlopige zorgregeling moet worden beperkt en dat de contactmomenten tussen hem en de kinderen begeleid moeten worden. Dat het op dit moment (weer) niet zo goed gaat met de vader, komt omdat hij de kinderen op 13 december 2025 voor het laatst heeft gezien en hij de kinderen enorm mist.
De rechtbank overweegt als volgt. Anders dan bij de vaststelling van de voorlopige zorgregeling zijn er naar het oordeel van de rechtbank nu wel zwaarwegende omstandigheden die aan onbegeleid contact tussen de vader en de kinderen in de weg staan. De rechtbank maakt zich, net als de moeder, zorgen over de psychische gesteldheid en de gemoedstoestand van de vader. Vaststaat dat de vader op 7 juli 2025 een suïcidepoging heeft gedaan en dat de vader depressief is (geweest). De vader is hiervoor in behandeling, maar zoals hierboven aangegeven, is de precieze status van het behandeltraject en wat dit betekent voor de draagkracht van de vader om veilig en in het belang van de kinderen uitvoering te geven aan een voorlopige zorgregeling tussen de vader en de kinderen onvoldoende duidelijk geworden. Dat de omgang wordt begeleid door een professionele hulpverleningsinstantie zoals BOR Humanitas, zoals door de moeder is geopteerd, acht de rechtbank niet noodzakelijk. Naar het zich laat aanzien gaat het niet goed met de vader, waardoor hij wellicht niet de draagkracht heeft om in te zien wat de kinderen nodig hebben en vragen. Er is begeleiding nodig om de vader daarin te ondersteunen, hetgeen evengoed door begeleiding uit de eigen kring kan worden geboden. Bovendien bestaan voor dergelijke trajecten lange wachtlijsten, terwijl de rechtbank het belangrijk vindt dat het contact tussen de vader en de kinderen zo snel mogelijk wordt hervat. Op de zitting heeft de vader aangegeven dat zijn moeder, dus oma vaderszijde, de contactmomenten (voorlopig) kan begeleiden. De moeder heeft ingestemd met begeleiding van de contactmomenten door oma vaderszijde. Door de contactmomenten tussen de vader en de kinderen in het kader van deze voorlopige zorgregeling te laten begeleiden door oma vaderszijde wordt naar het oordeel van de rechtbank op dit moment voldoende tegemoet gekomen aan de zorgen van de moeder en is de veiligheid van de kinderen bij de vader voldoende gewaarborgd. Naar het oordeel van de rechtbank kan van oma vaderszijde niet gevergd worden dat zij hele dagen en overnachtingen begeleidt, dus daarom zal de rechtbank vaststellen dat de kinderen voorlopig iedere week op zaterdag van 13.00 uur tot 17.00 uur met de vader zijn. De contactmomenten zullen in de basis plaatsvinden in de echtelijke woning van de ouders. Op de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij eind februari/begin maart zal gaan verhuizen naar een sociale huurwoning en dat de echtelijke woning dan leeg zal zijn. De moeder wil haar nieuwe adres niet kenbaar maken aan de vader. Als de contactmomenten tussen de vader en de kinderen niet meer plaats kunnen vinden in de echtelijke woning na de verhuizing van de moeder en de kinderen, is het aan de moeder om voor een passend alternatief – bijvoorbeeld bij oma vaderszijde of bij iemand uit de gezamenlijke vriendenkring thuis of alsnog in haar nieuwe woning – te zorgen, zodat het contactmoment tussen de vader en de kinderen in hun het belang altijd doorgang vindt. Het is daarbij van belang dat het contact plaats kan vinden in een huiselijke setting, en dus niet in (bijvoorbeeld) een openbare (buiten)ruimte. De rechtbank zal verder bepalen dat de moeder de kinderen wegbrengt en ophaalt. De overdracht van de kinderen vindt plaats via oma vaderszijde, buiten aanwezigheid van de vader. De vader dient zich derhalve bij de overdracht van de kinderen door de moeder aan oma vaderszijde (en vice versa) uit het zicht te houden en zich op geen enkele manier te bemoeien met de overdracht.
Vanwege de huidige uiterst gecompliceerde situatie, de gebeurtenissen in het recente verleden, het gebrek aan onderlinge communicatie en het gebrek aan vertrouwen van met name de moeder in de vader, acht de rechtbank – vooruitlopend op de beslissingen in de bodemprocedure – een raadsonderzoek geïndiceerd. Op de zitting hebben de ouders daarmee ingestemd. De rechtbank zal daarom de Raad verzoeken een onderzoek te doen, zodat het daaruit voortvloeiende advies betrokken kan worden bij de beoordeling van de verzoeken over de zorgregeling in de bodemprocedure. Meer in het bijzonder verzoekt de voorzieningenrechter de Raad om de rechtbank te adviseren over de volgende vragen:
  • welke zorgregeling met de man is het meest in het belang van de kinderen en onder welke eventuele voorwaarden?
  • is verdere hulpverlening nodig voor de vader, de moeder en/of de kinderen en zo ja, welke?
Als de Raad dit noodzakelijk acht, kan hij dit onderzoek uitbreiden met een beschermingsonderzoek.
De Raad moet hierover dus advies uitbrengen in de bodemprocedure
onder zaak- en rekestnummer C/09/682124 en FA RK 25-2067. De ouders wordt, gelet op het voorgaande, opgedragen een kopie van deze beschikking in te brengen in de bodemprocedure.
Tot slot benadrukt de rechtbank het belang van het opvolgen door beide ouders van het op de zitting door de Raad gegeven advies om zich beiden te melden bij de praktijkondersteuner van de huisarts om hulpverlening voor de kinderen op te starten. Naast het omgaan met de scheiding van hun ouders speelt er ook veel rondom de vader. De kinderen hebben hier hulp bij nodig. Het is de ouders tot nu toe niet gelukt om dit samen te regelen, maar dit zal wel op korte termijn moeten gebeuren. De rechtbank gaat ervan uit dat de vader, overigens net als de moeder, zijn toestemming hiervoor in het belang van de kinderen onverwijld zal verlenen.
Beslissing
De rechtbank:
*
– met wijziging in zoverre van de beschikking van 19 februari 2025 van deze rechtbank –:

bepaalt dat de vader voorlopig gerechtigd is om de minderjarigen:

  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ;
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats 2] ;
bij zich te hebben:
  • iedere week op zaterdag van 13.00 uur tot 17.00 uur, onder begeleiding van oma vaderszijde;
  • waarbij de moeder de kinderen wegbrengt en ophaalt en oma vaderszijde de overdracht van de kinderen regelt, buiten aanwezigheid van de vader;
  • waarbij de contactmomenten plaatsvinden in de echtelijke woning van de ouders en waarbij de moeder voor een passend alternatief moet zorgen als de contactmomenten daar na de verhuizing van de moeder en de kinderen niet meer plaats kan vinden;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het in het lichaam van deze beschikking omschreven doel en daarover aan de rechtbank ten behoeve van de bodemprocedure
onder zaak- en rekestnummer C/09/682124 en FA RK 25-2067te rapporteren en advies uit te brengen;
de Raad voor de Kinderbescherming kan daartoe telefonisch een eerste afspraak maken met de ouders, die te bereiken zijn via de telefoonnummers van hun advocaten: 015 – 215 29 29 (advocaat van de vader) en 085 – 890 21 82 (advocaat van de moeder);
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoeken tot wijziging van de voorlopige zorgregeling;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 12 februari 2026.