ECLI:NL:RBDHA:2026:5387

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
15 maart 2026
Zaaknummer
C/09/698267 / JE RK 26-115
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 265 RvArt. 270 lid 1 RvArt. 1:255 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van minderjarige kinderen wegens bedreigde ontwikkeling en contactproblemen

De rechtbank Den Haag heeft op 12 februari 2026 een beschikking gegeven tot ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen op verzoek van de vader. De vader verzocht dit omdat de begeleide omgang tussen hem en de kinderen niet van de grond komt, mede door de geheime verblijfplaats van de moeder en de kinderen. De vader heeft de kinderen inmiddels twee jaar niet gezien, wat volgens de rechtbank een bedreiging vormt voor hun ontwikkeling, vooral gezien hun jonge leeftijd.

De kinderen hebben een belaste voorgeschiedenis met huiselijk geweld, waardoor er nog steeds zorgen zijn over hun veiligheid. De rechtbank acht het noodzakelijk dat er meer duidelijkheid komt en mogelijk nader onderzoek wordt verricht naar de hulpbehoefte van de kinderen. Beide ouders willen zich inzetten, maar het lukt hen niet om het contact vrijwillig te herstellen.

De rechtbank wijst het Leger des Heils aan als gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling zal uitvoeren. De instelling krijgt de regie over het opstarten en uitbreiden van het contact tussen vader en kinderen, met als doel opvoedondersteuning en verbetering van de communicatie tussen de ouders. De ondertoezichtstelling geldt voor de duur van één jaar en is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank stelt de minderjarige kinderen onder toezicht van het Leger des Heils voor de duur van één jaar vanwege bedreigde ontwikkeling en contactproblemen met de vader.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/698267 / JE RK 26-115
Datum uitspraak: 12 februari 2026

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling

in de zaak naar aanleiding van het op 23 januari 2026 ingekomen verzoekschrift van:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.S. de Haas te Geertruidenberg.
betreffende:

[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 1];
en

[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. El Aqde te Amsterdam.
De kinderrechter merkt aan als informant:

De Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,

de Raad.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift.
Op 12 februari 2026 heeft op een zitting van deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel onderhavig verzoek als de procedure inzake de echtscheiding met nevenvoorzieningen (bekend onder de zaaknummers: C/09/677398 / FA RK 24-9011). Hierop zal in een afzonderlijke beschikking worden beslist.
Op de zitting zijn verschenen:
­ de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
­ de advocaat van de moeder;
­ [naam] namens de Raad.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de zitting verschenen.

Feiten

­ De vader en de moeder zijn gehuwd op [datum] 2018 te [plaats], [land]. Bij beschikking van deze rechtbank van 16 september 2025 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.
­ Zij zijn de ouders van voornoemde minderjarigen.
­ De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.
­ Bij beschikking van deze rechtbank van 16 september 2025 is – naast de echtscheiding en voor zover van belang –:
  • de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder bepaald;
  • een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld, waarbij er contact is tussen de vader en de kinderen onder begeleiding en regie van het CJG en waarbij de vader en de kinderen begeleide omgang hebben volgens een opbouwregeling, waarbij toegewerkt wordt naar om de week een dagdeel;
  • iedere verdere beslissing over de definitieve zorgregeling aangehouden.
  • De vader heeft de Nederlandse en de moeder heeft de Marokkaanse nationaliteit.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de periode van één jaar.
De moeder heeft ingestemd met het verzoek.

Beoordeling

Relatieve bevoegdheid
Op grond van artikel 265 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen de rechter bevoegd van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, het werkelijk verblijf van de minderjarige. De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat de woonplaats van de moeder en de kinderen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift buiten het arrondissement van de rechtbank Den Haag is gelegen, zodat de rechtbank Den Haag in beginsel niet bevoegd is.
Uit artikel 270 lid 1 Rv Pro volgt echter dat een verwijzing naar de bevoegde rechtbank niet plaatsvindt, indien de verzoeker en de opgeroepen belanghebbenden hebben aangegeven dat zij geen verwijzing willen. Uit de verklaringen van partijen op de zitting, leidt de rechtbank af dat zij geen verwijzing wensen. De rechtbank acht dit – mede gelet op het feit dat ook de procedure over de zorgregeling bij deze rechtbank aanhangig is – ook vanuit praktisch oogpunt het meest passend. De rechtbank zal daarom kennisnemen van het verzoek.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:255 lid 2 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of het Openbaar Ministerie. Daarnaast zijn een ouder en degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek, indien de Raad voor de Kinderbescherming niet tot indiening van het verzoek overgaat.
De rechtbank zal de vader ontvangen in zijn verzoek, nu op grond van de stukken en de mondelinge toelichting van de Raad op de zitting, is gebleken dat – hoewel zij het verzoek van de vader begrijpen – de Raad zelf niet overgaat tot de indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De vader heeft verzocht om de ondertoezichtstelling van de kinderen, omdat de (begeleide) omgang tussen hem en de kinderen – zoals bepaald door de rechtbank in de echtscheidingsbeschikking – niet van de grond komt. Hoewel dit volgens de vader wordt veroorzaakt door de weigerachtige houding, bestaan er ook praktische problemen bij de uitvoer, onder andere vanwege de geheime verblijfplaats van de moeder en de kinderen. Het is daardoor lastig om de hulpverlening te organiseren. Feit is echter dat de vader de kinderen hierdoor inmiddels al twee jaar niet heeft gezien. Met de vader is de kinderrechter van oordeel dat dit leidt tot een bedreiging in hun ontwikkeling, in het bijzonder vanwege hun jonge leeftijd. Bij [minderjarige 1] ontstaan inmiddels ook vragen over waar zijn vader is en waarom hij hem niet ziet. De kinderen hebben daarnaast een belaste voorgeschiedenis, waarbij sprake is geweest van huiselijk geweld. Hierdoor bestaan nog altijd zorgen over de veiligheid, waarover meer duidelijkheid moet komen. Daarbij is mogelijk ook nader onderzoek nodig naar de kinderen en wat voor hulpverlening zij eventueel nodig hebben. Op de zitting is weliswaar gebleken dat beide ouders zich willen inzetten, maar dat het hen in het vrijwillig kader niet lukt om het contact weer op gang te brengen.
De kinderrechter zal daarbij het Leger des Heils als gecertificeerde instelling aanwijzen, omdat zij landelijk werkzaam zijn. De ondertoezichtstelling moet daarbij zijn gericht op het bieden van opvoedondersteuning bij beide ouders, zo mogelijk het inzetten van (een vorm van) ouderschapsbemiddeling of ander traject om de communicatie tussen de ouders te verbeteren en het zo snel mogelijk tot stand brengen van begeleide omgang tussen de vader en de kinderen. De kinderrechter legt daarbij de regie voor het opstarten en eventueel uitbreiden van het contact bij de gecertificeerde instelling, in samenspraak met de ouders en eventueel de organisatie die de omgang zal gaan begeleiden.
De kinderen zullen onder toezicht gesteld worden voor de duur van één jaar. De kinderrechter acht dit, met het oog op de problematiek en de te behalen doelen, een passende periode.

Beslissing

De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van tot 12 februari 2026 tot 12 februari 2027 onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026 door mr. G. van Zeben-de Vries, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Boekema als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 26 februari 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.