Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5426

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/09/680441 / FA RK 25-1214
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgregeling vastgesteld voor contact tussen minderjarige en moeder

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot vaststelling van een zorgregeling tussen een minderjarige en zijn moeder. De moeder heeft het eenhoofdig gezag, maar de minderjarige verblijft sinds december 2025 volledig bij de vader. De vader heeft zijn eerdere verzoeken ingetrokken, waarna de rechtbank alleen het vervangend verzoek van de moeder beoordeelde.

De rechtbank constateerde dat de minderjarige weerstand voelt tegen contact met zijn moeder en het prettig vindt bij zijn vader te wonen. Gezien de leeftijd van de minderjarige achtte de rechtbank het niet realistisch om contact af te dwingen, maar vond het niet in het belang van het kind dat het contact geheel ontbreekt.

Daarom werd een zorgregeling vastgesteld waarbij de minderjarige één keer per week contact heeft met zijn moeder, waarbij hij zelf mag bepalen hoe dit contact plaatsvindt, bijvoorbeeld via WhatsApp, bellen of fysiek contact. De rechtbank verwacht dat de vader het contact stimuleert en benadrukte het belang van een band met beide ouders voor de ontwikkeling van het kind.

Verder zijn afspraken gemaakt over de kosten en het beheer van kinderbijslag en kindgebonden budget. De rechtbank wees het meer of anders verzochte af en bepaalde dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank stelt een zorgregeling vast waarbij de minderjarige wekelijks contact heeft met zijn moeder, waarbij hij zelf bepaalt hoe het contact plaatsvindt.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1214
Zaaknummer: C/09/680441
Datum beschikking: 13 februari 2026

Zorgregeling

Beschikking op het op 11 februari 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T.Y. Tsang te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.D. Haytink te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 19 februari 2025 van de advocaat van de vader, met bijlage;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 13 januari 2026 van de advocaat van de moeder, met bijlage.
De minderjarige [minderjarige] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 16 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] .
- De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.
- Bij beschikking van 2 maart 2015 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
- het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten afgewezen;
- bepaald dat [minderjarige] bij de vader zal zijn:
- eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag uit school ophaalt en hem op maandag naar school brengt;
- de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij de vader [minderjarige] bij de moeder ophaalt en terugbrengt;
- bepaald dat [minderjarige] tijdens de omgang de ooievaarspas mee krijgt van de
moeder, welke pas na afloop van de omgang weer door de vader aan de moeder zal
worden afgegeven.
-Bij beschikking van 16 december 2015 van het gerechtshof Den Haag zijn – voor zover hier van belang – partijen, alvorens nader te beslissen ten aanzien van het gezag, verwezen naar Jeugdbescherming west, Expertisecentrum Haaglanden voor toeleiding en doorverwijzing naar het traject Ouderschap Blijft. Daarbij is iedere verdere beslissing aangehouden tot 25 juni 2016, in afwachting van rapportage omtrent het verloop van het traject Ouderschap Blijft.
-Bij vonnis in kort geding van 9 mei 2017 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – bepaald dat, totdat in een bodemprocedure over de omgang is beslist, de omgangsregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 2 maart 2015 wordt opgeschort.
-Bij beschikking van 5 juli 2017 van deze rechtbank is – voor zover hier van
belang –:
-de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
-iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang en de dwangsom aangehouden tot 15 oktober 2017.
-Bij beschikking van 13 december 2017 van het gerechtshof Den Haag is – voor zover hier van belang – de beschikking van 2 maart 2015 van deze rechtbank voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigd.
-Bij beschikking van 5 maart 2018 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
-bepaald dat de behandeling van het verzoek ten aanzien van de omgang zal worden voortgezet op de zitting van 16 mei 2018 te 15.00 uur;
-bepaald dat de moeder uiterlijk tien dagen vóór de dag van de zitting de rechtbank zal informeren over de actuele stand van zaken over de behandeling van [minderjarige] bij de kinderpsycholoog en de visie van de kinderpsycholoog over de draagkracht van [minderjarige] voor een omgangsregeling;
-iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang aangehouden.
-Bij beschikking van 14 juni 2018 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
-bepaald dat de ouders zich zullen wenden tot het Centrum voor Jeugd en Gezin om onder begeleiding het contact tussen de vader en [minderjarige] te laten plaatsvinden;
-bepaald dat de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] voorlopig aldus zal zijn dat de contacten onder begeleiding van het Centrum voor Jeugd en Gezin zullen plaatsvinden, waarbij deze voorlopige omgangsregeling in onderling overleg (op advies van het Centrum voor Jeugd en Gezin) kan worden gewijzigd of uitgebreid;
-iedere verdere beslissing ten aanzien van de definitieve omgangsregeling aangehouden tot 15 december 2018.
- Bij beschikking van 10 januari 2022 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – bepaald dat vanaf 10 januari 2022 geen uitvoering zal worden gegeven aan de omgangsregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 2 maart 2015 tussen de vader en [minderjarige] .

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht:
- een omgangsregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige] wekelijks van vrijdag na
schooltijd tot maandag voor schooltijd bij de vader zal verblijven;
- te bepalen dat de moeder deze omgangsregeling faciliteert en naleeft, met een
dwangsom van € 250,- per dag, indien zij zich niet aan de regeling houdt;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de moeder zelfstandig verzocht:
- een zorgregeling vast te stellen tussen de vader en [minderjarige] zoals onder punt 5
van het verweerschrift is verzocht, in die zin dat [minderjarige] af en toe met zijn vader afspreekt wanneer hij tijd heeft;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
Bij F9-formulier van 13 januari 2026 heeft de moeder aanvullend zelfstandig verzocht:
- een zorgregeling vast te stellen tussen de moeder en [minderjarige] zoals onder punt 6
van het aanvullend zelfstandig verzoekschrift is verzocht, in die zin dat [minderjarige] een keer per week naar de moeder komt, bijvoorbeeld op zaterdag vanaf 12.00 uur;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

Beoordeling

Zorgregeling
Voorliggende verzoeken
Op de zitting heeft de vader zijn verzoeken ingetrokken. De rechtbank heeft op de zitting aan de moeder voorgehouden of haar aanvullend verzoek van 13 januari 2026 moet worden begrepen als een vervangend verzoek. De moeder heeft hiermee ingestemd. De rechtbank hoeft dus alleen nog op het vervangend verzoek van de moeder te beslissen.
Juridisch kader
Nu de moeder met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] is belast, moet het verzoek worden beoordeeld aan de hand van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van het eerste lid van dit artikel heeft het kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzegt.
Op grond van het eerste lid van artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat later de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Overwegingen rechtbank
De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] , maar [minderjarige] verblijft momenteel bij de vader. Nu aan de rechtbank uitsluitend nog het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] voorligt, zal de rechtbank in het vervolg spreken van een zorgregeling in plaats van een omgangsregeling.
Gebleken is dat [minderjarige] op zijn initiatief sinds december 2025 volledig bij de vader verblijft. De moeder stemt hiermee in, maar zij wil wel graag wekelijks contact met [minderjarige] , nu zij op dit moment geen contact met hem heeft. De vader verzet zich niet tegen contact tussen de moeder en [minderjarige] , maar de vader heeft aangegeven dat [minderjarige] geen contact met zijn moeder wil. De rechtbank kan niet vaststellen wat precies is voorgevallen en wat de beweegredenen voor [minderjarige] zijn geweest om naar de vader te gaan. De rechtbank constateert wel dat [minderjarige] weerstand voelt tegen contact met zijn moeder en hij het momenteel prettig vindt om bij zijn vader te wonen. Daarbij overweegt de rechtbank dat [minderjarige] op een leeftijd is dat het niet realistisch is om het contact tussen de moeder en [minderjarige] af te dwingen. De rechtbank heeft daarom overwogen om te bepalen dat er tussen [minderjarige] en de moeder geen fysieke zorgregeling geldt. De rechtbank acht het echter niet in het belang van [minderjarige] dat het contact met zijn moeder in het geheel ontbreekt, zoals op dit moment de situatie is. Zoals op de zitting is besproken, ligt het op de weg van de vader om het contact tussen [minderjarige] en de moeder te stimuleren. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder vaststellen en bepalen dat [minderjarige] één keer per week contact heeft met zijn moeder, waarbij [minderjarige] zelf mag bepalen op welke wijze dit contact plaatsvindt. Het contact mag dus plaatsvinden middels een WhatsApp-bericht of spraakbericht van [minderjarige] aan de moeder, dan wel dat [minderjarige] en de moeder met elkaar bellen of dat er een fysiek contactmoment plaatsvindt. Het contact mag door [minderjarige] ook op een andere wijze worden ingevuld. De rechtbank kiest voor deze beperkte zorgregeling, omdat zij de weerstand bij [minderjarige] tegen contact met zijn moeder niet verder wil vergroten. De rechtbank verwacht van de vader dat hij duidelijk naar [minderjarige] uitspreekt dat hij het belangrijk vindt dat [minderjarige] het contact met zijn moeder herstelt. Het is belangrijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] dat hij een band behoudt met zijn moeder, temeer nu [minderjarige] de afgelopen jaren volledig bij de moeder heeft verbleven.
De rechtbank merkt nog het volgende op. Als [minderjarige] er in de toekomst voor kiest om weer bij de moeder te wonen, is het van belang dat de ouders hierover duidelijke afspraken maken met [minderjarige] . De rechtbank onderschrijft hetgeen de Raad op de zitting heeft aangegeven, namelijk dat de ouders gezamenlijk moeten voorkomen dat [minderjarige] heen en weer schippert tussen de ouders.
De rechtbank zal de omgangsregeling vaststellen als na te melden en het meer of anders verzochte te dien aanzien afwijzen.
Kosten [minderjarige]
Op de zitting hebben de ouders met elkaar afgesproken dat zij de kinderbijslag in termijnen van telkens één maand op de rekening van [minderjarige] zullen storten en dat het kindgebonden budget aan de moeder zal worden uitbetaald. Gelet hierop zal de moeder de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige] dragen. Verder hebben de ouders met elkaar besproken dat de vader de uitgaven voor [minderjarige] van tevoren met de moeder zal afstemmen. Ook zullen de ouders in onderling overleg met elkaar regelen dat zaken zoals een bril en de orthodontist voor [minderjarige] worden georganiseerd. Deze afspraken lenen zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervan uit dat beide ouders dit zullen nakomen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Brief aan [minderjarige]
De rechtbank zal [minderjarige] in de volgende, gelijktijdig met deze beschikking te versturen aparte brief, uitleggen wat de rechtbank heeft besloten:
Beste [minderjarige] ,
Op vrijdag 16 januari 2026 hebben wij elkaar gesproken. Je hebt mij verteld dat je sinds kort bij je vader woont. Daarvoor heb je heel lang bij je moeder gewoond. Daar voelde je je niet veilig, omdat je best vaak ruzie had met je moeder. Je hebt een jaar ergens anders gewoond in de tijd dat je bij je moeder was. Dat was eerst bij [instelling 1] en later bij [instelling 2] . Dat vond je verschrikkelijk, omdat je daar helemaal niet thuishoorde. Je woont nu bij je vader en daar vind je het fijn. Jullie sporten samen en het is gezellig.
Ik heb ook met jouw ouders gesproken. Jouw vader zei ook dat jullie het goed hebben samen. Je vader is heel blij dat hij jou nu weer ziet, nadat er een hele lange tijd geen contact was. Jouw moeder mist jou heel erg. Ze vindt het heel moeilijk om je niet te zien of te spreken en is daar verdrietig over.
Ik vind het heel belangrijk dat het goed met jou gaat. Dat je woont waar je je prettig voelt, dat er goed voor je wordt gezorgd, en dat je naar school gaat. Je vader heeft gezegd dat hij goed voor je zorgt. Hij is samen met jou en [naam 2] een opleiding aan het regelen. Je vader gaat ook een bril voor je regelen en een afspraak bij de ortho voor je maken. Dat klinkt allemaal goed. Je moeder vindt het goed dat je nu bij je vader blijft, en ik vind dat ook.
Hoewel jij er nu anders over denkt, horen je vader en je moeder allebei bij jou. Je bent voor de helft van je vader en voor de helft van je moeder afkomstig. Dat kun je niet zomaar uitgummen. Daarom heb ik met jouw ouders besproken dat er wel contact moet zijn tussen jou en je moeder. Je moeder wil heel graag weten dat het goed met je gaat. Je vader vindt het ook belangrijk dat je contact met je moeder hebt. Daarom is het de bedoeling dat er één keer per week contact is tussen jou en je moeder. Omdat je 17 jaar bent en omdat ik jou goed heb gehoord, mag jij wel zelf weten hoe dat contact eruit ziet. Je mag een appje of een spraakbericht sturen, of bellen, of langs gaan, of op een andere manier contact houden.
Nou [minderjarige] ( [minderjarige] ), ik vond het fijn je gesproken te hebben! Hopelijk kan je snel met je opleiding starten en ga je je draai weer een beetje vinden.
Vriendelijke groet,
De kinderrechter

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 10 januari 2022 van deze rechtbank –:
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 te
[geboorteplaats] , één keer per week contact zal hebben met de moeder, waarbij [minderjarige] zelf mag invullen op welke wijze dit contact plaatsvindt en het contact aldus mag plaatsvinden middels een WhatsApp-bericht of een spraakbericht van [minderjarige] aan de moeder, dan wel dat [minderjarige] en de moeder met elkaar bellen of dat er een fysiek contactmoment plaatsvindt, of op een andere wijze;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 13 februari 2026.