ECLI:NL:RBDHA:2026:5442

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
697296 en 698205
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en afwijzing machtiging gesloten jeugdhulp en uithuisplaatsing minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde op 13 februari 2026 het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtigingen voor uithuisplaatsing en gesloten jeugdhulp van een minderjarige geboren in 2010. De minderjarige verblijft momenteel op een hybride groep van iHub en heeft positieve stappen gezet in haar ontwikkeling, maar er bestaat een patstelling over haar toekomst.

De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en machtigingen voor gesloten jeugdhulp en uithuisplaatsing vanwege ernstige zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder, die kampt met psychische problematiek en onvoldoende opvoedvaardigheden bezit. De moeder ontkent deze problematiek en voert verweer tegen de machtigingen, maar niet tegen de ondertoezichtstelling.

De rechtbank constateert dat de moeder onvoldoende in staat is om de minderjarige een veilige opvoeding te bieden en dat de samenwerking met de gecertificeerde instelling moeizaam verloopt. Hoewel de uithuisplaatsing de fysieke veiligheid waarborgt, leidt deze tot stagnatie en regressie in de ontwikkeling van de minderjarige. Er zijn geen signalen van acuut gevaar bij terugkeer naar de moeder, waardoor de rechtbank het belang van de minderjarige bij thuisplaatsing zwaarder weegt.

De rechtbank verlengt daarom de ondertoezichtstelling voor een jaar en wijst de verzoeken tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en (voorwaardelijke) machtiging gesloten jeugdhulp af. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling voor een jaar en wijst de verzoeken tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en gesloten jeugdhulp af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer:
I. C/09/697296 / JE RK 26-28
II. C/09/698205 / JE RK 26/106
Datum uitspraak: 13 februari 2026
Beschikking van de meervoudige kamer
I.
Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
II.
(Voorwaardelijke) machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] ,
advocaat: mr. I. Aardoom-Fuchs uit Gouda.
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. de Bluts uit Zoetermeer.
De rechtbank merkt als informanten aan:
[naam 1](trajectbegeleider)
en [naam 2](gedragswetenschapper), vanuit iHub.
1.
Het verloop van de procedure
1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift (I) met bijlagen, ontvangen op 7 januari 2026;
  • het verzoekschrift (II) met bijlagen, ontvangen op 21 januari 2026;
  • het emailbericht van de moeder met bijlage van 13 januari 2026;
  • de brief van de gecertificeerde instelling van 3 februari 2026;
  • het gewijzigde verzoekschrift in verzoek II, ontvangen op 9 februari 2026;
  • de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper met bijlagen van 9 februari 2026.
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 3] en [naam 4] namens de gecertificeerde instelling;
  • [de minderjarige] met haar advocaat;
  • de moeder met haar advocaat;
  • [naam 1] en [naam 2] vanuit iHub.
1.3. De rechtbank heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover, in het bijzijn van haar advocaat, een gesprek gevoerd met de rechtbank. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [de minderjarige] in het afzonderlijke gesprek met de rechtbank heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] is erkend door [naam 5] .
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] verblijft op de (hybride) [groep] van iHub.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 januari 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 19 februari 2026. Bij beschikking van 12 juni 2025 heeft de kinderrechter van deze rechtbank een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 19 februari 2026. Bij beschikking van 4 september 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp verleend tot 14 oktober 2025. Bij beschikking van 6 oktober 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp verlengd tot 19 februari 2026.

3.De verzoeken van de gecertificeerde instelling

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
De gecertificeerde instelling verzoekt daarnaast – na schriftelijke wijziging en toelichting ter zitting – primair een machtiging te verlenen om [de minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden en subsidiair om de voorwaardelijke machtiging om [de minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlengen voor de duur van zes maanden. Daarnaast verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen, zoals toegelicht ter zitting voor de duur van een jaar. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.3.
De gecertificeerde instelling heeft de verzoeken, schriftelijk en ter zitting, als volgt gemotiveerd. Er bestaan nog steeds grote zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] . De moeder kampt met psychische problematiek. Zij is in november 2025 in het kader van een crisissituatie beoordeeld door GGZ Rivierduinen. Het is onbekend wat uit de crisisbeoordeling naar voren is gekomen, maar hierna is de samenwerking tussen de moeder en de gecertificeerde instelling (nog verder) onder druk komen te staan en zijn de zorgen over het (psychisch) welzijn van de moeder toegenomen. Ook zijn de bezoekmomenten tussen [de minderjarige] en de moeder een aantal weken stilgelegd, omdat de moeder weigerde informatie te verschaffen over de crisisbeoordeling, terwijl de gecertificeerde instelling dat noodzakelijk vond om een goede veiligheidsinschatting te kunnen maken. Uiteindelijk is het verlof voor [de minderjarige] bij moeder thuis herstart nadat OGGZ heeft aangegeven niet de zorg te hebben dat moeder op dat moment een gevaar voor zichzelf of [de minderjarige] vormde. Wel heeft de moeder afgelopen week een gebiedsverbod opgelegd gekregen voor de [wijk] in [plaats] vanwege aanhoudende verbale agressie, doodsbedreigingen en seksueel grensoverschrijdend gedrag vanuit de moeder naar verschillende medewerkers van de gecertificeerde instelling. De psychiater vanuit GGZ Rivierduinen heeft daarbij aangegeven dat een procedure wordt gestart om een zorgmachtiging in het kader van de Wvggz voor de moeder te verkrijgen. Op dit moment ziet de gecertificeerde instelling geen mogelijkheden voor samenwerking met de moeder. Hoewel [de minderjarige] en de moeder de sterke wens hebben dat [de minderjarige] weer volledig thuis komt wonen, acht de gecertificeerde instelling een thuisplaatsing niet in het belang van [de minderjarige] . De opvoedsituatie bij de moeder is onvoldoende veilig voor haar. De moeder is onvoldoende in staat om de benodigde hulpverlening te accepteren, de gevaren en zorgen over [de minderjarige] in te schatten, [de minderjarige] de regels en grenzen te bieden die zij nodig heeft en een positieve samenwerking met de gecertificeerde instelling te onderhouden. Ook beschikt de moeder over gebrekkige opvoedvaardigheden.
3.4.
[de minderjarige] verblijft momenteel met een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp en een reguliere machtiging tot uithuisplaatsing op de (hybride) [groep] van iHub. Het afgelopen jaar heeft [de minderjarige] positieve stappen gezet. Ze werkt mee met de hulpverlening, ze heeft haar verlof opgebouwd en zij is open en eerlijk over waar zij tegenaan loopt. Ook staat zij open voor het volgen van een KOPP-training en gaat zij naar dagbesteding bij KansJongeren, ter overbrugging van de start van het nieuwe schooljaar in september 2026 bij [school] . [de minderjarige] heeft in het kader van de (voorwaardelijk) gesloten uithuisplaatsing al veel geleerd. In feite ziet de uithuisplaatsing op dit moment alleen op het waarborgen van haar fysieke veiligheid. Een langere (gesloten) plaatsing is niet in haar belang; zij is toe aan een volgende stap. [de minderjarige] staat daarbij ook niet achter een verlenging van de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp en zij wil het hulpverleningsplan niet ondertekenen. Een plaatsing in een open setting is niet mogelijk, omdat zowel [de minderjarige] als de moeder hier niet aan mee willen werken, waardoor een open plaatsing geen enkel gunstig effect zal kunnen hebben. Plaatsing bij de moeder is niet in haar belang om hiervoor genoemde redenen. De gecertificeerde instelling constateert dat er sprake is van een patstelling. Door het ontbreken van perspectief voor [de minderjarige] en de (toegenomen) zorgen over de moeder, laat [de minderjarige] de afgelopen periode een stagnatie en regressie in haar ontwikkeling zien. Zij is verminderd gemotiveerd voor school en voor haar verblijf bij [groep] . Ook bestaan nog zorgen over parentificatie en loyaliteitsproblematiek bij [de minderjarige] . In januari 2026 heeft [de minderjarige] zich meerdere malen onttrokken aan [groep] , waarna zij een officiële waarschuwing heeft gekregen. In het weekend van 1 en 2 februari 2026 heeft [de minderjarige] (opnieuw) de afspraken geschonden door niet (tijdig) terug te keren van het verlof bij haar moeder. In overleg met iHub is besloten om de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp om te zetten in een machtiging gesloten jeugdhulp.
3.5.
De gecertificeerde instelling acht – in het licht van het voorgaande – alle verzochte mogelijke opties schadelijk voor [de minderjarige] en vindt het ingewikkeld om een afweging te maken. Enerzijds is de verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van de maatregelen voor de betrokken instanties (te) zwaar, aangezien de invloed vanuit de betrokken instanties beperkt is en de samenwerking met de moeder zeer moeizaam verloopt. Anderzijds vindt de gecertificeerde instelling dat zij verplicht is om [de minderjarige] te beschermen tegen onveiligheid en om haar ernstige ontwikkelingsbedreiging zoveel mogelijk te beperken. Daarbij is het ook de vraag of de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] groter is bij de moeder thuis dan bij een (al dan niet gesloten) uithuisplaatsing. De gecertificeerde instelling is van mening dat een keuze gemaakt moet worden tussen ofwel de verlenging van de ondertoezichtstelling en (primair) een toewijzing van een gesloten uithuisplaatsing, of stoppen met alle maatregelen. De gecertificeerde instelling heeft in dat licht een breed verzoek aan de rechtbank voorgelegd om de patstelling te doorbreken.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens [de minderjarige] is verweer gevoerd tegen de verzoeken. Er is op dit moment sprake van een patstelling. [de minderjarige] deelt de visie van de gecertificeerde instelling dat een langere gesloten plaatsing niet in haar belang is. [de minderjarige] heeft aangegeven dat een plaatsing op een open groep eveneens voor problemen gaat zorgen, omdat zij zich niet aan de regels kan houden. In november 2025 heeft er naar aanleiding van deze ontstane situatie een gesprek plaatsgevonden met [de minderjarige] , iHub en de gecertificeerde instelling, waarin is geconcludeerd dat een terugkeer naar huis het meest in het belang van [de minderjarige] is. Daaropvolgend is [de minderjarige] met dagbesteding bij Kansjongeren in [plaats] gestart en is zij ook aangemeld bij [school] voor het reguliere onderwijs. Vervolgens heeft de moeder te horen gekregen over een incident op de groep, waar de moeder buitengewoon heftig op heeft gereageerd. De moeder is vervolgens beoordeeld door de GGZ. De gecertificeerde instelling vindt sindsdien een thuisplaatsing niet meer aan de orde. [de minderjarige] is daarna haar motivatie voor school kwijtgeraakt en zij heeft zich niet meer aan haar verlofafspraken gehouden. [de minderjarige] wil op dit moment alleen nog maar naar huis. Ter zitting is gebleken dat een zorgmachtiging voor de moeder zal worden aangevraagd. Als deze wordt verleend, dan kan op die manier de situatie van de moeder worden gemonitord en kan ook bekeken worden hoe het met [de minderjarige] bij de moeder thuis gaat. Een gesloten plaatsing is niet in het belang van [de minderjarige] en zal niets oplossen aan de situatie. De verzoeken tot uithuisplaatsing en het verzoek (voorwaardelijk) gesloten moeten daarom worden afgewezen. Mocht de rechtbank het nodig achten dat eerst duidelijk wordt of er een zorgmachtiging komt en hoe de afstemming tussen de gecertificeerde instelling en GGZ plaats moet vinden, dan verzoekt de advocaat om de machtiging(en) voor korte duur te verlenen en voor het overige aan te houden. Mogelijk dat de moeder, met het vooruitzicht dat [de minderjarige] weer thuis komt wonen, bereid is om contact te houden met de gecertificeerde instelling en met de GGZ. Zonder de medewerking van de moeder is er sprake van een uitzichtloze situatie terwijl het voor [de minderjarige] juist van belang is om perspectief te hebben.
4.2.
Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. Er is wel verweer gevoerd tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en tegen de (voorwaardelijke) machtiging gesloten jeugdhulp. De afgelopen periode is er veel gebeurd en de moeder maakt zich zorgen over de plaatsing van [de minderjarige] bij iHub, omdat daar meerdere kinderen seksueel zijn misbruikt. Op dit moment heeft niemand zicht op [de minderjarige] en de jeugdbeschermer werkt volgens de moeder niet in het belang van [de minderjarige] . De moeder stelt dat geen sprake is van (psychische) problematiek bij haar. Wat de gecertificeerde instelling benoemt gaat over een situatie van jaren geleden. De moeder is op 26 november 2025 meegenomen ter beoordeling door de GGZ, maar zij is toen niet opgenomen. Zij is in het verleden ook nooit opgenomen geweest. Er is geconcludeerd dat de moeder geen gevaar is voor zichzelf of voor [de minderjarige] , waarna de verlofmomenten van [de minderjarige] met de moeder zijn herstart. Het is niet aan de gecertificeerde instelling om te bepalen of voor de moeder een zorgmachtiging moet worden verleend. De moeder vindt dat zij haar emoties, in deze situatie, op een normale manier toont. De samenwerking met de gecertificeerde instelling verloopt moeizaam. Volgens de advocaat van de moeder zou een wisseling van de jeugdbeschermer meer houvast en vertrouwen geven aan de moeder. Verder blijkt uit de stukken niet dat de moeder niet in staat is om voor [de minderjarige] te zorgen. Tussen de moeder en [de minderjarige] gaat het momenteel goed. Gelet op het voorgaande verzoekt de advocaat van de moeder om de verzoeken tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en tot verlening van een (voorwaardelijke) machtiging gesloten jeugdhulp af te wijzen. Ten aanzien van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling heeft de moeder geen bezwaar.
4.3.
Mevrouw Van Osch heeft desgevraagd het volgende naar voren gebracht. Het perspectief van [de minderjarige] is nooit een thuisplaatsing geweest, omdat dit volgens de gecertificeerde instelling geen optie is. [de minderjarige] verblijft nu al langere tijd bij iHub en zij doet het goed doet daar. Wel wordt gezien dat [de minderjarige] in feite niet veel meer te leren heeft bij Ihub: zij is echt klaar voor de volgende stap. Een open plaatsing is geen mogelijkheid door de verleidingen die daarbij komen kijken. iHub is bovendien geen voorziening waar kinderen – na het bereiken van de gestelde doelen – langer blijven. [de minderjarige] heeft duidelijk aangegeven dat zij graag naar huis wil. Tegelijkertijd is er geen zicht op de thuissituatie van [de minderjarige] bij de moeder. Mogelijk is een traject richting begeleid of zelfstandig wonen een optie voor [de minderjarige] . Om de maatregelen bij iHub goed uit te kunnen voeren is transparantie vanuit de moeder en zicht op de thuissituatie noodzakelijk.
4.4.
Mevrouw [naam 2] heeft desgevraagd naar voren gebracht dat [de minderjarige] goed weet om te gaan met de situatie waarin zij zit en met de situatie van haar moeder. Vanuit iHub verwacht men niet dat [de minderjarige] nog iets kan leren van een KOPP-training. Mogelijk zou een KOPP-training voor haar wel helpend kunnen zijn om met lotgenoten te praten.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank overweegt het volgende. Er bestaan nog steeds ernstige zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft in haar leven veel instabiliteit en onrust meegemaakt, waarbij zij is blootgesteld aan wisselende woonplekken en opvoedsituaties. De moeder kampt daarbij met forse psychische problematiek, waardoor zij [de minderjarige] niet de stabiliteit en ondersteuning kan bieden die zij nodig heeft. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de moeder dat van psychische problematiek geen sprake is. Op grond van de stukken en de bevindingen van de GGZ blijkt er naar het oordeel van de rechtbank minst genomen van een ernstig vermoeden van psychische problematiek, die er onder meer toe leidt dat de moeder [de minderjarige] niet een voldoende veilige opvoeding kan bieden. Het is te betreuren dat de moeder geen inzicht hierin toont of enige bereidheid laat zien om hierover het gesprek aan te gaan.
5.2.
[de minderjarige] is in september 2024 met een machtiging gesloten jeugdhulp, en sinds september 2025 met een voorwaardelijke machtiging gesloten en een reguliere machtiging tot uithuisplaatsing geplaatst op de hybride [groep] van iHub. Er waren grote zorgen over haar zelfbepalende gedrag, jarenlange schoolverzuim en zorgwekkende relaties. Daarbij is er een patroon te zien waarbij [de minderjarige] zich verantwoordelijk voelt voor de gezondheid van de moeder en er lijkt sprake te zijn van parentificatie. Ook lijkt [de minderjarige] haar eigen belangen opzij te zetten en de belangen van haar moeder voor te laten gaan vanuit loyaliteit naar haar moeder. Dit alles maakt dat [de minderjarige] nog steeds in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Bij [groep] heeft [de minderjarige] geprofiteerd van de geboden stabiliteit en structuur en zij heeft positieve stappen in haar ontwikkeling gezet. [de minderjarige] heeft (onder meer) haar schoolgang weer opgepakt, zij is open over haar relaties en zij heeft behandeling voor haar verslavingsproblematiek bij Brijder. [de minderjarige] gaat ook naar dagbesteding en zij zal vanaf september 2026 starten met onderwijs. Dat zijn grote stappen en de rechtbank vindt het invoelbaar dat [de minderjarige] verder wil met haar ontwikkeling en perspectief wil als het gaat over hoe het nu verder gaat en waar zij kan gaan wonen.
5.3.
De afgelopen periode is getracht om te onderzoeken wat het perspectief van [de minderjarige] is. Uit de stukken en het besprokene ter zitting is gebleken dat de gecertificeerde instelling een terugkeer naar huis uiteindelijk onvoldoende veilig acht voor [de minderjarige] . Door de psychische problematiek van de moeder is zij onvoldoende beschikbaar voor [de minderjarige] en kan zij [de minderjarige] niet bieden wat zij nodig heeft. De moeder heeft geen ziekte-inzicht, erkent en herkent de zorgen over de opvoedsituatie van [de minderjarige] niet en zij legt de schuld van de zorgen veelal bij anderen neer. Het is daarnaast zonder meer zeer zorgelijk dat de moeder wantrouwend is richting de gecertificeerde instelling en dat zij (verbaal) agressief en seksueel grensoverschrijdend gedrag vertoont richting de jeugdbeschermer. Ook hierbij lijkt de moeder geen enkel ander perspectief op de problematiek te hebben dan haar eigen visie. Vanuit verschillende (hulpverlenings)instanties zijn zorgen geuit over de persoonlijke problematiek van de moeder. Het feit dat de moeder een gebiedsverbod heeft gekregen en dat er een zorgmachtiging voor haar zal worden aangevraagd, zijn serieus te nemen signalen dat er grote zorgen over haar situatie bestaan.
5.4.
De rechtbank stelt voorop dat zij de grote zorgen van de gecertificeerde instelling over de veiligheid van de opvoedsituatie van [de minderjarige] bij de moeder, over het gebrek aan zicht op die opvoedsituatie door de opstelling van de moeder en over het gebrek aan opvoedvaardigheden bij de moeder deelt. Ook de rechtbank ziet dat er sprake is van een patstelling, aangezien er geen duidelijk perspectief is voor [de minderjarige] . Door de medewerkers van iHub is toegelicht dat [de minderjarige] het meest haalbare heeft behaald bij iHub en dat er momenteel niet (meer) stappen kunnen worden gezet aldaar. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit de stukken en het besprokene ter zitting duidelijk is geworden dat, door het ontbreken van perspectief, de ontwikkeling van [de minderjarige] de afgelopen periode is gestagneerd. Dat is een zorgelijke ontwikkeling. Het gedrag van [de minderjarige] als gevolg van dit vastlopen, heeft ervoor gezorgd dat de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp recent is omgezet in een machtiging gesloten jeugdhulp. Inmiddels lijkt alleen een gesloten plaatsing nog mogelijk, omdat [de minderjarige] niet meer kan of wil meewerken aan de afspraken om een voorwaardelijke plaatsing mogelijk te maken en een open plaatsing is ook geen goed alternatief. [de minderjarige] lijkt op deze manier in een neerwaartse spiraal terechtgekomen te zijn, hetgeen bijzonder wrang is omdat ze het zelf heel goed heeft gedaan tot nu toe. De rechtbank stelt vast dat de moeder juist nu, op dit cruciale moment in de ontwikkeling van [de minderjarige] , niet samenwerkt met de gecertificeerde instelling. Dat maakt het voor [de minderjarige] in feite ook onmogelijk om in samenwerking met de gecertificeerde instelling over een vervolgstap na te denken.
5.5.
Gelet op alle overgelegde informatie en het besprokene ter zitting is de rechtbank van oordeel dat een voortzetting van de huidige situatie – te weten een uithuisplaatsing – op dit moment schadelijker lijkt te zijn voor de ontwikkeling van [de minderjarige] dan het wonen bij haar moeder, terwijl de gecertificeerde instelling daar terecht grote zorgen over heeft. Het is zoals ter zitting is besproken, helaas een kwestie van kiezen tussen twee kwaden. Er zijn op dit moment geen duidelijke signalen van acuut (fysiek) gevaar voor [de minderjarige] als zij terugkeert naar de moeder. De rechtbank acht een thuisplaatsing van [de minderjarige] daarom op dit moment meer in het belang van [de minderjarige] , terwijl een voortzetting van de uithuisplaatsing juist een schadelijk effect op haar en haar ontwikkeling zou hebben Daarom zal de rechtbank de verzoeken tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en tot verlening van een (voorwaardelijke) machtiging gesloten jeugdhulp afwijzen.
5.6.
De rechtbank vindt dat er nog steeds sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige] . De moeder is niet, althans onvoldoende, in staat om zelfstandig [de minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft. De rechtbank is van oordeel dat een ondertoezichtstelling nog steeds het meest aangewezen middel is om deze ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te kunnen nemen. Het vrijwillig kader is hiervoor onvoldoende, gelet op de houding van de moeder. Hoewel de rechtbank de zorgen van de gecertificeerde instelling over de uitvoerbaarheid van de ondertoezichtstelling gezien het gebrek aan samenwerking met de moeder deelt, kan in het kader van een ondertoezichtstelling de focus de komende tijd op [de minderjarige] komen te liggen opdat zij de noodzakelijke stappen in haar ontwikkeling kan blijven zetten. De jeugdbeschermer dient daarom (blijvend) zicht te houden op de ontwikkeling van [de minderjarige] , regie te voeren over de (benodigde) hulpverlening en de thuisplaatsing te monitoren en te waarborgen. Daarnaast acht de rechtbank het van belang dat een coach voor [de minderjarige] wordt ingezet, opdat zij een vaste persoon gaat krijgen die met haar meedenkt, haar ondersteunt en met wie zij kan overleggen. Ook is het van belang dat wordt toegezien dat zij haar behandeling bij Brijder, de dagbesteding en de overstap naar het regulier onderwijs voortzet. Indien voor [de minderjarige] daarin meerwaarde wordt gezien kan ook worden gekeken naar een aanmelding voor een KOPP-training. Op deze manier hoeft [de minderjarige] het het komende jaar in elk geval niet helemaal alleen te doen, maar kan zij een zelfstandig beroep op de jeugdbeschermer en een coach blijven doen om haar te helpen en te ondersteunen.
5.7.
De moeder moet zich realiseren dat een verlenging van de ondertoezichtstelling inhoudt dat zij verplicht is om in het belang van [de minderjarige] de samenwerking met de gecertificeerde instelling en de hulpverleningsinstanties aan te gaan. Voor zover de moeder meent dat er geen zorgen over [de minderjarige] zijn, dat de gecertificeerde instelling het verkeerd ziet en niet in het belang van [de minderjarige] handelt, dat zij als moeder nergens toe verplicht is, ziet zij dat verkeerd. De rechtbank benadrukt dat binnen het kader van een ondertoezichtstelling de met gezag belaste ouder, wier gedrag is ingeperkt door de ondertoezichtstelling, zich dient te committeren aan de door de gecertificeerde instelling noodzakelijke geachte hulpverlening. Gelet op de forse zorgen en de stappen die de komende tijd moeten worden gezet, acht de rechtbank een verlenging van de ondertoezichtstelling passend en geboden. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om dit voor een kortere duur te doen dan verzocht.
5.8.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van een jaar. De verzoeken tot een (voorwaardelijke) machtiging gesloten jeugdhulp en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] zullen worden afgewezen. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.9.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1]

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 19 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing;
6.4.
wijst af het verzoek tot de (voorwaardelijke) machtiging gesloten jeugdhulp.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026 door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, mr.drs. W.G. de Boer en mr. A.M.A. Keulen, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. R.M. Goossen als griffier, en op schrift gesteld op 25 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.