ECLI:NL:RBDHA:2026:5458

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
NL25.15677
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeVerordening (EG) nr. 810/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met Marokko

Eiseres, van Marokkaanse nationaliteit, vroeg op 29 augustus 2023 een visum voor kort verblijf aan om familie te bezoeken in Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag op 4 oktober 2023 af wegens redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren naar Marokko. Na bezwaar en een gewijzigd besluit bleef de afwijzing in stand, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank behandelde het beroep op 8 januari 2026 en beoordeelde of de afwijzing op goede gronden was gebaseerd. Eiseres stelde dat zij sterke sociale binding heeft met Marokko, onder meer door de zorg voor haar ouders en haar studie aan de universiteit. Ook voerde zij aan dat zij een economische binding heeft door haar werk als administratief medewerker en haar activiteiten in e-commerce.

De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een zodanige sociale en economische binding met Marokko heeft dat haar tijdige terugkeer gewaarborgd is. Er ontbraken medische stukken over de zorgbehoefte van haar ouders, bewijs van haar daadwerkelijke zorg, en onderbouwing van haar inkomen. De rechtbank volgde de minister in het oordeel dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het Schengengebied tijdig te verlaten.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om griffierechtvrijstelling toe. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende sociale en economische binding met Marokko.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.15677
[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1999, van Marokkaanse nationaliteit, eiseres,
(gemachtigde: mr. S. Karami)
en

de minister van Buitenlandse zaken, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Albarda).

Inleiding

1. Bij besluit van 4 oktober 2023 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor de verlening van een visum voor kort verblijf afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.1.
Bij besluit van 17 oktober 2024 heeft verweerder het door eiseres ingestelde bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
1.2.
Vervolgens heeft verweerder op 12 maart 2025 een gewijzigd besluit (bestreden besluit) bekendgemaakt.
1.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.4.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft een aanvullend stuk ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. A. Azauiyat als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder (via een digitale verbinding).

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag voor een visum kort verblijf op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Griffierecht
4. Eiser heeft gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit
verzoek toe.
Waar deze zaak over gaat
5. Eiseres heeft op 29 augustus 2023 een visum voor kort verblijf gevraagd voor bezoek bij referent, [persoon] , in de periode van 15 oktober 2023 tot en met
22 oktober 2023. Eiseres is de nicht van de echtgenote van referent.
5.1.
Ter zitting heeft de rechtbank aan de orde gesteld dat aan het besluit van 17 oktober 2024 ten grondslag ligt dat er bij verweerder sprake is van redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van het visum te verlaten en dat aan het bestreden besluit daarnaast ook ten grondslag is gelegd dat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Verweerder heeft desgevraagd verklaard dat de grondslag van de redelijke twijfel in het bestreden besluit ter toetsing voorligt.
5.2.
Volgens verweerder bestaat er redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van het visum te verlaten, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt over een regelmatig en substantieel inkomen in Marokko te beschikken om in het eigen onderhoud te kunnen voorzien en zij haar sociale en economische binding met Marokko niet aannemelijk heeft gemaakt. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres niet gehoord hoefde te worden, nu een hoorzitting niet tot een ander oordeel zou leiden. Tot slot is verweerder van mening dat zij geen dwangsom hoeft te betalen omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is.
Toetsingskader
6. Een visumaanvraag voor kort verblijf wordt onder andere afgewezen als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum (oftewel het vestigingsgevaar). [1] Bij de beoordeling hiervan heeft verweerder een ruime beoordelingsmarge. [2]
6.1.
Voor de beoordeling van het vestigingsgevaar betrekt verweerder de sociale en economische binding van de aanvrager met het land van herkomst. Daarbij betrekt verweerder welke omstandigheden in het voordeel en welke in het nadeel van de aanvrager uitvallen. Op basis daarvan komt verweerder tot een conclusie over de vraag of redelijke twijfel bestaat over tijdige terugkeer naar het land van herkomst. De rechter kan dit oordeel van verweerder slechts terughoudend toetsen.
Tijdig terugkeren- sociale binding
7. Allereerst stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet heeft aangenomen dat er sprake is van sociale binding met Marokko. Eiseres woont samen met haar ouders in Marokko. Zij is nooit buiten Marokko geweest en kent als het ware niets anders dan Marokko. Eiseres draait op voor de zorg van haar ouders. Nu haar ouders tamelijk op leeftijd zijn en de zorg voor zichzelf niet meer kunnen dragen, is het nu de taak van hun dochter om de zorg op zich te nemen. Ook wordt haar onterecht tegengeworpen dat zij nog niet getrouwd is en geen eigen gezin heeft. Daarnaast is eiseres studente aan de Universiteit Moulay Ismail en volgt zij daar de opleiding Economische Wetenschappen en Management.
7.1.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat niet is gebleken dat eiseres een zodanige sociale binding heeft met Marokko dat een tijdige terugkeer voldoende is gewaarborgd. In de eerste plaats heeft verweerder kunnen betrekken dat eiseres ongehuwd is en geen kinderen heeft. Eiseres stelt weliswaar dat haar ouders en broers in Marokko verblijven, maar op grond daarvan kan een sterke sociale binding niet zonder meer worden aangenomen. Zo heeft eiseres niet onderbouwd dat zij de zorg draagt voor haar ouders en deze gestelde zorg niet door een ander kan worden gedragen. Eiseres heeft die noodzakelijke ondersteuning namelijk niet onderbouwd. Zo is niet met medische stukken aangetoond dat de ouders van eiseres hulpbehoevend zijn en dagelijkse zorg nodig hebben. Dat eiseres van familieleden geld zou krijgen om haar ouders te verzorgen volgt niet uit de overgelegde bankafschriften. Verder heeft eiseres verklaard dat haar broers ook in Marokko wonen. Niet valt in te zien dat deze broers bij afwezigheid van eiseres haar ouders niet kunnen helpen in de dagelijkse huishouding en zorg en dit is door eiseres ook niet onderbouwd. Daarnaast is het feit dat eiseres een studie Economische Wetenschappen en Management volgt niet voldoende om aan te nemen dat zij zodanige banden met Marokko heeft dat zij tijdig terug zal keren. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiseres deze studie mogelijk buiten Marokko, al dan niet na een tijdelijke onderbreking, kan voortzetten of voltooien of een soortgelijke studie in Nederland kan beginnen. Verweerder heeft tot slot kunnen meewegen dat niet is gebleken van (andere) zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiseres dwingen om tijdig naar Marokko terug te keren. De beroepsgrond slaagt niet.
Tijdig terugkeren- economische binding
8. Eiseres stelt zich ook op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet heeft aangenomen dat er sprake is van economische binding met Marokko. Eiseres is werkzaam als administratief medewerker, hetgeen zij als bijbaan verricht om haar levensonderhoud en studie mede te bekostigen. Daarnaast is eiseres actief in de e-commerce, waarbij zij zich bezighoudt met het online in- en verkopen van goederen. Dit ondernemerschap vormt eveneens een relevante bron van inkomsten. De eerder door verweerder gesignaleerde hogere stortingen op de bankrekening van eiseres, kort voorafgaand aan de visumaanvraag, vinden hierin hun verklaring. Eiseres had deze middelen nodig om aan de aanvraagkosten te kunnen voldoen. In de e-commerce heeft zij de mogelijkheid tot een vervroegde uitbetaling van haar inkomsten, hetgeen de timing van de stortingen verklaart.
8.1.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat niet is gebleken van een zodanige economische binding met Marokko dat een tijdige terugkeer voldoende is gewaarborgd. Met de overgelegde stukken heeft eiseres haar economische binding met Marokko namelijk niet voldoende onderbouwd. Dat eiseres een bedrijf in e-commerce zou hebben is enkel onderbouwd met bankafschriften die geen inzicht geven in de gestelde werkzaamheden of de daarmee gegenereerde inkomsten. Ook is niet gesteld of gebleken dat eiseres voor haar gestelde werkzaamheden fysiek in Marokko aanwezig moet zijn. Verder heeft eiseres niet onderbouwd met een arbeidsovereenkomst dat zij werkzaam is als administratief medewerker en niet met bankafschriften of salarisstroken onderbouwd dat zij hier een inkomen uit genereert. Hiermee heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt in Marokko om zelfstandig in het eigen onderhoud te voorzien. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Vanwege de onvoldoende gebleken sociale en economische binding met Marokko heeft verweerder kunnen concluderen dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr.L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 32, eerste lid, onder a, onderdeel ii, iii en onder b, van de Visumcode (Verordening (EG) nr. 810/2009).
2.Dit volgt uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862.