ECLI:NL:RBDHA:2026:5461

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
NL26.7377
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 AwbArt. 3 EVRMArt. 30 Vreemdelingenwet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden tegen Dublin-besluit Frankrijk

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling volgens het Dublin-verdrag. De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld omdat het kennelijk niet-ontvankelijk was.

De rechtbank constateerde dat eiser geen gronden van beroep had vermeld in het beroepschrift. Ondanks een verzoek om deze alsnog binnen vijf werkdagen in te dienen, bleef een reactie uit. Ook op het verzoek om een verschoonbare reden voor het verzuim te geven, werd niet gereageerd. Hierdoor was het beroep niet-ontvankelijk op grond van de Awb.

Daarnaast bood het dossier geen aanwijzingen dat bij overdracht aan Frankrijk sprake zou zijn van een schending van artikel 3 EVRM Pro, zodat de Bahaddar-omstandigheden niet van toepassing waren. De rechtbank wees het beroep af en kende geen proceskosten toe.

Uitkomst: Het beroep tegen het Dublin-besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en geen verschoonbare reden voor het verzuim.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7377

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Bell),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij het besluit van 9 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het beroepschrift de gronden van beroep. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb, kan ingevolge artikel 6:6 van Pro de Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
2. Eiser heeft geen gronden van beroep vermeld in het beroepschrift van 10 februari 2026. De rechtbank heeft eiser om deze reden bij bericht van 12 februari 2026 verzocht om de gronden alsnog binnen vijf werkdagen (dus uiterlijk op 19 februari 2026) in te dienen. Daarbij is aan eiser medegedeeld dat het beroep anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Er zijn geen gronden ingediend. De rechtbank heeft daarom op 27 februari 2026 aan eiser verzocht om binnen vijf werkdagen mede te delen of hiervoor een verschoonbare reden was. Ook hierop is niet gereageerd.
3. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat het verzuim verschoonbaar is. Uit de berichtgeving van 12 februari 2026 volgt dat de termijn vijf werkdagen is. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Tot slot biedt het dossier geen concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat bij overdracht van eiser aan Frankrijk onmiskenbaar sprake zal zijn van een schending van artikel 3 EVRM Pro. Van
Bahaddar-omstandigheden is daarom geen sprake.
5. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 13 maart 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw).