Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Blijkens de e-mail van het college van 2 februari 2026 en hetgeen is besproken op de zitting is vergunninghoudster voornemens om op 20 maart 2026 te starten met de bouwwerkzaamheden. Gelet hierop heeft verzoeker een voldoende spoedeisend belang bij zijn verzoek.
4. Verzoeker komt uitsluitend op tegen de verleende vergunning voor de omgevingsplanactiviteit en niet tegen de technische bouwactiviteit.
Hij voert aan dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en vindt dat in het bestreden besluit ten onrechte alleen is ingegaan op bezwaren die zien op
parkeerproblemen en niet op de overige bezwaren. Het gaat daarbij om beperking van
verzoekers woongenot en privacy door onder meer geluids- en lichtoverlast van het bouwplan, omdat de nieuwe entree tegenover zijn woning is voorzien. Daarnaast verwacht verzoeker een toename van verkeershinder en parkeerproblemen. Verzoeker kan zich niet vinden in de nadere motivering in het bestreden besluit dat er ondanks de toegenomen parkeerdruk als gevolg van deze ontwikkeling binnen acceptabele loopafstand voldoende parkeergelegenheid beschikbaar zou blijven voor bestaande woningen.
Verder vindt het college het volgens verzoeker acceptabel dat bewoners voortaan 300 meter van hun woning moeten parkeren in plaats van 100 meter doordat als gevolg van het bouwplan 65 parkeerplaatsen in de openbare ruimte nodig zijn. Verzoeker stelt dat het college de maximale acceptabele loopafstand van bestaande woningen niet op 300 meter heeft kunnen vaststellen.
5. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Ter plaatse geldt het omgevingsplan gemeente Katwijk (het omgevingsplan). Ingevolge artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Ingevolge artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4.
Uit artikel 22.1 van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, volgt dat het tijdelijke deel van het omgevingsplan onder meer bestaat uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
Ter plaatse geldt het bestemmingingsplan “Rijnsburg” (het bestemmingsplan). Het bouwplan is voorzien op gronden met de enkelbestemming “Maatschappelijk” en de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie”.
Artikel 15.2.1, onder a, van de regels van het bestemmingsplan bepaalt dat gebouwen op de gronden met de bestemming “Maatschappelijk” binnen het bouwvlak gebouwd moeten worden.
Tevens geldt ter plaatse het bestemmingsplan “Parapluplan parkeren Katwijk” (parapluplan).
In artikel 4.2, onder a, van de regels van het parapluplan is bepaald dat een nieuw bouwwerk, verandering van een bouwwerk, verandering van gebruik van een bouwwerk of van gronden – al dan niet gecombineerd - , waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, niet is toegestaan wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden;
Ingevolge het bepaalde onder b. van dit artikel wordt bij een omgevingsvergunning beoordeeld of sprake is van voldoende parkeergelegenheid aan de hand van de normen die zijn neergelegd in het parkeerbeleid van de gemeente Katwijk, met dien verstande dat indien gedurende de planperiode een nieuwe versie verschijnt of vervangen wordt door een door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen beleidsregel, met deze nieuwe versie of beleidsregel rekening wordt gehouden. Hierbij kunnen voorschriften worden opgenomen over het realiseren en in stand houden van parkeergelegenheid op eigen terrein.
Het parkeerbeleid was ten tijde hier van belang vastgelegd in de Nota parkeernormen 2020, geactualiseerd in juni 2021 (Nota parkeernormen). Bij een ontwikkeling als onderhavige moet de benodigde parkeercapaciteit op eigen terrein gerealiseerd worden. Alleen als aangetoond is dat dit niet mogelijk is, kan aanspraak worden gemaakt op eventueel aanwezige structurele en toegankelijke restcapaciteit in de directe omgeving. Daarvoor geldt als maatstaf dat binnen de voor de nieuwe ontwikkeling geldende maximale loopafstand op de maatgevende momenten een restcapaciteit aan parkeerplaatsen beschikbaar is met een bezettingsgraad van minder dan 85%.
6. De beoogde uitbreiding van het gebouw ter plaatse van de entree aan de noordzijde valt buiten het bouwvlak, waardoor de aanvraag in strijd is met artikel 15.2.1 van het bestemmingsplan. Het beoogde gebruik als multifunctioneel centrum is toegestaan, zodat de aanvraag in zoverre niet in strijd is met de gebruiksregels van het omgevingsplan.
7. Het college heeft naar aanleiding van het advies van de bezwarencommissie in het bestreden besluit met inachtneming van een aangepast Mobiliteitsplan Planck locatie Burgt (het Mobiliteitsplan) nader onderbouwd dat er geen ruimte is de extra parkeerbehoefte van 27 tot 69 parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren en dat er binnen een loopafstand van 300 meter om de Burgt voldoende parkeerplekken beschikbaar zijn om die toegenomen parkeerbehoefte op te vangen waarbij de parkeerdruk onder de 85% blijft. Het college is ook nader ingegaan op gevolgen van de verhoogde parkeerdruk voor de beschikbaarheid van voldoende parkeergelegenheid binnen acceptabele loopafstanden voor de bestaande bewoners. Het college heeft overwogen dat de belangenafweging in het kader van de acceptabele loopafstanden van bestaande functies en bewoners al heeft plaatsgevonden bij de vaststelling van het geldende parkeerbeleid en parkeernormen. Het college heeft besloten om de nog resterende bestaande restcapaciteit van parkeerplekken in het centrum van Rijnsburg te reserveren voor Planck, met als gevolg dat het parkeren weliswaar drukker wordt in Rijnsburg, maar nog altijd blijft onder de maximaal toelaatbare parkeerdruk van minder dan 85% restcapaciteit. Hieruit volgt reeds dat bij benutting van de restcapaciteit overeenkomstig de beleidsregels, de daarmee gepaard gaande toename van de parkeerdruk en de loopafstand voor de bestaande functies aanvaardbaar is. Ten overvloede heeft het college de motivering van het besluit op dit punt aangevuld. In een centrumgebied met verschillende functies is een wat grotere loopafstand voor een parkeerplek niet ongebruikelijk. In de Nota parkeernormen is verder opgenomen dat maximale acceptabele loopafstanden niet gelden voor bestaande functies. In bestaande gebieden is het parkeren historisch gegroeid en kunnen er ook geen exacte maximale acceptabele loopafstanden gegeven worden. Het college is van mening dat in een bestaand, gemengd gebied als het onderhavige, een loopafstand voor bestaande functies, waaronder wonen, van 300 meter in ieder geval acceptabel is. Daarbij wordt opgemerkt dat uit de Nota parkeernormen volgt dat voor nieuwe woonwijken een acceptabele loopafstand van 400 meter wordt aangehouden. Zoals aangegeven in het Mobiliteitsplan is aangetoond dat in het gebied van 300 meter om de Burgt de parkeerdruk onder de 85% blijft. Dit betekent dat er voldoende parkeerplekken aanwezig zijn binnen een loopafstand van 300 meter. Voor het centrum van Rijnsburg wordt dit als redelijkerwijs acceptabel geacht. De belangen van de omwonenden worden niet onevenredig geschaad en de omgevingsvergunning leidt niet tot een situatie waarin niet langer sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, aldus het college.
8. Verzoeker vindt deze redenering van het college misleidend, nu de 400 meter voor bestaande woonwijken slechts geldt als er een geheel nieuwe woonwijk wordt gerealiseerd. Gaat het om individuele woningen dan geldt een acceptabele loopafstand van 100 meter bij een eerste auto en bij een tweede auto 250 meter. Ondanks dat de Nota Parkeernormen niets regelt voor bestaande functies, staat daar wel in dat bij een parkeerdruk van >85% een maximale acceptabele afstand 250 meter is. Dat is minder dan de 300 meter die het college aanhoudt. Als de parkeerdruk < 85% is dan zou het dus logisch zijn dat het college een minder grote maximale loopafstand hanteert. Het gelijkstellen van de maximale loopafstand van bestande woningen met nieuwe winkels daar daarom niet op. Het college heeft ten onrechte grotere loopafstanden gehanteerd dan correct zou zijn.
9. Op 7 februari 2025 is het aangepaste Mobiliteitsplan opgesteld om inzicht te krijgen in de toekomstige parkeerbehoefte en in de toekomstige verkeersbewegingen in verband met de nieuwe functies in de Burgt door de komst van Planck. Uit het Mobiliteitsplan blijkt dat de extra parkeerbehoefte 27 tot 69 parkeerplaatsen bedraagt. Om de aanvullende parkeerbehoefte op te vangen is onderzoek gedaan naar het gebruik van restcapaciteit rondom de Burgt. Daarbij is rekening gehouden met bestaande claims ten aanzien van parkeren en de vermindering van één parkeerplek. De activiteiten die plaatsvinden zijn met name gericht op vrijetijdsbesteding. Voor deze functie is in de nota parkeernormen een acceptabele loopafstand van 600 meter bepaald. Kijkende naar logische barrières en locaties waar voornamelijk geparkeerd zal worden door bezoekers en gebruikers van de Burgt is een loopafstand van ongeveer 300 meter toegepast. Hieronder vallen het Hoftuinplein en het Remiseplein. Uit het Mobiliteitsplan blijkt dat er op de maatgevende momenten binnen een loopafstand van circa 300 meter voldoende parkeerplekken aanwezig zijn om de toegenomen parkeerbehoefte van de Burgt op te vangen zijn, waarbij de parkeerdruk onder de 85% blijft. De conclusie van het onderzoek luidt dat door gebruik te maken van restcapaciteit in de directe omgeving van het bouwplan de aanvullende parkeervraag kan worden opgevangen.
10. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)behoeft bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Dit houdt in dat slechts rekening dient te worden gehouden met de toename van parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte vanwege het te verbouwen pand.
11. Verzoeker heeft de berekeningen en conclusies in het Mobilteitsrapport niet gemotiveerd betwist en de voorzieningenrechter ziet geen reden die voor onjuist te houden. De eerst ter zitting opgeworpen grief dat de daadwerkelijke loopafstand ten aanzien van een aantal in aanmerking genomen parkeerplekken meer dan 300 meter zou zijn heeft verzoeker niet concreet onderbouwd, nog daargelaten dat het college daar terecht tegen in heeft gebracht dat een loopafstand van ongeveer 300 meter is gehanteerd en dat volgens de Nota Parkeernormen voor deze activiteit (vrijetijdsvoorzieningen) zelfs een maximale loopafstand van 600 meter acceptabel is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college op grond van dat rapport terecht aangenomen dat er binnen die loopafstand voldoende parkeerplekken beschikbaar zijn om de toegenomen parkeerbehoefte van de onderhavige ontwikkeling op te vangen waarbij de parkeerdruk onder de 85% blijft. Er is dus volgens de regels in de Nota parkeernormen voldoende restcapaciteit aanwezig in de directe omgeving om die toegenomen parkeerbehoefte op te vangen.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hoefde het college niet in de beoordeling te betrekken of er als gevolg van deze ontwikkeling voor bestaande woningen voldoende parkeerplekken beschikbaar blijven binnen acceptabele loopafstand. In de Nota parkeernormen staat dat de maximaal acceptabele loopafstanden alleen worden gebuikt voor het toetsen van de parkeeroplossing behorende bij een nieuwe functie en dat die maximale loopafstanden dus niet gelden voor bestaande situaties. Dit is in lijn met voormelde vaste rechtspraak waaruit blijkt dat alleen bezien hoeft te worden of er voor de toegenomen parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan voldoende restcapaciteit beschikbaar is. Bovendien is gebleken dat, zoals vermeld in het verweerschrift, verzoeker ook de mogelijkheid heeft om op eigen terrein te parkeren.
12. Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan “Rijnsburg” het expliciet mogelijk maakt om parkeervoorzieningen te realiseren op de gronden met de bestemming “Maatschappelijk”. Verzoeker heeft daarom volgens het college reeds te dulden dat nabij zijn woning (fiets)parkeervoorzieningen mogen worden gerealiseerd. Dat in het verleden deze fietsenstallingen niet zijn gerealiseerd, doet hieraan niet af.
13. De voorzieningenrechter ziet geen reden om dit standpunt voor onjuist te houden, nu het college ook de ‘fictieve realisatie’ van een bouwplan in overeenstemming met een bestemmingsplan in zijn beoordeling mag betrekken.Overigens blijkt uit het fotomateriaal dat zich in het dossier bevindt dat er op dit moment ook al fietsen worden geparkeerd op de plek waar de fietsparkeerplaatsen zijn voorzien.
14. De voorzieningenrechter stelt vast dat, anders dan verzoeker betoogt, op pagina 5 van het advies van de Commissie bezwaarschriften (de commissie) van 16 juni 2025, dat het college aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, wel is ingegaan op het aantal verkeersbewegingen dat het bouwplan genereert. Uit het Mobiliteitsplan blijkt dat tevens onderzoek is gedaan naar het aantal verkeersbewegingen. Daarover is geconcludeerd dat uit de recente verkeerstellingen, inclusief de aanvullende verkeersgeneratie blijkt dat de totale verkeersintensiteit ruimschoots onder de ondergrens van de richtlijn voor erftoegangswegen blijft. Er zijn daarnaast geen onaanvaardbare gevolgen voor de verkeerveiligheid te verwachten. Hiermee is het verkeerseffect als gevolg van de ontwikkeling verkeerskundig aanvaardbaar en veilig. De voorzieningenrechter ziet geen reden om deze conclusie voor onjuist te houden. Daarbij is van belang dat verzoeker deze uitkomst niet heeft betwist.
15. Daarnaast is op pagina 6 van dit advies van de commissie ingegaan op de bezwaren van verzoeker ten aanzien van de aspecten privacy en geluid.
In het verweerschrift is er terecht op gewezen dat het toegestane gebruik van De Burgt, dat verband houdt met de bestemming “Maatschappelijk”, niet verandert door het bouwplan. Feitelijk gezien zal weliswaar deels een verandering en beperkte uitbreiding plaatsvinden van de activiteiten die in De Burgt zullen worden verricht, doch die activiteiten passen binnen die bestemming en zijn dus reeds op grond van het bestemmingplan toelaatbaar. De enige afwijking van het bestemmingsplan bestaat erin dat de nieuwe entree tegenover de woning van verzoeker 2,7 meter buiten het bouwvlak wordt aangelegd.
In de omstandigheid dat als gevolg daarvan de privacy in de woning van verzoeker mogelijk enigszins zal afnemen en sprake kan zijn van enige toename van licht- en geluidoverlast ten opzichte van de huidige situatie, heeft het college naar voorlopig oordeel dan ook geen aanleiding hoeven zien om de omgevingsvergunning te weigeren. De door verzoeker genoemde vormen van hinder zijn naar voorlopig oordeel inherent aan het wonen in een stedelijke omgeving en geven daarom geen aanleiding voor het oordeel dat dat het bouwplan voor hem onevenredig nadelige gevolgen heeft.Bovendien heeft het college ter zitting toegezegd dat het in de stukken opgenomen beplantingsplan zal worden uitgevoerd.