ECLI:NL:RBDHA:2026:5478

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
NL26.5711
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken procesbelang

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 26 januari 2026, waarin zijn asielaanvraag werd afgewezen als ongegrond. De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank heeft onderzocht of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep. De gemachtigde van eiser heeft verklaard dat het laatste contact met eiser op 5 februari 2026 via e-mail was en dat er sindsdien geen contact meer is geweest. Volgens vaste rechtspraak wordt aangenomen dat een vreemdeling die met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact onderhoudt, geen prijs meer stelt op de aanvankelijk verzochte internationale bescherming.

De rechtbank concludeert dat eiser geen belang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep en verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5711

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

v-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij het besluit van 26 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep.
2. Naar aanleiding van het verweerschrift van verweerder van 4 maart 2026 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser verzocht om kenbaar te maken wanneer zij voor het laatst contact heeft gehad met eiser en op welke wijze dit contact heeft plaatsgevonden. De gemachtigde van eiser heeft op 11 maart 2026 meegedeeld dat het laatste daadwerkelijke contact met eiser op 5 februari 2026 heeft plaatsgevonden via e-mail. Nadien heeft de gemachtigde van eiser niets meer van hem vernomen.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte internationale bescherming in Nederland. Dit is anders als de vreemdeling contact met zijn gemachtigde onderhoudt. De rechtbank concludeert dat uit de informatie van de gemachtigde van eiser niet blijkt dat er recent contact is geweest.
4. Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank aan dat eiser niet langer prijs stelt op de aanvankelijke gezochte internationale bescherming in Nederland. Eiser heeft dan ook geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 16 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.