ECLI:NL:RBDHA:2026:5480

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
NL25.59891
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken procesbelang

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 28 november 2025, waarin zijn asielaanvraag werd afgewezen als ongegrond. De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank heeft onderzocht of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep. Naar aanleiding van een verzoek om informatie over het contact tussen eiser en zijn gemachtigde, bleek dat er sinds het bericht van de verweerder op 2 maart 2026 geen contact meer was. De vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelt dat bij vertrek van een vreemdeling met onbekende bestemming zonder mededeling aan de overheid, wordt aangenomen dat hij geen prijs meer stelt op de aanvankelijk verzochte internationale bescherming.

Omdat eiser geen recent contact onderhoudt en vermoedelijk niet langer prijs stelt op bescherming, concludeert de rechtbank dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan procesbelang. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59891

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

v-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij het besluit van 28 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep.
2. Naar aanleiding van het bericht van verweerder van 2 maart 2026 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser verzocht om kenbaar te maken wanneer zij voor het laatst contact heeft gehad met eiser en op welke wijze dit contact heeft plaatsgevonden. De gemachtigde van eiser heeft op 13 maart 2026 meegedeeld dat zij naar aanleiding van verweerders bericht heeft geprobeerd contact op te nemen met eiser, maar dat dit niet is gelukt.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte internationale bescherming in Nederland. Dit is anders als de vreemdeling contact met zijn gemachtigde onderhoudt. De rechtbank concludeert dat uit de informatie van de gemachtigde van eiser niet blijkt dat er recent contact is geweest.
4. Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank aan dat eiser niet langer prijs stelt op de aanvankelijke gezochte internationale bescherming in Nederland. Eiser heeft dan ook geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 16 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.