ECLI:NL:RBDHA:2026:5523

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL25.33473 en NL25.33471
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 31 lid 6 onder c VwArt. 30b lid 1 onder e Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen wegens gebrek aan geloofwaardig samenhangend relaas over bedreiging door ELN

Eisers, beiden Colombiaanse nationaliteit, dienden op 11 september 2022 asielaanvragen in Nederland in, stellende te vrezen voor de gewapende groepering ELN vanwege eerdere ontvoering en bedreigingen. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvragen op 17 juli 2025 af als kennelijk ongegrond, omdat het relaas van eisers niet als samenhangend en aannemelijk werd beoordeeld.

In het beroep betoogden eisers dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met hun persoonlijke omstandigheden, het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro, en de waarde van overgelegde documenten zoals een kopie van een aangifte. De rechtbank oordeelde dat de minister de aangifte wel had meegewogen, maar dat deze geen onafhankelijke bevestiging van de gebeurtenissen bood. Ook ontbrak objectief bewijs over de identiteit en rol van de bedreiger [jeugdvriend].

Verder vond de rechtbank dat de minister terecht had geoordeeld dat de verklaringen van eiser over zijn gevangenschap en interacties met de bedreiger tegenstrijdig en onvoldoende gedetailleerd waren. De algemene veiligheidssituatie in Colombia en landeninformatie werden adequaat betrokken bij de beoordeling, waarbij het onlogisch werd geacht dat eisers vrijwillig terugkeerden naar een gevaarlijke regio.

De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende en gemotiveerd had onderbouwd waarom het asielrelaas ongeloofwaardig was en verklaarde de beroepen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst de asielaanvragen af wegens gebrek aan geloofwaardig samenhangend relaas.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.33473 en NL25.33471

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer: [V-nummer 1] ,

en
[eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 17 juli 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers stellen te zijn geboren op respectievelijk [geboortedag 1] 1987 en [geboortedag 2] 2005 en de Colombiaanse nationaliteit te hebben. Zij hebben op 11 september 2022 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Zij hebben daaraan ten grondslag gelegd dat zij vrezen voor de gewapende groepering ELN. Eiser is eerder ontvoerd door deze groepering, met als doel hem te rekruteren. Zijn jeugdvriend [jeugdvriend] was daarbij betrokken. Via tussenpersonen uit het kamp van ELN heeft eiseres haar zoon weten te bevrijden. ELN heeft hen bevolen nooit meer terug te keren. Desondanks zijn eisers tijdelijk teruggekeerd naar [plaats 1] , waarna ze opnieuw moesten vluchten. Later, in [plaats 2] , zijn ze via telefoontjes en WhatsApp berichten bedreigd door [jeugdvriend] . Hij handelde namens ELN en eiste een vuurwapen terug dat eiser voor hem bewaarde. Bij terugkeer naar Colombia vrezen eisers opnieuw bedreigd of vermoord te worden door ELN of [jeugdvriend] .
2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder deze aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. De bedreigingen door [jeugdvriend] worden ongeloofwaardig geacht, omdat hun verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [1] Omdat de verklaringen van eisers zijn beoordeeld als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig heeft verweerder de asielaanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond. [2]
3. Eisers stellen in beroep dat verweerder op basis van de aannemelijk geachte feiten en omstandigheden een individuele beoordeling van het risico op ernstige schade bij terugkeer naar Colombia had moet maken. De vreemdeling moet zijn eigen, persoonlijke omstandigheden naar voren brengen en aannemelijk maken. Daartegenover staat dat verweerder de algemene situatie in het land van herkomst moet onderzoeken en zo nodig met een vreemdeling moet samenwerken om alle feiten te verzamelen. De aangevoerde omstandigheden moeten worden bezien tegen de achtergrond van de algemene veiligheidssituatie in het land van herkomst. Eisers wijzen erop dat, gelet op arrest M.I. tegen Zwitserland [3] , het risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM [4] uitdrukkelijk actueel moet worden afgewogen en geverifieerd met recente informatie. Verweerder heeft het risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM onvoldoende overwogen. Verder stellen eisers, onder verwijzing naar het arrest, dat ook aan niet-geauthentiseerde documenten, en dus ook kopieën, bewijswaarde toekomt. De kopie van de aangifte heeft verweerder onvoldoende meegewogen. Daarnaast is er wat betreft eiser onvoldoende rekening gehouden met zijn referentiekader.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Eisers worden niet gevolgd in hun stelling dat verweerder onvoldoende waarde heeft gehecht aan de door hen overgelegde stukken. De aangifte is meegewogen in de beoordeling, maar dit document draagt in beperkte mate bij aan de geloofwaardigheid
van het relaas. Niet alleen omdat het een kopie betreft, maar ook omdat uit onderzoek van verweerder blijkt dat de aangifte weliswaar is gedaan, maar dat het feitelijk alleen een vastlegging van de verklaring van eiseres betreft. Het is dus geen onafhankelijke bevestiging van de gebeurtenissen zoals eiseres deze heeft geschetst. Ook heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat het bevreemding wekt dat [jeugdvriend] niet wordt genoemd in de aangifte van eiseres, terwijl eisers stellen dat hij een centrale rol speelde in de ontvoering. Verder is nog altijd geen objectief bewijs overgelegd dat bevestigt wie [jeugdvriend] is of dat hij daadwerkelijk bestaat zoals eisers hem beschrijven. Ook is er geen bewijs dat hij een functie had of betrokken was bij ELN. Het telefoonnummer waarmee de gestelde dreigingen zijn verstuurd is niet verifieerbaar aan hem gekoppeld.
5. Evenmin worden eisers gevolgd in hun stelling dat onvoldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. Ten tijde van zijn gevangenschap was eiser bijna zeventien jaar oud en zat hij in het laatste jaar van de middelbare school. Bovendien is gevangenschap een indrukwekkende gebeurtenis en een essentieel onderdeel van zijn asielmotief. Van eiser mag dan ook worden verwacht dat hij kan verklaren over wat hij heeft meegemaakt tijdens zijn gevangenschap. Hij heeft de plek waar hij gevangen zat immers
met eigen ogen kunnen waarnemen. Hierdoor mag van eiser worden verwacht dat hij hier consistent, eenduidig en concreet over kan verklaren, vooral nu het de kern van zijn relaas raakt. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd overwogen dat zijn verklaringen over het gestelde gevangenschap tegenstrijdig, vaag en onvoldoende gedetailleerd zijn. Ook heeft verweerder mogen overwegen dat de verklaringen over zijn gedrag na de vrijlating en zijn interacties met [jeugdvriend] na de wapentransactie afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van het relaas. Het werkt bevreemding dat eiser [jeugdvriend] nog heeft gezien bij het voetballen en in de kapperszaak, maar dat zij het wapen nooit hebben besproken, terwijl eiser stelt zodanig te vrezen voor [jeugdvriend] en het wapen een belangrijk probleem was in de ontvoering.
6. Eisers worden verder niet gevolgd in hun stelling dat verweerder de door hen aangevoerde omstandigheden onvoldoende heeft bezien tegen de achtergrond van de algemene veiligheidssituatie in het land van herkomst. Zo is juist landeninformatie betrokken bij de overweging waarin verweerder niet ten onrechte overweegt dat het ongeloofwaardig is dat eiser zomaar is vrijgelaten, zonder dat daar iets tegenover stond. Het is ook niet logisch dat de ELN hen daarna toch zou blijven zoeken. Uit het Algemeen Ambtsbericht blijkt immers dat de ELN mensen meestal pas vrijlaat na betaling, onderhandelingen of om een strategische reden. [5] In 2024 heeft de ELN zelfs opnieuw aangekondigd dat zij mensen ontvoeren om losgeld te vragen. Ook is landeninformatie betrokken bij de overweging waarin verweerder eisers tegenwerpt dat het bevreemdend is dat zij naar [plaats 3] zijn gevlucht. Uit het rapport van JRS Colombia van oktober 2023 blijkt immers dat ELN actief is in [plaats 3] . De keuze om naar een regio te gaan waar ELN actief is sluit niet aan bij de verklaringen dat zij voortdurend gevaar liepen en vanwege dreiging op de vlucht waren. Verweerder overweegt dat uit openbare bronnen blijkt dat er veiligere alternatieve reisroutes beschikbaar zijn dan de route die eisers hebben genomen. Eiseres is een hoogopgeleide vrouw, van wie verwacht mag worden dat zij enig onderzoek verricht op welke manier en wanneer zij zich het beste kunnen verplaatsen binnen Colombia. Verweerder heeft verder niet ten onrechte overwogen dat de terugkeer naar [plaats 1] afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de gestelde vrees. Niet valt in te zien dat eisers, nadat ELN had geëist dat zij nooit meer terugkeren naar de stad, vrijwillig zijn teruggekeerd naar [plaats 1] en daar nog ongeveer twintig dagen hebben verbleven.
7. De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande met zich meebrengt dat verweerder voldoende dragend heeft gemotiveerd dat en waarom hij het asielrelaas van eisers geen samenhangend en aannemelijk geheel vindt en daarmee ongeloofwaardig acht. De beroepen zijn ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 16 maart 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
2.Zoals bedoeld in artikel 30b, lid 1, onder e, Vw
3.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 12 november 2024, ECLI:CE:ECHR:2024:1112JUD005639021.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Zie pagina 12 van het Algemeen Ambtsbericht Colombia van juni 2024.