Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:553

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
AWB 25/4883
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij vertrek vreemdeling

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank stelt ambtshalve de vraag of eiser nog procesbelang heeft, nu hij per 24 maart 2025 met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer heeft met zijn gemachtigde of instanties zoals IND, COA, AVIM of DT&V.

De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser tweemaal verzocht om informatie over het contact met eiser, maar deze heeft laten weten zich te onttrekken als gemachtigde en geen recent contact te hebben gehad. Er is geen nieuwe gemachtigde opgekomen en eiser heeft zelf ook niet kenbaar gemaakt dat hij nog belang heeft bij het beroep.

Op grond van vaste rechtspraak wordt aangenomen dat een vreemdeling die met onbekende bestemming vertrekt zonder contact te onderhouden geen prijs meer stelt op de aanvankelijk verzochte internationale bescherming. De rechtbank concludeert dat eiser geen belang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang door vertrek met onbekende bestemming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 25/4883

uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

[V-nummer]
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft op 28 februari 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep, omdat verweerder bij brief van 28 maart 2025 heeft meegedeeld dat eiser per 24 maart 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Daarnaast is niet gebleken dat hij zich inmiddels weer heeft gemeld bij de IND, COA, AVIM of DT&V. Verweerder heeft daarbij een schermafbeelding overgelegd uit zijn interne systeem.
2. Naar aanleiding van deze brief heeft de rechtbank de toenmalig gemachtigde van eiser op 2 april 2025 gevraagd wanneer zij voor het laatst contact heeft gehad met eiser en op welke wijze dit is gebeurd. Omdat de rechtbank de verzochte inlichtingen niet binnen de daartoe gestelde termijn van 5 werkdagen heeft ontvangen, heeft zij de toenmalig gemachtigde van eiser op 8 december 2025 nogmaals verzocht de gevraagde informatie te verstrekken. De toenmalig gemachtigde van eiser heeft de rechtbank op 11 december 2025 per e-mail laten weten dat zij zich onttrekt als gemachtigde van eiser, dat zij al maanden geen contact meer heeft gehad met eiser en dat zij niet weet waar hij verblijft.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [3] volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte internationale bescherming in Nederland. Dit is anders als de vreemdeling contact met zijn gemachtigde onderhoudt.
4. Uit de toelichting van de toenmalige gemachtigde van eiser blijkt dat geen sprake is van recent contact met eiser. Er heeft zich geen nieuwe gemachtigde gesteld. Ook heeft eiser niet zelf kenbaar gemaakt dat hij nog belang heeft bij zijn beroep.
5. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en de informatie van de toenmalig gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte internationale bescherming in Nederland. Eiser heeft dan ook geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 13 januari 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.