ECLI:NL:RBDHA:2026:5530

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL25.33474 en NL25.33472
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaken na uitspraak op beroep

Verzoekers hebben asielaanvragen ingediend die door de minister van Asiel en Migratie bij afzonderlijke besluiten van 17 juli 2025 als kennelijk ongegrond zijn afgewezen. Tegen deze besluiten hebben verzoekers beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verzoekers hebben vervolgens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om de afwijzing van hun asielaanvragen te schorsen. De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting uitspraak gedaan.

De voorzieningenrechter overweegt dat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan op het ingestelde beroep, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Om die reden wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank reeds uitspraak heeft gedaan op het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.33474 en NL25.33472

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[verzoekster] , verzoekster, V-nummer: [V-nummer 1] ,

en
[verzoeker], verzoeker, V-nummer: [V-nummer 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers,
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 17 juli 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van verzoekers afgewezen als kennelijk ongegrond.
Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummers NL25.33473 en NL25.33471, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op de beroepen. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 16 maart 2026 door mr. K.M. de Jager, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.