Eiser heeft een opvolgend beroep ingesteld omdat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. In een eerdere procedure had de rechtbank de minister al opgedragen vóór 29 september 2025 een beslissing te nemen, maar deze verplichting is niet nagekomen.
De rechtbank stelt vast dat het dossier mogelijk nog niet compleet is, waardoor de minister in principe acht weken heeft om te beslissen. Gezien het eerdere vonnis en het tijdsverloop bepaalt de rechtbank echter een kortere termijn van vier weken voor de minister om alsnog een besluit te nemen, ingaand de dag na deze uitspraak.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000. De minister wordt ook veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 233,50, rekening houdend met een wegingsfactor vanwege de beperkte omvang van het opvolgend beroep.