ECLI:NL:RBDHA:2026:5539

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL26.8563
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 VwVerordening (EU) 604/2013Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhedenVerdrag betreffende de status van vluchtelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Spanje op grond van Dublinverordening

Eiser, een Sierra Leoonse nationaliteit, diende op 3 september 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Spanje op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser op 4 december 2024 illegaal via Spanje de EU binnenkwam en daar op 22 april 2025 een asielaanvraag indiende.

Verweerder verzocht Spanje om terugname van eiser, wat Spanje op 12 november 2025 aanvaardde. Eiser betoogde dat Spanje geen adequate opvang, medische voorzieningen en rechtsbescherming biedt, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel daarom niet van toepassing is.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zoals bevestigd in eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat Spanje zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen of dat terugkeer tot een situatie leidt die strijdig is met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro.

De stellingen van eiser zijn onvoldoende onderbouwd en betreffen vooral de eerste aankomst in Spanje, niet de situatie als Dublinclaimant. Spanje heeft met de aanvaarding van het overnameverzoek gegarandeerd dat de asielaanvraag conform Europese richtlijnen wordt behandeld. Klachten over tekortkomingen kunnen bij Spaanse autoriteiten worden ingediend.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.8563

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.C.M.E. Schijvenaars)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2004 en de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 3 september 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [2] In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [3] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 4 december 2024 illegaal via Spanje het grondgebied van de lidstaten is ingereisd en daar op 22 april 2025 een asielaanvraag heeft ingediend. Om die reden heeft verweerder op 11 november 2025 de Spaanse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Spaanse autoriteiten hebben dit verzoek op 12 november 2025 aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Spanje vanaf die datum vaststaat.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Verweerder gaat ten aanzien van Spanje ten onrechte uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft persoonlijk ondervonden dat Spanje geen adequate opvang en medische voorzieningen aan asielzoekers biedt. Daarnaast heeft hij in Spanje geen afdoende rechtsbescherming gekregen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In beginsel mag verweerder ten aanzien van Spanje, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM [4] en het Vluchtelingenverdrag, [5] uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd in de uitspraken van de Afdeling [6] van 24 juni 2024, [7] 3 februari 2025 [8] en 25 november 2025. [9] Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van kan worden uitgegaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de Spaanse autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens hem niet zullen nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. [10] Ook is niet gebleken van structurele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. De verklaringen van eiser gaan over de wijze waarop hij bij zijn eerste aankomst in Spanje is behandeld en niet over de situatie waarin eiser als Dublinclaimant aan Spanje zal worden overgedragen. Over dit laatste kan eiser ook niet verklaren nu hij niet eerder als Dublinclaimant aan Spanje is overgedragen. Verder zijn eisers stellingen in het geheel niet onderbouwd. Bovendien hebben de Spaanse autoriteiten met de aanvaarding van het overnameverzoek gegarandeerd dat zij eisers asielaanvraag in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese richtlijnen en internationale verdragen. Indien eiser in Spanje toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen in de opvang, medische voorzieningen of rechtsbescherming, kan hij hierover klagen bij de Spaanse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Spaanse autoriteiten voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
5. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 16 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Verordening (EU) 604/2013.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
10.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.