ECLI:NL:RBDHA:2026:5588
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenrecht niet-ontvankelijk wegens ontbreken connexiteit
Verzoekster diende op 19 december 2025 een verzoek om voorlopige voorziening in tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie van 26 november 2025. Dit verzoek werd ingediend tijdens de bezwaarprocedure. Op 4 februari 2026 verklaarde de minister het bezwaar ongegrond. Verzoekster stelde vervolgens geen beroep in tegen dit besluit op bezwaar, waardoor de beroepstermijn is verstreken.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is omdat niet is voldaan aan het connexiteitsvereiste zoals neergelegd in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Hierdoor kan de zaak niet inhoudelijk worden behandeld en wordt het verzoek afgewezen zonder zitting.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier A.W. van Eerden, en is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit.