ECLI:NL:RBDHA:2026:5588

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL25.62634
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenrecht niet-ontvankelijk wegens ontbreken connexiteit

Verzoekster diende op 19 december 2025 een verzoek om voorlopige voorziening in tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie van 26 november 2025. Dit verzoek werd ingediend tijdens de bezwaarprocedure. Op 4 februari 2026 verklaarde de minister het bezwaar ongegrond. Verzoekster stelde vervolgens geen beroep in tegen dit besluit op bezwaar, waardoor de beroepstermijn is verstreken.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is omdat niet is voldaan aan het connexiteitsvereiste zoals neergelegd in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Hierdoor kan de zaak niet inhoudelijk worden behandeld en wordt het verzoek afgewezen zonder zitting.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier A.W. van Eerden, en is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.62634
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. W. Hoebba), en
de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: M.G. Meyboom-de Jong).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoekster op 19 december 2025 heeft ingediend tegen het primaire besluit van verweerder van
26 november 2025.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1 Het verzoek om een voorlopige voorziening is namelijk kennelijk niet-ontvankelijk, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend hangende het door verzoekster ingediende bezwaar. Bij beslissing van 4 februari 2026 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen het besluit op bezwaar geen beroep ingesteld. De beroepstermijn is inmiddels verstreken. Daarom is niet voldaan aan het in artikel 8:81 van Pro de Awb neergelegde connexiteitsvereiste.
Het verzoek zal niet inhoudelijk worden behandeld en de voorzieningenrechter zal geen uitspraak doen over het verzoek. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:83 van Pro de Awb).
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 maart 2026

Documentcode: [Documentcode]

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.