Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5596

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
C/09/700407 KG ZA 26-210
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 66 PbwArt. 73 lid 4 PbwPenitentiaire Beginselenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering overplaatsing en wijziging GVM-status gedetineerde in AIT

Eiser is veroordeeld tot 30 jaar gevangenisstraf en verblijft sinds 2023 in detentie met een hoge GVM-status vanwege suïcidale uitlatingen en gedragingen die ontsnappingsvoorbereidingen suggereren. Na verschillende plaatsingen in PPC, BPG en AIT is eiser in januari 2026 overgeplaatst naar de AIT van een andere PI vanwege een verstoorde werkrelatie.

Eiser vordert in kort geding zijn overplaatsing naar een andere PI, ongedaanmaking of verlaging van zijn GVM-status en plaatsing op een reguliere afdeling. De rechtbank oordeelt dat de GVM-status onlosmakelijk verbonden is met de AIT-plaatsing en dat een aparte beoordeling daarvan in kort geding niet mogelijk is. Tevens is de beroepsprocedure bij de RSJ de juiste weg voor bezwaar tegen AIT-plaatsing en overplaatsing.

De rechtbank acht de klachten over onmenselijke behandeling onvoldoende onderbouwd en bevestigt dat de plaatsing en overplaatsing voldoende gemotiveerd zijn. Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen en veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vorderingen tot overplaatsing en wijziging van zijn GVM-status en veroordeelt hem in de proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/700407 KG ZA 26-210
Uitwerking van vonnis in kort geding van 6 maart 2026
in de zaak van
[eiser]thans gedetineerd in PI [plaats 1] ,
eiser,
advocaat mr. E.B. Jobse,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDENzetelende te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. M. Beekes.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 maart 2026;
- de door de Staat overgelegde producties 1 tot en met 8;
- de door de Staat overgelegde pleitnotitie.
1.2.
Op 5 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Op 6 maart 2026 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 13 maart 2026.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaar veroordeeld vanwege doodslag, poging tot moord, bedreiging en het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie. Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld. De inhoudelijke behandeling van het hoger beroep was gepland op 9 maart 2026.
2.2.
[eiser] verblijft sinds 25 februari 2023 in detentie. Op 9 maart 2023 is [eiser] op de lijst van gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico (hierna: GVM-lijst) geplaatst met de status ‘hoog’.
2.3.
Bij besluit van 14 maart 2023 is [eiser] geselecteerd voor het gesloten gevangenisregime van de PI [plaats 2] . Tijdens zijn verblijf in de PI [plaats 2] heeft [eiser] aanhoudende en toenemende suïcidale uitlatingen gedaan. [eiser] is vervolgens aangemeld voor een crisisplaatsing in een Penitentiair Psychiatrisch Centrum (hierna: PPC). Bij besluit van 4 april 2023 is [eiser] geselecteerd voor het PPC van de PI [plaats 3] .
2.4.
Uit een selectieadvies van 25 mei 2023 volgt dat het personeel vermoedt dat [eiser] suïcidaliteit heeft ingezet om in het PPC terecht te komen, om zo meer vrijheden te verkrijgen. Verder volgt uit het selectieadvies van 25 mei 2023 dat [eiser] gedurende zijn verblijf in het PPC heeft aangegeven het personeel en de procedures te willen testen en heeft hij medegedetineerden onderdrukt. Vanwege signalen dat [eiser] bezig was met ontsnappingsvoorbereidingen, is [eiser] vervolgens op grond van een ordemaatregel op de afdeling voor beheersproblematische gedetineerden (hierna: BPG-afdeling) verbleven. Uit het selectieadvies van 25 mei 2023 volgt verder dat [eiser] onder andere observeerde hoe de sluis werkte, dat hij de onderzijde van de transportbusjes inspecteerde en dat hij wegrende op het moment dat er een hek werd geopend om de reactie van het personeel te peilen. Omdat er toen geen sprake meer was van een PPC-indicatie, heeft de directie geadviseerd om [eiser] te selecteren voor een inrichting met een Afdeling Intensief Toezicht (hierna: AIT).
2.5.
Bij besluit van 26 mei 2023 is [eiser] geselecteerd voor de PI [plaats 4]
. [eiser] is door de directeur in de AIT ondergebracht.
2.6.
Bij besluit van 10 juli 2023 is [eiser] geselecteerd voor de BPG-afdeling van de PI [plaats 3] . Het door [eiser] tegen deze beslissing ingestelde bezwaar is op 29 augustus 2023 ongegrond verklaard. Ook het hiertegen ingestelde beroep is door de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ) op 25 maart 2024 ongegrond verklaard.
2.7.
Op 19 januari 2024 is aan [eiser] een ordemaatregel opgelegd, omdat [eiser] spullen had vernield en brand had gesticht in zijn cel.
2.8.
Bij besluit van 25 oktober 2024 is [eiser] geselecteerd voor het gesloten gevangenisregime van de PI [plaats 5] , waar hij is ondergebracht in de AIT.
2.9.
Bij besluit van 25 november 2025 is het verblijf van [eiser] in de AIT van de PI [plaats 5] voor de duur van twaalf maanden verlengd. [eiser] heeft op 16 december 2025 beroep ingesteld tegen dit besluit en om schorsing daarvan verzocht.
2.10.
Op 19 december 2025 heeft (de voorzitter van) de beroepscommissie van de RSJ uitspraak gedaan, waarin het verzoek om schorsing van de verdere tenuitvoerlegging van de beslissing van 25 november 2025 is afgewezen.
2.11.
Op 29 en 30 december 2025 heeft [eiser] dreigende uitspraken gedaan in de richting van meerdere personeelsleden. [eiser] is daarom op 30 december 2025 in de isolatiecel geplaatst. Tijdens de fouillering bij de overplaatsing naar de isolatiecel heeft [eiser] geweigerd zijn mond open te doen en was er daarnaast voor het personeel voelbaar dat [eiser] een stap naar achteren wilde zetten. [eiser] heeft zich daarnaast dreigend uitgelaten richting het personeel. Op verzoek van de directeur van de inrichting heeft de selectiefunctionaris daarom op 2 januari 2026 besloten dat [eiser] wegens een verstoorde werkrelatie wordt overgeplaatst naar een AIT van een andere PI. Omdat er naast de PI [plaats 5]
in totaal vier andere inrichtingen beschikken over een AIT (PI [plaats 6] , PI [plaats 2] ,
PI [plaats 4] en de PI [plaats 1] ) en [eiser] vanwege het verblijf van andere gedetineerden niet geplaatst kan worden in de PI [plaats 2] en de PI [plaats 6] , is besloten om [eiser] over te plaatsen naar de PI [plaats 1] . Daarbij is rekening gehouden met de beschikbare capaciteit, de huidige samenstelling van de afdelingen intensief toezicht en de evenwichtige spreiding van de gedetineerden die in de AIT verblijven.
2.12.
Op 9 januari 2026 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 januari 2026. Het bezwaar is op 15 januari 2026 ongegrond verklaard. [eiser] heeft vervolgens beroep ingesteld en heeft om schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit verzocht.
2.13.
Op 2 februari 2026 heeft (de voorzitter van) de beroepscommissie van de RSJ uitspraak gedaan, waarin het verzoek om schorsing van de verdere tenuitvoerlegging van de beslissing van 2 januari 2026 is afgewezen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. bepaalt dat [eiser] met onmiddellijke ingang van de PI [plaats 1] wordt overgeplaatst naar een andere PI te Nederland;
II. bepaalt dat dat de Staat met onmiddellijke ingang de GVM-status van [eiser] ongedaan maakt dan wel subsidiair deze wijzigt van ‘
hoog’ naar ‘
verhoogd’en als gevolg hiervan de plaatsing van [eiser] op de AIT ongedaan maakt door [eiser] op een reguliere afdeling te plaatsen;
III. de Staat veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. [eiser] wordt op de AIT van de PI [plaats 1] onmenselijk behandeld. Het beleid is in strijd met de Grondwet, Europese verdragen en de Penitentiaire beginselenwet. [eiser] heeft zich vanwege zijn behandeling in de PI [plaats 1] genoodzaakt gezien om in hongerstaking te gaan. Hij kan het hoger beroep in de strafzaak vanwege zijn hongerstaking niet (goed) voorbereiden. [eiser] moet daarom worden overgeplaatst naar een andere PI. Verder is de plaatsing op een AIT en de GVM-status ‘hoog’ in het geval van [eiser] onrechtmatig en onredelijk.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Gelet daarop is de burgerlijke rechter, en in dit geval de voorzieningenrechter, bevoegd. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vorderingen.
4.2.
Per 1 november 2025 is een nieuwe ‘Circulaire Gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico’ in werking getreden. Deze circulaire vervangt de circulaire ‘Beleid gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico van 8 juli 2021. Gedetineerden die na inwerkingtreding van de nieuwe GVM-circulaire in een AIT verblijven, worden conform de GVM-circulaire aangemerkt als hoogrisicogedetineerde (hierna: HRG). De rechtbank begrijpt de vordering van [eiser] aldus dat hij verwijdering van zijn GVM-status wenst dan wel dat zijn GVM-status van ‘HRG’ naar risicogedetineerde (hierna: RG) wordt gewijzigd. [eiser] wenst als gevolg daarvan op een reguliere afdeling geplaatst te worden.
4.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de plaatsing van een gedetineerde in de AIT tot gevolg heeft dat de betrokkene automatisch de GVM-status ‘HRG’ krijgt. De vraag die voorligt is dus of in dit geval de GVM-status ‘HRG’ separaat kan worden beoordeeld door de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter volgt de Staat in zijn betoog dat een separate beoordeling van de GVM-status in dit geval in kort geding niet mogelijk is. Daartoe is allereerst van belang dat de beslissing van de selectiefunctionaris tot (verlenging van de) plaatsing in de AIT de primaire beslissing is. Daarop volgt zonder nadere beoordeling de GVM-status ‘HRG’ voor de betrokken gedetineerde automatisch. Gelet hierop heeft [eiser] geen belang bij de vordering tot verwijdering dan wel verlaging van zijn GVM-status, omdat een eventuele toewijzing ervan voor hem geen verschil maakt. Om die reden is [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot verwijdering dan wel verlaging van zijn GVM-status. [1] Het wegdenken van de GVM-status ‘HRG’ of het wijzigen van de GVM-status naar ‘RG’ zou immers geen gevolgen hebben voor de plaatsing in de AIT, omdat de voor hem geldende GVM-status onlosmakelijk is verbonden met de plaatsing in de AIT. Dat aan [eiser] reeds op 9 maart 2023 de GVM-status ‘hoog’ (inmiddels: HRG) is toegekend, maakt het voorgaande niet anders. Het betreft dan ook een administratieve status zonder zelfstandige betekenis.
4.4.
Voorts beoogt [eiser] met zijn vorderingen om vanuit de AIT naar een reguliere afdeling verplaatst te worden en om vanuit de PI [plaats 1] overgeplaatst te worden naar een andere PI.
4.5.
De selectiefunctionaris heeft op 25 november 2025 vastgesteld dat [eiser] nog steeds voldoet aan de criteria voor plaatsing in de AIT, zodat is besloten de plaatsing in de AIT voor de duur van twaalf maanden te verlengen. Zoals hiervoor is toegelicht, blijft als gevolg daarvan de GVM-status ‘HRG’ gehandhaafd. Tegen de beslissing tot verlenging van de plaatsing in de AIT is rechtstreeks beroep bij de beroepscommissie van de RSJ mogelijk. Op grond van de artikelen 73 lid 4 jo. art. 66 Pbw Pro kan ook om schorsing van die beslissing worden verzocht. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 25 november 2025 en om schorsing van het besluit verzocht, maar de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ heeft het verzoek tot schorsing afgewezen. Naar het oordeel van de voorzitter is de plaatsing in de AIT voldoende gemotiveerd.
4.6.
Daarnaast heeft de selectiefunctionaris op 2 januari 2026 beslist dat [eiser] wordt overgeplaatst naar de AIT van de PI [plaats 1] vanwege dreigende uitspraken van [eiser] op 29 en 30 december 2025. Tegen de beslissing tot overplaatsing naar de AIT van een andere PI staat bezwaar en beroep open. Hangende het beroep kan een gedetineerde om schorsing van de beslissing tot (over)plaatsing vragen. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van 2 januari 2026. Met de beslissing op bezwaar van 15 januari 2026 is het bezwaarschrift van [eiser] ongegrond verklaard. [eiser] heeft vervolgens beroep ingesteld tegen deze beslissing. Hangende het beroep heeft [eiser] om schorsing van de beslissing verzocht. Het schorsingsverzoek is op 2 februari 2026 afgewezen, omdat de beslissing tot overplaatsing naar het oordeel van de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ niet zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om de tenuitvoerlegging daarvan te schorsen.
4.7.
Uit vaste rechtspraak volgt dat de beroepsprocedure bij de RSJ een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is die de gang naar de burgerlijke rechter afsluit. [2] [eiser] heeft ter zitting weliswaar verklaard dat hij het niet eens is met die lijn in de rechtspraak – hij vindt dat met die lijn gebroken zou moeten worden – maar hij heeft niet onderbouwd waarom in dit specifieke geval dan wel in het algemeen geen sprake zou zijn van een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Deze verklaring kan [eiser] dan ook niet baten. De voorzieningenrechter houdt vast aan de vaste lijn in de rechtspraak en oordeelt dat er in dit geval geen ruimte is voor een afzonderlijk oordeel van de burgerlijke rechter over (de verlenging van) de plaatsing in de AIT en de overplaatsing naar de PI [plaats 1] . Dat betekent dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen.
4.8.
Dat [eiser] stelt dat sprake is van een onmenselijke behandeling, maakt het voorgaande niet anders. Volgens [eiser] komt er nauwelijks tot geen natuurlijk licht in zijn cel omdat de ramen zijn verduisterd, kan hij slechts twee tot drie keer per week maximaal 7 minuten douchen waarna hij ook in 7 minuten zijn cel moet schoonmaken, zit hij geheel in afzondering op een vleugel van de AIT- afdeling, kan hij zelf geen boeken uitkiezen om te lezen, heeft hij zijn merkbroek en discman moeten inleveren, komt eten dat hij bestelt te laat binnen en heeft hij geen eigen koelkast in zijn cel. [eiser] heeft hierover beklag ingesteld. Volgens de Staat gelden in de AIT van de PI [plaats 1] dezelfde (huis)regels als in de AIT’s van andere PI’s en heeft [eiser] in deze procedure dezelfde argumenten aangehaald als in de procedure bij de Commissie van Toezicht en de commissie van beroep van de RSJ, waar zijn klachten zijn reeds beoordeeld en ongegrond zijn verklaard. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande niet aannemelijk geworden dat in de AIT van de PI [plaats 1] , in tegenstelling tot in de AIT’s van andere PI’s, sprake is van een onmenselijke behandeling dan wel strijd met de Grondwet, Europese verdragen of de Pbw.
4.9.
De conclusie is dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen. [eiser] zal de beroepsprocedures over (de verlenging van) de plaatsing in de AIT en de overplaatsing naar de PI [plaats 1] moeten afwachten.
Proceskosten
4.10.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 760
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 1.684
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de Staat, begroot op € 1.684, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
De hiervoor vermelde tekst strekt tot motivering van het verkorte vonnis dat tussen partijen op 6 maart 2026 is gewezen. De uitwerking van het vonnis is vastgesteld door mr. H.J. Vetter en verstrekt op 13 maart 2026.
3556

Voetnoten

1.Gerechtshof Den Haag 7 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:562, r.o. 6.5 en 6.6.
2.Gerechtshof Den Haag 7 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:562, r.o. 6.3 en 6.4.