ECLI:NL:RBDHA:2026:5639

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
SGR 24/8634
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 BWArt. 2 Ziektewetreglement 2017Art. 3 Ziektewetreglement 2017Art. 19 ZWArt. 29b ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugvordering Ziektewet-uitkering wegens strijd met rechtszekerheidsbeginsel

Koninklijke PostNL B.V. werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) teruggevorderd voor meerdere Ziektewet-uitkeringen die onterecht aan haar waren uitbetaald ten behoeve van een ex-werknemer. De terugvordering betrof bedragen over perioden tussen 2020 en 2022, waarbij de uitkeringen ook met terugwerkende kracht aan de ex-werknemer waren betaald.

PostNL stelde dat de terugvordering onterecht was omdat de uitkeringen aanvankelijk rechtmatig aan haar waren betaald en de ex-werknemer pas jaren later bezwaar maakte tegen de betalingswijze. De rechtbank oordeelde dat de besluiten tot betaling aan PostNL tussen 2020 en 2021 onherroepelijk waren geworden doordat de ex-werknemer geen bezwaar had gemaakt. Hierdoor mocht PostNL erop vertrouwen dat de betalingen terecht waren.

De rechtbank vond dat het terugvorderen van de uitkeringen drie tot vier jaar na betaling in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Ook was de ZW-uitkering al beëindigd voordat de terugvordering plaatsvond. Daarom vernietigde de rechtbank het bestreden besluit en herroept zij de primaire besluiten tot terugvordering. PostNL hoeft de bedragen niet terug te betalen en krijgt het betaalde griffierecht vergoed. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot terugvordering van ZW-uitkeringen en bepaalt dat PostNL de bedragen niet hoeft terug te betalen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8634

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen

Koninklijke PostNL B.V., uit Den Haag, eiseres

(gemachtigde: mr. F. Bovenberg),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. E. Kok).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij], uit [woonplaats] (de ex-werknemer).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering en invordering van een Ziektewet (ZW)-uitkering ten behoeve van de ex-werknemer, die in eerste instantie aan eiseres is uitbetaald. Eiseres is het niet eens met de terugvordering en voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder terecht de ZW-uitkering van eiseres heeft teruggevorderd en ingevorderd.
1.1.
De ZW-uitkering van de ex-werknemer werd vanaf 23 juni 2020 gedurende verschillende periodes door verweerder aan eiseres uitbetaald. In het eerste besluit van 29 augustus 2024 (het primaire besluit I) heeft verweerder bepaald dat de ZW-uitkering aan de ex-werknemer uitbetaald had moeten worden en dat de ZW-uitkering over de periode van 27 juli 2021 tot en met 15 augustus 2021 (gedeeltelijk) ten onrechte aan eiseres is betaald. Eiseres moet de te veel ontvangen ZW-uitkering ter hoogte van € 397,53 bruto terugbetalen aan verweerder.
1.2.
In het tweede besluit van 29 augustus 2024 (het primaire besluit II) heeft verweerder bepaald dat de ZW-uitkering aan de ex-werknemer uitbetaald had moeten worden en dat de ZW-uitkering over de periode van 28 juni 2021 tot en met 28 juni 2021 (gedeeltelijk) ten onrechte aan eiseres is betaald. Eiseres moet de te veel ontvangen ZW-uitkering ter hoogte van € 479,74 bruto terugbetalen aan verweerder.
1.3.
In het derde besluit van 29 augustus 2024 (het primaire besluit III) heeft verweerder bepaald dat de ZW-uitkering aan de ex-werknemer uitbetaald had moeten worden en dat de ZW-uitkering over de periode van 22 september 2021 tot en met 2 oktober 2022 (gedeeltelijk) ten onrechte aan eiseres is betaald. Eiseres moet de te veel ontvangen ZW-uitkering ter hoogte van € 26.496,68 bruto terugbetalen aan verweerder.
1.4.
In het vierde besluit van 29 augustus 2024 (het primaire besluit IV) heeft verweerder bepaald dat de ZW-uitkering aan de ex-werknemer uitbetaald had moeten worden en dat de ZW-uitkering over de periode van 23 juni 2020 tot en met 27 juni 2020 (gedeeltelijk) ten onrechte aan eiseres is uitbetaald. Eiseres moet de te veel ontvangen ZW-uitkering ter hoogte van € 602,95 bruto terugbetalen aan verweerder.
1.5.
In het vijfde besluit van 29 augustus 2024 (het primaire besluit V) heeft verweerder bepaald dat de ZW-uitkering aan de ex-werknemer uitbetaald had moeten worden en dat de ZW-uitkering over de periode van 14 juli 2020 tot en met 3 januari 2021 (gedeeltelijk) ten onrechte aan eiseres is uitbetaald. Eiseres moet de te veel ontvangen ZW-uitkering ter hoogte van € 13.206,28 bruto terugbetalen aan verweerder.
1.6.
In het eerste besluit van 30 augustus 2024 (het primaire besluit VI) heeft verweerder bepaald dat het bedrag van € 386,77 netto van eiseres wordt ingevorderd.
1.7.
In het tweede besluit van 30 augustus 2024 (het primaire besluit VII) heeft verweerder bepaald dat het bedrag van € 584,12 netto van eiseres wordt ingevorderd.
1.8.
In het derde besluit van 30 augustus 2024 (het primaire besluit VIII) heeft verweerder bepaald dat het bedrag van € 12.794,14 netto van eiseres wordt ingevorderd.
1.9.
In het vierde besluit van 30 augustus 2024 (het primaire besluit IX) heeft verweerder bepaald dat het bedrag van € 465,51 netto van eiseres wordt ingevorderd.
1.10.
In het vijfde besluit van 30 augustus 2024 (het primaire besluit X) heeft verweerder bepaald dat het bedrag van € 25.781,99 netto van eiseres wordt ingevorderd.
1.11.
In het besluit van 26 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en de primaire besluiten I tot en met X in stand gelaten.
1.12.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.13.
De ex-werknemer heeft een zienswijze ingediend.
1.14.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.15.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder en de ex-werknemer deelgenomen.

Overwegingen

Standpunt van eiseres
2. Eiseres voert primair aan dat er geen grond bestond voor verweerder om over te gaan tot betaling van het ziekengeld aan haar ex-werknemer. De ZW-uitkering betreft een compensatievergoeding voor de werkgever die het loon doorbetaalt aan de ex-werknemer. De werkgever kan deze ZW-uitkering in mindering brengen op het loon dat hij aan de zieke werknemer op grond van artikel 7:629, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet doorbetalen. Er was in dit geval sprake van een loondoorbetalingsverplichting. Als de ex-werknemer van mening is dat hij te weinig loon ontvangt, dan kan hij een civiele procedure starten. Als verweerder de uitkering eerst aan eiseres heeft betaald en daarna nogmaals aan de ex-werknemer, is het die tweede betaling die onverschuldigd was en die kan worden teruggevorderd, aldus eiseres.
2.1.
Subsidiair betoogt eiseres dat de uitkering op onjuiste gronden op de werkgever wordt verhaald. De ex-werknemer heeft de toekenningsbeslissingen ontvangen en daarin staat dat het ziekengeld wordt uitbetaald aan de werkgever. De ex-werknemer heeft zich daar niet tegen verzet en heeft daartegen ook geen bezwaar gemaakt. Pas in 2024 is met terugwerkende kracht door de ex-werknemer om (rechtstreekse) betaling verzocht over de periodes die gelegen zijn tussen 2020 en 2021. Voor zover uit dit verzoek al volgt dat de ex-werknemer zich heeft verzet tegen de betalingswijze van de ZW-uitkering aan de werkgever, is dit verzet te laat gedaan. Verzet hiertegen kan volgens eiseres alleen plaatsvinden op het moment dat de betaling wordt gedaan door verweerder en niet achteraf met terugwerkende kracht. Verder voert eiseres aan dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel omdat verweerder geen onderzoek heeft gedaan naar de omstandigheden van het geval. Uit de zinsnede “nadat is vastgesteld” in artikel 3 van Pro het Ziekengeldreglement 2017 (het Ziekengeldreglement) volgt dat verweerder een onderzoeksplicht heeft om na te gaan of de werkgever het ziekengeld niet aan de verzekerde betaalt. Het loon is echter doorbetaald zodat geen aanleiding bestaat om op die grond de uitbetaalde ziekengelden van de werkgever terug te vorderen. Er is dan ook geen sprake van onverschuldigde betaling. Bovendien is het Ziekengeldreglement volgens eiseres niet van toepassing op deze situatie, omdat het hier gaat om een ziekengeldbetaling op grond van een no-riskclaim door een werkgever. In artikel 1 van Pro het Ziekengeldreglement wordt alleen artikel 19 van Pro de ZW genoemd en niet artikel 29b van die wet. Ten slotte is de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) waar verweerder in het bestreden besluit op wijst volgens eiseres niet van toepassing op deze situatie. Het ging in die uitspraak om de situatie van een WAZO-uitkering en het ging om de vraag of er tussen die werkgever en het Uwv een publiekrechtelijke rechtsbetrekking bestaat.
Standpunt van verweerder
3. In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat hij terecht is overgegaan tot het uitbetalen van de ZW-uitkering aan de ex-werknemer, omdat de ex-werknemer zich tegen betaling aan eiseres heeft verzet en hij verweerder heeft verzocht om het ziekengeld rechtstreeks aan hem te betalen. Dit betekent dat het ziekengeld ten onrechte aan eiseres is betaald. Uit de uitspraak van de CRvB van 17 mei 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX5819 volgt dat deze onverschuldigde betalingen van eiseres teruggevorderd kunnen worden. Omdat artikel 63a van de ZW in dit geval niet van toepassing is, hoeft de ex-werknemer niet aan te tonen dat eiseres niet aan haar betalingsverplichting voldeed. Volgens verweerder kan de werknemer op elk moment tegen de betaling van de ZW-uitkering aan de werkgever protesteren, en is het verzoek daartoe niet aan een termijn gebonden.
Standpunt van de ex-werknemer
4. Volgens de ex-werknemer is het terecht dat de ZW-uitkering door verweerder rechtstreeks aan hem is uitbetaald. Eiseres heeft het loon dat zij tijdens ziekte van de ex-werknemer moest doorbetalen niet correct uitbetaald en meerdere malen verkeerd vastgesteld.
Beoordeling door de rechtbank
5. Tussen eiseres en de ex-werknemer is een geschil ontstaan over de hoogte van het uitbetaalde loon tijdens ziekte. De ex-werknemer heeft zich uiteindelijk in 2024 tot verweerder gewend en verzocht om de ZW-uitkering met terugwerkende kracht rechtstreeks aan hem uit te betalen. Verweerder heeft dit verzoek gehonoreerd en heeft de ZW-uitkering met terugwerkende kracht aan de ex-werknemer uitbetaald, waarna verweerder de aan eiseres uitbetaalde ZW-uitkering heeft teruggevorderd. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verweerder de ZW-uitkering terecht van eiseres heeft teruggevorderd (en vervolgens heeft ingevorderd).
5.1.
Op de zitting is aan eiseres voorgehouden dat aan de terugvordering de artikelen 2 en 3 van het Ziekengeldreglement ten grondslag zijn gelegd en dat in de toelichting bij artikel 3 van Pro het Ziekengeldreglement expliciet vermeld is dat indien over dezelfde periode ziekengeld ten behoeve van dezelfde werknemer rechtstreeks is betaald aan de werknemer en aan de werkgever, de betaling aan de werkgever als onverschuldigd wordt aangemerkt. Eiseres heeft aangegeven zich daarbij neer te leggen. De rechtbank vat dit zo op dat eiseres haar primaire grond heeft laten vervallen.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat in de besluiten van 29 juni 2020, 28 augustus 2020, 6 juli 2021, 3 augustus 2021 en 29 september 2021 is bepaald dat verweerder de ZW-uitkering overmaakt op het rekeningnummer van eiseres. De ex-werknemer heeft geen bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 29 juni 2020, 28 augustus 2020, 6 juli 2021, 3 augustus 2021 en 29 september 2021 zodat deze besluiten tussen midden 2020 en eind 2021 in rechte vast zijn komen te staan. Eiseres mocht er op basis van deze besluiten van uitgaan dat de uitkering terecht aan haar was betaald. De rechtbank is van oordeel dat het terugvorderen van de uitbetaalde ZW-uitkering van eiseres op 29 augustus 2024, en dus drie tot (ruim) vier jaar na de betaling van de ZW-uitkering, in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Bovendien was de ZW-uitkering per 8 november 2022, dan wel per 30 september 2022 al beëindigd. Dit betekent dat de besluitvorming van verweerder geen stand kan houden.
Conclusie en gevolgen
6. Uit het voorgaande volgt dat de besluitvorming van verweerder in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en verweerder daarom de ZW-uitkering ten onrechte heeft teruggevorderd en ingevorderd van eiseres.
7. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, de primaire besluiten I tot en met X herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Dit betekent dat eiseres de teruggevorderde en ingevorderde bedragen niet aan verweerder hoeft te betalen.
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal zij bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept de primaire besluiten I tot en met X;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, voorzitter, mr. T.A. Oudenaarden en mr. B. Wallage, leden, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.